Terug naar bibliotheek
Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:1101 - Rechtbank Oost-Brabant - 20 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBOBR:2026:1101•20 februari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK OOST-BRABANT
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 25/3433
[eiser], uit [woonplaats], eiser
en
**het college van bestuur van het Koning Willem I College,**hierna het college, te [vestigingsplaats].
Inleiding
- In deze uitspraak beslist de rechtbank over het beroep van eiser tegen de door het college aan hem verzonden brief van 2 december 2025.
1.1. Omdat de rechtbank kennelijk onbevoegd is om van het beroep kennis te nemen, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
- Eiser heeft op 28 november 2025 aan het college een verzoek gedaan op grond van de Wet open overheid (Woo). Hij verzoekt daarbij om uiteenlopende stukken variërend van het actuele overzicht of register van geaccordeerde externe examenlocaties en leerbedrijven die bevoegd zijn om (delen van) het onderwijs en de examinering te verzorgen, tot interne memo's waarin de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitbesteding van onderwijstaken financieel wordt onderbouwd. Het college heeft daarop gereageerd dat het geen bestuursorgaan is en dat de Woo niet op hem van toepassing is. Het college is in reactie op het bezwaar van eiser bij dat standpunt gebleven.
- Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat het college voor het uitreiken van diploma's met civiel effect op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) wel degelijk een bestuursorgaan is in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb en dat daarom de Woo van toepassing is op documenten die daaronder vallen.
- De rechtbank stelt vast dat het Koning Willem I college een rechtspersoon is die krachtens privaatrecht is ingesteld. Op grond van artikel 1.1.1., aanhef en onder b van de WEB is het daarom een bijzondere instelling. Het bevoegd gezag van het Koning Willem I college is dus geen bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid onder a, van de Awb. Onder een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb wordt verstaan een ander persoon of college dan bedoeld onder a, dat met enig openbaar gezag is bekleed. Daarvoor is bepalend of aan dat orgaan een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten is toegekend. Openbaar gezag kan in beginsel alleen maar bij wettelijk voorschrift worden toegekend. Als een daartoe strekkend wettelijk voorschrift ontbreekt, dan is een privaatrechtelijke rechtspersoon in beginsel geen bestuursorgaan.
[1] Eiser stelt dat onderwijsinstellingen die op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs diploma's met civiel effect uitreiken, voor die specifieke taak zijn bekleed met openbaar gezag.
- De rechtbank stelt voorop dat dus eerst de vraag moet worden beantwoord of aan het instellingbestuur een publiekrechtelijke bevoegdheid tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten is toegekend. In de WEB is geregeld dat het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling de (gehele) examinering van een beroepsopleiding kan worden overgedragen aan een andere onderwijsinstelling of een exameninstelling
[2] . Het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling of een exameninstelling stelt, al dan niet in samenwerking met een of meer bevoegde gezagsorganen van andere instellingen, ten behoeve van de examinering een examencommissie in voor elke door de instelling verzorgde opleiding of voor groepen van opleidingen.[3] Door de wetgever is vervolgens aan de examencommissie een aantal bevoegdheden toegekend waaronder het objectieve en deskundige wijze vaststellen of een student voldoet aan de voorwaarde voor het verkrijgen van een diploma, een certificaat of een verklaring als bedoeld in artikel 7.4.6a alsmede het uitreiken of afgeven daarvan.[4] Het is ook de examencommissie die het diploma uitreikt.[5] Aan het bevoegd gezag van de (private) onderwijsinstelling zijn dus geen bevoegdheden toegekend tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van de student. Dergelijke bevoegdheden zijn door de wetgever niet aan het college van bestuur maar aan de examencommissie toebedeeld die in die hoedanigheid handelt als een b-orgaan. De rechtbank merkt hierbij ter informatie op dat de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2006, voor zover eiser die bedoelt, ziet op de hier niet van toepassing zijnde Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.[6] In die wet is, anders dan in de WEB, aan het instellingsbestuur expliciet de eenzijdige bevoegdheid toegekend op grond waarvan hij als een b-orgaan kan worden aangemerkt en aan de examencommissie slechts de feitelijke uitgifte van het diploma voorbehouden.
- Het college van bestuur, tot wie verzoeker zijn verzoek heeft gericht, is derhalve geen bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Evenmin is het college in de Woo gelijkgesteld met een bestuursorgaan. Dit betekent dat de reactie van het college op eisers Woo-verzoek en diens bezwaar geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Dit betekent dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van eisers beroepschrift.
- Omdat de rechtbank onbevoegd is, betaalt de griffier het betaalde griffierecht terug.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart zich onbevoegd om van het beroep kennis te nemen; - gelast de griffier het betaalde griffierecht aan eiser terug te betalen.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M.L. Wijnen, rechter, in aanwezigheid van R.G.B.M. Spapens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
ECLI:NL:RVS:2025:548
Artikel 7.4.4a van de WEB
Artikel 7.4.5, eerste lid, van de WEB.
Artikel 7.4.5a van de WEB
Artikel 7.4.6 van de WEB
ECLI:NL:RVS:2006:AY4273 - - - ## Voetnoten