Terug naar bibliotheek
Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:668 - Rechtbank Oost-Brabant - 4 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBOBR:2026:668•4 februari 2026
Uitspraak inhoud
Civiel recht
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Zaaknummer: C/01/403341 / HA ZA 24-251
Vonnis van 4 februari 2026
in de zaak van
de naamloze vennootschap
VvAA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,
gevestigd te Utrecht,
eisende partij,
advocaat: mr. G.N. van Kooten,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
advocaat: mr. M. Goedhart.
Partijen zullen hierna "VvAA" en " [gedaagde] " worden genoemd.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het tussenvonnis van 27 augustus 2025 - de akte van VvAA. - de akte van [gedaagde] . - de rolbeslissing van 21 november 2025 waarbij de zaak naar de rol is verwezen voor vonnis.
2 De verdere beoordeling
2.1. De rechtbank heeft bij vonnis van 27 augustus 2025 aan VvAA kort gezegd opgedragen om bij akte een reactie van haar partijdeskundige op de kritiekpunten zoals die op de zitting aan de orde zijn gekomen over te leggen. Vervolgens heeft [gedaagde] hier weer op kunnen reageren door middel van een antwoordakte. De rechtbank blijft bij de beslissingen die zij reeds in dit tussenvonnis heeft genomen.
2.2. Op 22 oktober 2025 heeft VvAA een akte ingediend, waarbij zij ingaat op de kritiekpunten die door [gedaagde] tijdens de zitting zijn geuit over het deskundigenrapport van de heer [A] van Onderzoeksbureau [B] (hierna: " [A] "). Deze kritiekpunten zijn aan [A] voorgelegd en vervolgens vertolkt door de advocaat van VvAA.
2.3. Het gaat om de volgende punten:
I. de V-vormige brandtekening;
II. de camerabeelden en kijkrichtingen;
III. de verplaatste buitenunit van de warmtepomp;
IV. de mogelijkheid van kortsluiting; en
V. het branden binnen 75 cm van de kim (de aansluiting van het dak en de opgaande dakrand).
2.4. De rechtbank geeft hierna eerst kort de reactie van [A] op de bovenstaande punten en daarna de reactie van [gedaagde] weer. De rechtbank zal daarna beoordelen of de rapporten van [A] , in het licht van wat [gedaagde] daartegen heeft aangevoerd, in dit stadium al dan niet voldoende zijn voor een beslissing over de oorzaak van de brand.
De V-vormige brandtekening
2.5. Ter zitting heeft [gedaagde] de bevindingen van [A] betwist door te stellen dat op de plaats die door [A] is aangemerkt als vertrekpunt van de brand vrijwel geen brandschade zichtbaar is. Volgens [gedaagde] heeft de brand daarentegen het heftigst gewoed rechts van de lichtkoepel, nu op die plek alles van boven tot onder zwartgeblakerd is.
2.6. Volgens [A] is de stelling van [gedaagde] onjuist. In zijn rapport[1] legt [A] uit dat vanuit het hart van de initiële vlam (de brandbron) lucht uit de omgeving wordt aangezogen en meegevoerd in een opwaartse vlam, die zich in een V-vorm naar boven en opzij uitbreidt. Rond het bronpunt is de temperatuur het hoogst en is de brand het meest destructief, waardoor brandschade daar soms minder zichtbaar lijkt. Naarmate men verder van de brandbron komt, is de brand minder intens, de temperatuur lager en zijn (isolatie)materialen minder aangetast; deze zijn verkoold of zwartgeblakerd, maar niet door de brand vergaan. Daarnaast ontstaat tijdens de brand roetafzetting, die door de hogere temperaturen bij de bron in sterkere mate wordt schoongebrand dan verder van de bron. Dit temperatuurverschil verklaart het ontstaan van het V-patroon: verder van de middellijn van de vlam en rook, oftewel het bronpunt, is meer roetafzetting zichtbaar.
2.7. Verder stelt [A] dat het min of meer evenredige V-patroon erop wijst dat de brand, als gevolg van werkzaamheden met een gasbrander, achter de gevelafwerking is ontstaan en zich heeft ontwikkeld, waarbij de wind in het eerste stadium geen of nauwelijks invloed had op de branduitbreiding. Indien de brand, zoals [gedaagde] stelt, was veroorzaakt door kortsluiting in de warmtepomp, zou de wind volgens [A] wel invloed hebben gehad op het brandpatroon en zou een ander patroon zichtbaar zijn geweest, verder naar rechts en ten zuiden van de lichtkoepel.[2] Bovendien zou het materiaal op die plek dan niet slechts zwartgeblakerd zijn geweest, maar in sterkere mate zijn vernietigd.
2.8. Gelet op het brandpatroon kan het volgens [A] niet anders dan dat de brand links van de lichtkoepel, achter de gevelafwerking is ontstaan. De brand kan dus niet door een andere mogelijke oorzaak zijn ontstaan, dan door de brandgevaarlijke werkzaamheden die op het dak zijn uitgevoerd, aldus [A] .
2.9. [gedaagde] reageert in zijn antwoordakte op de punten van [A] . Op figuur 1 van het rapport van [A] van 16 oktober 2025 zou te zien zijn dat het isolatiemateriaal volledig was weggebrand.[3] [gedaagde] stelt echter dat deze weggebrande plek niet waar te nemen is op een foto die direct door [gedaagde] is genomen na de brand. Het verkoolde isolatiemateriaal zou over de hele breedte te zien zijn. Volgens [gedaagde] is de weggebrande plek niet tijdens de brand ontstaan, maar pas na de opruimwerkzaamheden. [A] heeft bovendien niet kunnen uitleggen waarom boven de door hem aangewezen brandhaard nog verkoold isolatiemateriaal aanwezig is, terwijl daar volgens hem de brand het hevigst was en al het isolatiemateriaal vernietigd had moeten zijn. Op de locatie van de buitenunit is het isolatiemateriaal daarentegen wél volledig vernietigd, aldus [gedaagde] .
2.10. Volgens de literatuur treedt volgens [gedaagde] een V-vormige rookpluim en roetafzetting op in ruimtes met een plafond, doordat de rook daar niet verder kan opstijgen en zich langs het plafond in een V-vorm verspreidt. Uit het rapport van [A] van 16 oktober 2025 blijkt echter niet dat ook vlammen een dergelijke V-vorm aannemen, zodat [A] dit vermoedelijk verkeerd toepast, aldus [gedaagde] . In een ruimte zonder plafond, zoals in dit geval, is het ontstaan van een V-vormige verspreiding van rook, roet of vlammen bovendien volgens [gedaagde] niet mogelijk. Voorts is niet onderbouwd dat wind invloed heeft gehad op het brandpatroon bij een brand die zou zijn ontstaan door kortsluiting in de buitenunit. De door [A] gestelde windkracht 4 uit noordoostelijke richting wordt door [gedaagde] betwist, omdat dit niet te verifiëren is via de KNMI-gegevens. Bovendien heeft [A] , zelfs als deze windgegevens juist zouden zijn, niet onderzocht of omliggende bebouwing en/of bomen de wind ter plaatse konden beïnvloeden en in hoeverre de wind daadwerkelijk effect kon hebben op de brand, aldus [gedaagde] .
De camerabeelden en kijkrichtingen
2.11. Volgens [gedaagde] zou de brand zijn ontstaan als gevolg van kortsluiting in de buitenunit van de warmtepomp. [A] heeft in dat kader gewezen op meerdere contra-indicaties die maken dat deze brandoorzaak in zijn visie niet aannemelijk is. Zo wijst hij op het feit dat de stroom is uitgevallen na vergevorderde ontwikkeling van de brand en op het feit dat op de camerabeelden die door een buurjongen gemaakt zijn te horen is dat het onder druk staande koelmedium van de warmtepompinstallatie ontsnapt. Dit zou gebeurd zijn nadat de koperen leiding door de hitte is opengebarsten, hetgeen eveneens te horen is als een knal.[4]
2.12. De camerabeelden zijn gemaakt om 12:46 uur, toen de brand zich al in een vergevorderd stadium bevond, hetgeen ook door [A] is vastgesteld in zijn rapporten van 21 juli 2023 en 26 juni 2025.[5] Volgens [A] kan op basis van de kijkrichtingen van de camerabeelden slechts het gebied worden bepaald waar op dat moment vlammen zichtbaar waren. De camerabeelden en de hevigheid van de inmiddels uitslaande brand zijn volgens [A] niet geschikt om het ontstaansgebied van de brand te duiden en vormen daarom geen aanwijzing voor een andere brandoorzaak.
2.13. [gedaagde] denkt hier anders over. Indien de brand links van de lichtkoepel is ontstaan en zich gelijkmatig zijwaarts heeft uitgebreid, en bovendien in het ontstaansgebied langer heeft gewoed dan in het uitbreidingsgebied, zoals [A] stelt, is volgens [gedaagde] niet te verklaren waarom op de camerabeelden uitsluitend vlammen zichtbaar zijn achter en rechts van de lichtkoepel bij de buitenunit. In het veronderstelde ontstaansgebied links van de lichtkoepel zijn geen vlammen te zien. Dat is in de visie van [gedaagde] onlogisch en wordt door [A] niet toegelicht, terwijl volgens [gedaagde] juist verwacht mag worden dat de brand daar als eerste zichtbaar zou zijn geweest.
De verplaatste buitenunit van de warmtepomp
2.14. [gedaagde] voert aan dat de buitenunit van de warmtepomp van zijn onderstel is 'geblazen' en daardoor een stuk verderop terecht is gekomen (en misschien links naast de lichtkoepel een tweede brandhaard heeft doen ontstaan). In het rapport van 21 juli 2023 noemt [A] deze verplaatsing niet, aldus [gedaagde] . Ook blijkt volgens [gedaagde] niet dat [A] direct na de brand – voordat opruimwerkzaamheden plaatsvonden – ter plekke is geweest, of dat hij kennis heeft genomen van foto's van direct na de brand.
2.15. [A] stelt dat hij op 24 april 2023 samen met de heer [C] ter plaatse is geweest, voordat de opruimwerkzaamheden plaats zouden vinden. Zij zijn volgens het rapport ook een dag later, op 25 april 2023 aanwezig geweest, nadat de brandresten waren opgeruimd. Bovendien meldt [A] dat hij heeft kennisgenomen van de foto's die direct na de brand zijn genomen, waaronder de foto's van een expert van DEKRA Experts.
2.16. Volgens [A] is het loskomen van de buitenunit van zijn onderstel verklaarbaar, maar vormt dit geen bewijs dat (kortsluiting in) deze unit de brandoorzaak was. De unit is in zijn visie pas betrokken geraakt bij de brand nadat deze elders was ontstaan. Dat heeft volgens hem geleid tot een hoorbare ontploffing en drukverplaatsing van het vrijkomende koelmedium, zoals op de camerabeelden te horen zou zijn. Dat de buitenunit op foto's is verplaatst, bewijst volgens [A] evenmin dat deze van het onderstel is geblazen, aangezien dit ook het gevolg kan zijn van bluswerkzaamheden die de brandweer uitvoerde.
2.17. Het voorgaande wordt betwist door [gedaagde] . De stelling dat [A] vóór de opruimwerkzaamheden ter plaatse is geweest, is volgens [gedaagde] niet geloofwaardig, omdat hij toen geen foto's heeft gemaakt. Van een deskundige mag worden verwacht dat hij de situatie zo snel mogelijk documenteert, maar dergelijke foto's ontbreken, aldus [gedaagde] . Ook de bewering dat de buitenunit tijdens de bluswerkzaamheden is verplaatst, is volgens [gedaagde] niet aannemelijk, aangezien onduidelijk is waarom de brandweer een zware buitenunit enkele meters zou hebben verplaatst.
De mogelijkheid van kortsluiting of onvolledige sluiting
2.18. Tijdens de zitting is besproken dat de dakdekkers stroom hebben afgetapt in de slaapkamer, maar het is onbekend hoe en waar dit is gebeurd en waarvoor de stroom werd gebruikt (bijvoorbeeld voor (het opladen van) klein accugereedschap of zwaardere machines). Evenmin is bekend of de aardlekschakelaar goed functioneerde en of deze omstandigheden mogelijk verband houden met een brand in de buitenunit van de warmtepomp. [A] heeft deze aspecten niet meegenomen in zijn analyse.
2.19. [A] acht het niet aannemelijk dat kortsluiting in de buitenunit de brandoorzaak is geweest. Dit baseert hij op het brandpatroon, het feit dat de stroom pas is uitgevallen nadat de brand zich vergevorderd had ontwikkeld, en de camerabeelden waarop te zien is dat de brand al uitslaat en een ontploffing en drukverplaatsing hoorbaar zijn. Dit laatste beschouwt [A] als onweerlegbaar bewijs dat de brand niet in de unit is ontstaan.[6]
2.20. Kortsluiting als brandoorzaak kan volgens [A] hoe dan ook uitsluitend in de invloedsfeer van de dakdekkers liggen, aangezien zij stroom hebben afgenomen van de elektrische installatie van de woning om via één of meer verlengkabels elektrische apparaten aan te sluiten, en er in dat gebied, afgezien van de buitenunit, geen andere elektrische componenten of infrastructuur aanwezig waren.
2.21. Echter, volgens [gedaagde] onderbouwt [A] niet waarom het openbarsten van de leiding en het ontsnappen van het koelmedium in een veel eerder stadium hoorbaar zouden zijn geweest als de brand in de buitenunit was ontstaan. Hij heeft hier geen onderzoek of testen naar verricht. Daarnaast heeft [A] niet onderzocht of de buitenunit aan de binnenzijde meer brandschade vertoont dan aan de buitenzijde, terwijl dit juist aanwijzingen kan geven voor de vraag of de brand in de buitenunit is ontstaan. Verder houdt [A] volgens [gedaagde] geen rekening met het verschil tussen kortsluiting en een onvolledige sluiting. Bij kortsluiting ontstaat volgens [gedaagde] direct een zeer grote stroom, waardoor de overstroombeveiliging ingrijpt en de stroom onmiddellijk wordt onderbroken. Bij een onvolledige sluiting hoeft de stroom volgens [gedaagde] niet direct groot te zijn, maar kan deze wel langdurig voldoende warmte ontwikkelen om brandbaar omgevingsmateriaal te doen ontbranden, zonder dat zekeringen aanspreken.[7] Dat de stroom pas in een laat stadium uitviel, past daarom juist bij een onvolledige sluiting in de buitenunit, aldus [gedaagde] .
2.22. [gedaagde] zet vraagtekens bij het feit dat [A] in zijn eerste rapport geen melding maakte van de door de brand aangetaste buitenunit, die duidelijk zichtbaar was op de foto's van [gedaagde] en op nog geen meter afstand lag van het door [A] gestelde ontstaansgebied van de brand. De buitenunit was een relevant object dat volgens [gedaagde] ten onrechte door [A] is genegeerd.
Het branden binnen 75 cm van de kim (de aansluiting van het dak en de opgaande dakrand).
2.23. In de dagvaarding stelt VvAA, onder verwijzing naar het rapport van [A] van 21 juli 2023, dat de dakdekkers in strijd met NEN 6050 hebben gehandeld door met open vuur te werken op een plaats waar dat niet was toegestaan (ten opzichte van zowel de gevelkim als de lichtkoepel), het dakvlak te vroeg onbeheerd achter te laten en geen brandblusmiddelen op de dakvlakken aanwezig te hebben. [gedaagde] betwist dat binnen 750 mm van de kim is gebrand, maar [A] stelt in zijn rapport dat zowel binnen 330 mm van de lichtkoepel als binnen 750 mm vanaf de kim is (en moet zijn) gebrand. [A] acht de stelling van [gedaagde] dat het bitumen slechts op de zichtbare naad is gebrand en binnen 75 cm van de kim onder de loodslab is gevouwen en met grind is gefixeerd, ongeloofwaardig.
2.24. De dakdekkers hebben volgens [A] het bitumen in horizontale banen over de bestaande laag aangebracht; ook tot aan/onder de loodslab.[8] Uit figuren 10 en 11 van het rapport van 26 juni 2025 blijkt dat de nieuwe laag bitumen, anders dan [gedaagde] stelt, niet onder de dakopstand is gevouwen. Volgens [A] is voor de brand binnen het 75-cmgebied een randstrook aangebracht, die alleen met de brandermethode bevestigd kon worden.[9] Dus is, anders dan [gedaagde] stelt, binnen 75 cm van de kim gebrand. Ook rond de lichtkoepel, nabij het ontstaansgebied, is gebrand, aldus [A] .
2.25. Volgens [gedaagde] klopt de stelling van VvAA, dat uit figuren 10 en 11 van het rapport van 26 juni 2025 blijkt dat de nieuwe laag bitumen niet onder de dakopstand is gevouwen, niet. Die foto's waren namelijk genomen op 19 april 2023, op welke datum de werkzaamheden dus nog niet waren afgerond. Ter zitting heeft de advocaat van [gedaagde] uitgelegd dat minimaal een afstand van 75 cm van de kim is aangehouden.
2.26. Volgens [gedaagde] heeft hij bovendien niet gesteld dat er met spijkers of lijm is gewerkt; hij wilde alleen aangeven welke technieken mogelijk zijn en dat [A] niet zomaar kan uitsluiten dat spijkers of lijm zijn gebruikt.[10] [gedaagde] gaf wel aan dat het bitumen onder de loodslabben is geschoven. [A] noemt dit ongeloofwaardig vanwege mogelijke beweging van het bitumen, maar dit is volgens [gedaagde] onjuist en bovendien kan [A] dit niet beoordelen omdat hij geen deskundige is op het gebied van dakdekken.
De oorzaak kan nog niet worden vastgesteld
2.27. De rechtbank heeft onder rov. 2.5 t/m 2.26 de standpunten van partijen inclusief de bevindingen van [A] zakelijk weergegeven. De rechtbank overweegt dat VvAA haar standpunt over de oorzaak van de brand wel heeft onderbouwd, door zich te beroepen op de verschillende rapportages van [A] , maar dat er van de kant van [gedaagde] op enkele punten kritiek is op die rapportages. Dat roept nog vragen op over de rapportages en die bieden daardoor naar het oordeel van de rechtbank vooralsnog onvoldoende duidelijkheid over de oorzaak van de brand.
2.28. De rechtbank acht een onafhankelijk deskundigenonderzoek naar de oorzaak van de brand (vooralsnog) niet nodig, maar zal een mondelinge behandeling bevelen om partijen gelegenheid te bieden hun standpunt over de oorzaak van de brand nader toe te lichten, en om in dat verband de door VvAA geraadpleegde deskundige [A] te horen over zijn rapporten en analyses. De rechtbank verneemt daarbij met name graag een reactie van [A] op de kritiekpunten van [gedaagde] . [gedaagde] zal vanzelfsprekend ook vragen mogen stellen, en mag desgewenst ook zelf een deskundige meenemen. Indien [gedaagde] van die mogelijkheid gebruik wil maken, dient hij zo spoedig mogelijk doch uiterlijk vijf werkdagen voor de zitting de naam en functie/deskundigheid van de door hem mee te nemen deskundige aan de rechtbank en de wederpartij mee te delen.
2.29. Iedere verdere beslissing – waaronder een beslissing over de omvang van de schade, over de buitengerechtelijke kosten en over de proceskosten – wordt aangehouden.
3 De beslissing
De rechtbank
3.1. beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het horen van de heer [A] en een eventueel door [gedaagde] mee te brengen deskundige,
3.2. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 18 februari 2026 voor het nemen van een akte voor het opgeven van verhinderdagen van alle partijen, hun advocaten, de heer [A] en een eventueel door [gedaagde] mee te brengen deskundige, in de maanden mei 2026 tot en met augustus 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zal worden bepaald,
3.3. bepaalt verder dat:
3.4. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.S. Frakes en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.
Zie pag. 6 rapport [A] d.d. 26 juni 2025, prod. 17 akte VvAA.
Zie pag. 4 rapport [A] d.d. 26 juni 2025, prod. 17 akte VvAA.
Zie pag. 4 rapport [A] d.d. 16 oktober 2025, prod. 19 akte VvAA.
Zie pag. 5 rapport [A] d.d. 26 juni 2025, prod. 17 akte VvAA.
Zie pag. 8 rapport [A] d.d. 21 juli 2023, prod. 6 dagvaarding; pag. 5 rapport [A] d.d. 26 juni 2025, prod. 17 akte VvAA.
Zie pag. 8 rapport [A] d.d. 26 juni 2025, prod. 17 akte VvAA.
Zie prod. 5 antwoordakte [gedaagde] d.d. 19 november 2025.
Zie figuur 8 rapport [A] d.d. 26 juni 2025, prod. 17 akte VvAA.
Zie figuren 9 en 13 rapport [A] d.d. 26 juni 2025, prod. 17 akte VvAA.
Zie pleitnota zijdens [gedaagde] , randnr. 3.9 e.v. - - - ## Voetnoten