Terug naar bibliotheek
Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:936 - Rechtbank Oost-Brabant - 12 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBOBR:2026:936•12 februari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/911
[eiseres] , uit [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. van Groningen),
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Meierijstad, de heffingsambtenaar
(L.H.W. Kuijten).
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de aan haar opgelegde aanslag in de leges.
1.1. De heffingsambtenaar heeft aan eiseres een op 4 november 2024 verzonden aanslag in de leges opgelegd tot een bedrag van € 35.494 in verband met het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning.
1.2. Met de uitspraak op bezwaar van 6 maart 2025 heeft de heffingsambtenaar de aanslag verminderd tot een bedrag van € 18.237.
1.3. Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.
1.4. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet binnen de door de rechtbank gestelde termijn[1] om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.[2]
Feiten
- De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
2.1. Op 16 februari 2023 heeft op het perceel van eiseres een controle plaatsgevonden door medewerkers van de gemeente Meierijstad (de gemeente) en de omgevingsdienst Brabant-Noord (de omgevingsdienst) naar aanleiding van een schriftelijk handhavingsverzoek dat op 12 februari 2023 werd gedaan. In dat handhavingsverzoek werd erover geklaagd dat eiseres zonder vergunning (bouw)werkzaamheden aan het verrichten was waar de verzoeker overlast door ervaarde. Naar aanleiding van de bevindingen tijdens de controle heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad (het college) met het besluit van 28 februari 2023 aan eiseres een bouwstop opgelegd.
2.2. Eiseres heeft op 24 maart 2023 bij het college een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend volgens de reguliere procedure met als projectomschrijving 'vervangen en uitbreiden melkgebouw'. Eiseres heeft deze aanvraag nadien ingetrokken en op 12 mei 2023 een nieuwe aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend volgens de uitgebreide procedure met als projectomschrijving 'veranderingsvergunning milieu'. Het college heeft met een brief van 15 mei 2023 aan eiseres bevestigd dat de intrekking van de (eerste) aanvraag van 24 maart 2023 is ontvangen en dat voor het in behandeling nemen daarvan geen leges in rekening zouden worden gebracht, omdat eiseres inmiddels een nieuwe (tweede) aanvraag van 12 mei 2023 had ingediend.
Beoordeling door de rechtbank
- In beroep is het aan de heffingsambtenaar om aannemelijk te maken dat hij eiseres terecht en niet voor een te hoog bedrag heeft aangeslagen. Naar het oordeel van de rechtbank is de heffingsambtenaar hierin geslaagd.
3.1. De rechtbank is van oordeel dat eiseres terecht is aangeslagen in de leges, omdat de (in overweging 2.2. genoemde) aanvraag van 12 mei 2023 door het college in behandeling is genomen. Daarmee heeft het belastbaar feit zich voorgedaan.[3] Dit is door eiseres overigens ook niet ter discussie gesteld.
3.2. In de uitspraak op bezwaar staat dat de bouwleges € 12.158 bedragen. Dit bedrag is verhoogd met € 6.079 – te weten 50% verhoging van de bouwleges – omdat de aanvraag is ingediend na aanvang of gereedkoming van de activiteit(en).[4]
3.3. Eiseres voert geen argumenten aan tegen de hoogte van de bouwleges van € 12.158. Dit onderdeel van de aanslag staan dan ook niet ter discussie en de rechtbank zal dat dan verder onbesproken laten.
3.4. Eiseres is het niet eens met de verhoging van de leges in verband met het indienen van de aanvraag na aanvang of gereedkoming van de activiteit(en). Eiseres voert allereerst aan dat de verhoging niet is terug te voeren op door de gemeente verleende (extra) diensten. Eiseres bestrijdt ook dat de gemeente extra werkzaamheden heeft moeten verrichten voor het in behandeling nemen van haar aanvraag vanwege het enkele feit dat die is ingediend nadat de activiteiten al waren aangevangen. In de uitspraak op bezwaar is hierop geen toelichting gegeven, zodat die moet worden vernietigd wegens strijdigheid met het zorgvuldigheids - en motiveringsbeginsel. Een eventuele onderbouwing van deze (extra) werkzaamheden is niet in de toepasselijke verordening gegeven, zodat eiseres vindt dat die in zoverre onverbindend moet worden verklaard. Ook merkt eiseres op dat de verhoging van de leges is aan te merken als een boete.
3.5. De heffingsambtenaar wijst erop dat de gemeenteraad autonoom bevoegd is om te bepalen dat in verband met het indienen van de aanvraag na aanvang of gereedkoming van de activiteit(en) extra leges in rekening worden gebracht.[5] In de rechtspraak is daarbij wel als grens gesteld dat het sanctiekarakter niet mag overheersen, wat het geval is bij een verhoging met 100%.[6] Verder bestrijdt de heffingsambtenaar de stellingen van eiseres dat in verband met het achteraf indienen van de aanvraag door eiseres geen extra werkzaamheden zijn gemoeid. Uit jarenlange ervaringen van de vakinhoudelijke gemeenteambtenaren blijkt dat er dan meer dan normaal telefonisch en per mail overleg met een aanvrager moet plaatsvinden om ervoor te zorgen dat de aanvraag van volledige en juiste informatie is voorzien om deze verder in behandeling te nemen. Dat lukt lang niet altijd binnen de wettelijke termijn voor het afhandelen van aanvragen, waardoor in overleg met de aanvrager wordt geadviseerd om de aanvraag dan maar in te trekken en binnen 4 weken een nieuwe aanvraag in te dienen. Hiermee wordt weer tijd gewonnen en dit is voor de aanvrager financieel gunstig, omdat de leges voor de oude aanvraag dan volledig worden verrekend met die van de nieuwe aanvraag. Bij een nieuwe aanvraag dienen de stukken dan weer opnieuw te worden beoordeeld, waarbij niet altijd terug kan worden gegrepen op eerdere beoordelingen. In het geval van eiseres is dit niet anders geweest. Gelet op de milieutechnische aspecten is de (eerste) aanvraag van 24 maart 2023 tevens ter beoordeling aan de omgevingsdienst gezonden. Daar is gebleken dat er ten onrechte een aanvraag voor een reguliere procedure is ingediend. Omdat het gevraagde niet milieuneutraal kan, moet een uitgebreide procedure worden gevolgd. Op 26 april 2023 is door de omgevingsdienst telefonisch contact met eiseres geweest, waarin dit is uitgelegd en waarin is geadviseerd om de aanvraag in te trekken en een nieuwe aanvraag te doen. Aangezien intrekking uitbleef, is op 5 mei 2023 vanuit de vakinhoudelijke afdeling van de gemeente nog een mail aan de gemachtigde van aanvrager gezonden waarin is gevraagd of de aanvraag conform het eerder gegeven advies wordt ingetrokken en gevolgd door een nieuwe aanvraag. De (eerste) aanvraag is vervolgens op 12 mei 2023 ingetrokken en op dezelfde dag nog gevolgd door het indienen van de (tweede) aanvraag voor een uitgebreide procedure.
3.6. De rechtbank overweegt als volgt. Eiseres stelt niet ter discussie dat zij de aanvraag voor de omgevingsvergunning pas heeft ingediend na aanvang van de te vergunnen activiteiten. Omdat het dus om een achteraf ingediende aanvraag ging, is ook terecht het bijbehorende tarief uit de toepasselijke legesverordening toegepast. Anders dan eiseres stelt, is tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds geen rechtstreeks verband vereist.[7] Verder is geen sprake van een boete.[8] Uit het betoog van de heffingsambtenaar blijkt genoegzaam dat de verhoging wordt ingegeven omdat daadwerkelijk sprake is van (compensatie voor) extra werkzaamheden door de gemeente en dat (dus) niet een bestraffend element op de voorgrond staat. Verder is de verhoging niet dusdanig hoog en kan betaling daarvan niet worden afgedwongen met andere van nature strafrechtelijke dwangmiddelen, zoals vervangende hechtenis, zodat ook zo bezien geen sprake is van bestraffing. Hoewel het navolgende van minder gewicht is, speelt ook mee dat de verhoging in de legesverordening is aangemerkt als dienst waarvoor leges worden geheven en niet als een boete. De door eiseres aangevoerde motiveringsklacht over de uitspraak op bezwaar slaagt evenmin. Het hiervoor (in overweging 3.5. weergegeven) betoog van de heffingsambtenaar staat – anders dan eiseres lijkt te beweren – in essentie ook in de uitspraak op bezwaar. Daarmee heeft de heffingsambtenaar afdoende gereageerd op de ook door eiseres in bezwaar aangevoerde argumenten waarmee zij zich tegen de verhoging van de leges heeft verzet. Anders dan eiseres stelt is met de uitspraak op bezwaar dus het zorgvuldigheids - en motiveringsbeginsel niet geschonden. Dat de motivering van de uitspraak op bezwaar voor eiseres kennelijk niet overtuigend was, maakt dat niet anders.
3.7. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank dan ook van oordeel dat de aanslag niet op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F. Vink, rechter, in aanwezigheid van
mr. Y. Mutsaers, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof 'sHertogenbosch waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof 'sHertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ 'sHertogenbosch.
De rechtbank heeft in haar bericht van 20 januari 2026 laten weten dat deze termijn loopt tot en met 3 februari 2026. Met het bericht van 4 februari 2026 heeft de rechtbank laten weten het onderzoek te sluiten. In dat bericht staat ten onrechte dat genoemde termijn vier weken bedroeg.
Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Artikel 2, aanhef en onder a en slot, van de Verordening leges Meierijstad 2025, Gemeenteblad 2024, 547116.
Artikel 2.13.2 van Bijlage 1 (legestarieventabel) bij de Verordening leges Meierijstad 2025.
Hoge Raad 17 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1253, en rechtbank Oost-Brabant 16 november 2014, ECLI:NL:RBOBR:2014:7162.
Rechtbank 's-Gravenhage 26 juli 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BB9896.
Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11 maart 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:722, overweging 4.5.
Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) 24 februari 1994, ECLI:CE:ECHR:1994:0224JUD001254786, overwegingen 44-48. - - - ## Voetnoten