Terug naar bibliotheek
Rechtbank Oost-Brabant

ECLI:NL:RBOBR:2025:8864 - Rechtbank Oost-Brabant - 24 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBOBR:2025:886424 december 2025

Uitspraak inhoud

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: 01.117710. [verdachte 1]
Locatie 's-Hertogenbosch
Strafrecht
Parketnummer: 01.117710.23
Datum uitspraak: 24 december 2025
Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte 2]
geboren te [geboorteplaats] op [1973] ,
wonende te [adres 1] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 december 2025.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 januari 2024.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan:
Voluit is aan verdachte ten laste gelegd dat:
Ten aanzien van feit 1:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 30 april 2023 tot en met 8 mei 2023 te Rotterdam en/of Land van Cuijk, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
    • het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of het opzettelijk vervaardigen van MDMA en/of cocaïne en/of metamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,*
    • een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,*
    • zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,*
    • voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,*
    • een loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 2] gehuurd en/of laten huren en/of ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen en/of*
    • aanpassingen/verbouwingen aan de loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 2] aangebracht en/of laten aanbrengen ten behoeve van de opslag van de benodigde chemicaliën en/of grondstoffen en/of de inrichting van de productieruimte(n) en/of*
    • in het kader van voornoemde activiteit(en) met elkaar contact gelegd/onderhouden en/of (een) afspra(a)k(en) gemaakt en/of*
    • in de loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 2] (een) productieopstelling(en) ten behoeve van de productie van BMK en/of PMK en/of metamfetamine en/of MDMA voorhanden gehad en/of*
    • in de loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 2] (een) hoeveelhe(i)d(en) (laboratorium)benodigdheden voorhanden gehad, waaronder: een of meerdere klemdekselvat(en) en/of IBC's en/of maatbeker(s) en/of en/of trechter(s) en/of destilleerbui(s)(zen) en/of verwarmingspla(a)t(en) en/of brander(s) en/of thermometer(s) en/of maatcilinder(s) en/of koolstoffilter(s) en/of pannen en/of*
    • in de loods/bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 2] een hoeveelheid/hoeveelheden chemicaliën/grondstoffen/middelen voorhanden gehad, waaronder: BMK en/of PMK en/of aceton en/of dimethylsulfon en/of*
    • in een auto voorzien van [kenteken] ongeveer 675 kilogram BMK-glycidezuur vervoerd.*
Ten aanzien van feit 2:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 30 april 2023 tot en met 8 mei 2023 te Rotterdam, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of vervaardigd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, metamfetamine en/of cocaïne, zijnde MDMA, metamfetamine en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft op gronden als vervat in het op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft verzocht verdachte vrij te spraken van de ten laste gelegde feiten wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.
Het oordeel van de rechtbank.
De bewijsmiddelen.
Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage bij dit vonnis en moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd.
Bewijsoverweging.
Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat in een inpandige ruimte (hierna: de koelcel) op de begane grond aan [adres 2] op 8 mei 2023 de resten van een drugslaboratorium zijn aangetroffen. Het Landelijk Faciliteit Ontmantelen-team (hierna: het LFO-team) heeft onderzoek gedaan in het pand en daar (in de koelcel, op de begane grond en op de bovenverdieping) goederen en chemicaliën aangetroffen die gebruikt kunnen worden bij de vervaardiging van synthetische drugs en/of het bewerken daarvan.
Ook stelt de rechtbank – aan de hand van de camerabeelden en de verklaring van verdachte – vast dat verdachte in de twee weken voorafgaand aan de ontdekking van dat drugslaboratorium meerdere malen in dat pand aanwezig is geweest. Zo is verdachte ook aanwezig als er op 6 mei 2023 een brand uitbreekt in het drugslaboratorium. Op de camerabeelden van 6 mei 2023 rond 18.45 uur, is te zien dat [medeverdachte] met een brandblusser het pand inliep. Een paar minuten later kwamen er meerdere mannen, waaronder verdachte en [medeverdachte] , het pand uit. Verdachte leek op dat moment pijn aan zijn onderbenen te hebben. Een dag later, tijdens zijn aanhouding, bleek verdachte brandwonden aan zijn benen te hebben. Verdachte heeft ook verklaard dat hij een brand heeft geblust in de koelcel. Het LFO-team heeft verschillende aanwijzingen gevonden dat daar een brand heeft plaatsgevonden en volgens het LFO-team is die brand mogelijk ontstaan tijdens het kristalliseren en het afvoeren van de acetondampen.
Verdachte heeft verklaard dat hij voor de brand niet wist dat in het pand een drugslaboratorium aanwezig was. Hij zou slechts meerdere malen in pand aanwezig zijn geweest om het businessplan van de uitvaartonderneming van [medeverdachte] te bekijken en te helpen bij het leegruimen van het pand.
De rechtbank overweegt over de wetenschap van het drugslaboratorium bij verdachte het volgende. Uit de camerabeelden blijkt dat verdachte tussen 2 mei 2023 en 6 mei 2023 verschillende keren het pand heeft betreden. Ook heeft verdachte het pand op 2 mei 2023 zelf afgesloten met een sleutel. Daarnaast heeft verdachte verklaard dat hij pannen heeft gekocht en op de camerabeelden is te zien dat hij met een aantal pannen naar binnen loopt. Het LFO-team heeft bij de doorzoeking ook verschillende pannen aangetroffen in het drugslaboratorium.
Daarnaast zijn tijdens de aanhouding bij zowel verdachte als [medeverdachte] gelijksoortige roze smartphones in beslag genomen. Deze telefoons zijn op 30 april 2023 geactiveerd en werden gebruikt voor contact via de applicatie voor versleutelde berichten 'Signal'. Bij het uitlezen van de telefoon van verdachte zijn gesprekken aangetroffen waarin wordt gesproken over aceton en over geld ophalen in en kilo's brengen naar Amsterdam. Volgens het NFI kan aceton worden gebruikt bij de vervaardiging en bewerking van diverse drugs. In het pand zijn ook honderden liters vervuilde aceton aangetroffen. Over de roze smartphone heeft verdachte verklaard dat zijn eigen telefoon kapot was en dat hij deze telefoon daarom op vrijdag en zaterdag (de rechtbank begrijpt op 5 en 6 mei 2023) heeft meegenomen. Hij wist naar eigen zeggen niet waar de berichtjes over gingen. De rechtbank stelt echter vast dat de berichten met betrekking tot de aceton, het geld en de kilo's gestuurd zijn aan degene die zichzelf in Signal [naam] ' noemt. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij de naam [naam] ' gebruikte. Bovendien is een deel van de berichten gestuurd op vrijdag 5 mei 2023, dus op een dag waarop verdachte de telefoon naar eigen zeggen in gebruik had. De rechtbank acht de verklaring van verdachte ten aanzien van de telefoon daarom ongeloofwaardig.
Naast het drugslaboratorium op de begane grond zijn ook op de eerste verdieping goederen aangetroffen die gebruikt worden bij de productie van synthetische drugs, zoals een blender, een slakkenhuis en grote hoeveelheden lege jerrycans en klemdekselvaten. Ook zijn er twee weckpotten met in totaal 580 gram cocaïne in oplossing aangetroffen. Verdachte heeft over de aangetroffen goederen verklaard dat hij deze, op het slakkenhuis na, nooit heeft gezien. Hij zou de weckpotten wel hebben gekocht, maar hij wist niets van de cocaïne af. De rechtbank overweegt in dit kader dat verdachte heeft verklaard dat hij verschillende keren op de bovenverdieping van het pand is geweest en dat hij daar ook op de bank heeft geslapen. Gezien de beschrijving van de bovenverdieping door het LFO-team kan het niet anders dan dat verdachte de eerdergenoemde druggerelateerde goederen heeft gezien. Ook valt niet in te zien waarom verdachte, die daar naar eigen zeggen enkel aanwezig was om het businessplan te bekijken en om te helpen bij het leegruimen van het pand, weckpotten zou kopen waar vervolgens cocaïne in werd aangetroffen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte in dat licht dan ook niet geloofwaardig
Verder is DNA van verdachte aangetroffen aan de binnenzijde van vier verschillende latex handschoenen die gevonden zijn in een afvalbak op de begane grond van het pand. Op de buitenzijde van de handschoenen is MDMA, metamfetamine, PMK en cocaïne aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij al deze handschoenen pas na de brand heeft aangetrokken, maar dat acht de rechtbank - gezien het feit dat er ook drugs op die handschoenen is aangetroffen - volstrekt onlogisch.
Daarnaast wordt verdachte op 7 mei 2023, een dag na de brand, samen met [medeverdachte] in Land van Cuijck aangehouden terwijl zij 675 kilogram BMK-glycidezuur vervoerden in een lijkwagen. Volgens het LFO-team kan van BMK-glycidezuur BMK-olie worden gemaakt. Deze BMK-olie kan vervolgens weer worden omgezet in amfetamineolie dan wel amfetaminepasta. Met de aangetroffen 675 kilogram BMK-glycidezuur kan in totaal tussen de 340 en 450 kilogram aan onversneden amfetaminepasta worden geproduceerd. Verdachte heeft verklaard dat hij de goederen wel had ingeladen, maar dat hij niet wist wat de inhoud van de dozen was. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op het gegeven dat verdachte bij de controle van het voertuig heeft verklaard op de vraag wat er achterin het voertuig stond: "laat ik dat maar niet zeggen", kan het niet anders dan dat verdachte wist dat hij stoffen vervoerde die bedoeld waren voor de (voorbereiding ten behoeve van) de handel in en het vervaardigen van amfetamine of een ander middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Conclusie.
Gelet op het feit dat verdachte aanwezig was bij de brand die hoogstwaarschijnlijk is ontstaan rondom een stap in het productieproces in het drugslaboratorium en gelet op de
uitgelezen berichten, de camerabeelden, het aangetroffen DNA en de verklaringen van verdachte, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte niet alleen de wetenschap van het drugslaboratorium had, maar dat hij ook actief betrokken is geweest bij dat drugslaboratorium.
De rechtbank concludeert dus tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten. De rechtbank gaat bij de bewezenverklaring van feit 1 uit van de periode van 30 april 2023 tot en met 8 mei 2023. Dat is de periode vanaf het activeren van de gelijksoortige smartphones tot het aantreffen van het drugslaboratorium.
De verdediging heeft gesteld dat niet duidelijk is wat de rol van verdachte met betrekking tot (de voorbereidingshandelingen voor) de handel in en de productie van de synthetische drugs precies was. De rechtbank merkt hierover op dat er geen leidinggevende rol aan verdachte wordt toegedicht. Verdachte had bovendien zelf meer duidelijkheid over zijn rol kunnen verschaffen, maar dit heeft hij zowel bij de politie als ter terechtzitting niet gedaan. De verdediging heeft er ook op gewezen dat er slechts selectief onderzoek is gedaan en dat het procesdossier niet alle onderzoeksresultaten bevat. Dit neemt echter niet weg dat het dossier voldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een veroordeling van verdachte voor de onderhavige ten laste gelegde feiten te komen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de in de bewijsbijlage uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
in de periode 30 april 2023 tot en met 8 mei 2023 te Rotterdam en Land van Cuijk, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen,
te weten
    • het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, afleveren, verstrekken en vervoeren en het opzettelijk vervaardigen van MDMA en cocaïne en metamfetamine, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,*
    • een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en inlichtingen te verschaffen,*
    • zich en een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,*
    • voorwerpen, vervoermiddelen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,*
hebbende hij, verdachte, en een of meer van zijn mededaders
    • een bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 2] gehuurd en/of ter beschikking gesteld en/of ter beschikking laten stellen en*
    • aanpassingen/verbouwingen aan de bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 2] aangebracht en/of laten aanbrengen ten behoeve van de opslag van de benodigde chemicaliën en/of grondstoffen en/of de inrichting van de productieruimte en*
    • in het kader van voornoemde activiteit(en) met elkaar contact gelegd/onderhouden en afspraken gemaakt en*
    • in de bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 2] een productieopstelling ten behoeve van de productie van BMK en/of PMK en/of metamfetamine en/of MDMA voorhanden gehad en*
    • in de bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 2] een hoeveelheid (laboratorium)benodigdheden voorhanden gehad, waaronder: klemdekselvaten en IBC's en maatbekers en een trechter en destilleerbuis en verwarmingsplaten en branders en thermometers en koolstoffilters en pannen en*
    • in de bedrijfsruimte, gelegen aan [adres 2] , een hoeveelheid/hoeveelheden chemicaliën/grondstoffen/middelen voorhanden gehad, waaronder: BMK en/of PMK en/of aceton en/of dimethylsulfon en/of*
    • in een auto voorzien van kenteken [kenteken] ongeveer 675 kilogram BMK-glycidezuur vervoerd;*
Ten aanzien van feit 2:
op 8 mei 2023 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, , telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, metamfetamine en cocaïne, zijnde MDMA, metamfetamine en cocaïne middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I..
De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.
De officier van justitie heeft gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.
Het standpunt van de verdediging.
De raadsman van verdachte heeft erop gewezen dat verdachte een first offender en een meewerkende verdachte is en dat de redelijke termijn in deze zaak overschreden is. Dit is deels aan verdachte zelf te wijten, omdat de inhoudelijke behandeling van zijn zaak moest worden aangehouden in verband met ziekte. Het heeft volgens de raadsman echter onredelijk lang geduurd voordat de zaak weer op zitting werd gepland. Verder is verdachte in de periode na de ten laste gelegde feiten niet in aanraking gekomen met justitie en houdt hij zich aan de schorsingsvoorwaarden. Daarnaast is verdachte zelf getroffen door de gevolgen van de ten laste gelegde feiten in de vorm van ontslag bij zijn laatste baan. Het verkrijgen van een verklaring omtrent het gedrag (VOG) is de komende jaren ook onhaalbaar. Concluderend heeft de raadsman verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest in combinatie met een voorwaardelijke straf aan verdachte op te leggen.
Het oordeel van de rechtbank.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De ernst van de feiten.
Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan strafbare voorbereidingshandelingen, gericht op de productie van en de handel in synthetische drugs. Ook heeft verdachte samen met anderen MDMA, cocaïne en metamfetamine in voorraad gehad.
Het motief voor de strafbaarstelling van handelingen met verdovende middelen is onder meer gelegen in het maatschappelijk belang van bescherming van de volksgezondheid. Het is algemeen bekend dat het gebruik harddrugs schadelijke gevolgen kan hebben voor de volksgezondheid en tot ernstige verslavingsproblematiek kan leiden met alle gevolgen van dien, iets wat verdachte ook zelf heeft ervaren. De drugshandel en het gebruik van drugs gaan bovendien veelal gepaard met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit. Hiervan ondervinden anderen overlast en hierdoor wordt de samenleving schade berokkend. Verdachte heeft hier geen oog voor gehad en is kennelijk puur gericht geweest op financieel voordeel voor zichzelf. Bovendien brengt de productie van synthetische drugs en de opslag van chemicaliën die nodig zijn voor de productie van synthetische drugs grote gevaren met zich mee, waaronder brandgevaar. Dit gevaar heeft zich in dit geval ook verwezenlijkt. Daarnaast heeft verdachte, anders dan door de verdediging is aangevoerd, weinig verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedrag en zijn rol porberen te minimaliseren. De rechtbank rekent hem echter zwaar aan dat hij met zijn gedragingen heeft bijgedragen aan de georganiseerde drugscriminaliteit.
De persoon van verdachte.
Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie met betrekking tot verdachte van 3 november 2025, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Sinds het tijdstip waarop de door verdachte gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgevonden, is ruim tweeëneenhalf jaar verstreken. Verdachte heeft, voor zover nu bekend, geen nieuwe strafbare feiten gepleegd. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsrapport over verdachte van 7 november 2025. Daarin heeft de reclassering geadviseerd bij veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Ook blijkt uit de rapportage dat de kans op recidive als laag wordt ingeschat.
De redelijke termijn.
De rechtbank constateert dat de redelijke termijn met ruim zeven maanden is overschreden. De rechtbank wijst erop dat deze overschrijding deels voortkomt uit de eerdere aanhouding van de inhoudelijke behandeling in verband met ziekte van verdachte. Bij de strafbepaling houdt de rechtbank er echter rekening mee dat het lang heeft geduurd voordat de zaak weer op zitting is voortgezet, namelijk circa één jaar en tien maanden.
De op te leggen straf.
Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Voor het aanwezig hebben van 580 gram cocaïne alleen al geldt als standaarduitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden. Voor het produceren van en handelen in grote hoeveelheden harddrugs kennen de oriëntatiepunten daarnaast onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van tientallen maanden. Voor de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen kent de rechtspraak geen specifieke oriëntatiepunten. De rechtbank heeft voor wat betreft dit feit daarom aansluiting gezocht bij straffen die andere rechtbanken of gerechtshoven in min of meer vergelijkbare zaken hebben opgelegd.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Gezien de relatief korte pleegperiode en de overschrijding van de redelijke termijn, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden. De rechtbank legt daarmee een lichtere straf op dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat zij van oordeel is dat de opgelegde straf de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.
De voorlopige hechtenis.
Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat de voorwaarden die zijn verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis blijven gelden. De rechtbank laat de schorsing van de voorlopige hechtenis namelijk voortduren.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikel 2, 10 en 10a van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:
Ten aanzien van feit 1:
medeplegen van een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de
Opiumwet voorbereiden en bevorderen, meermalen gepleegd
Ten aanzien van feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf:
Ten aanzien van feit 1 en feit 2:
Een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. R. Grimbergen, voorzitter,
mr. J.G. Vos en mr. S. Zuithoff, leden,
in tegenwoordigheid van mr. N. Slingerland, griffier,
en is uitgesproken op 24 december 2025.