Terug naar bibliotheek
Rechtbank Noord-Nederland

ECLI:NL:RBNNE:2025:5658 - Rechtbank Noord-Nederland - 23 december 2025

Uitspraak

ECLI:NL:RBNNE:2025:565823 december 2025

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Leeuwarden
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 24/4666, LEE 24/4667, LEE 24/4668 en LEE 24/4669
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
(gemachtigden: H. Nieuwendijk en D.H. Ooiberg).
  1. Deze uitspraak gaat over de definitieve vaststelling van de huurtoeslag van eiser over de toeslagjaren 2020 tot en met 2023 en de daarmee verband houdende terugvordering. Dienst Toeslagen heeft daarover vier afzonderlijke besluiten genomen. Volgens Dienst Toeslagen was het vermogen van eiser over die jaren te hoog om recht te hebben op huurtoeslag. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of Dienst Toeslagen de huurtoeslag van eiser over de jaren 2020 tot en met 2023 op goede gronden heeft vastgesteld.

Procesverloop

Huurtoeslag 2020
  1. Bij beschikking van 27 december 2019 is aan eiser een voorschot huurtoeslag voor het jaar 2020 van € 2.688 verleend. Er is uitgegaan van een geschat toetsingsinkomen van € 21.205.
2.1. Bij beschikking van 3 september 2021 is het recht op huurtoeslag voor het jaar 2020 vastgesteld op € 2.873. Er is uitgegaan van het vastgestelde belastbaar jaarloon van € 20.960.
2.2. Op 12 juni 2024 ontvangt de Dienst Toeslagen een melding vanuit de Basisregistratie Inkomen (BRI) waaruit blijkt dat de grondslag sparen en beleggen van eiser € 2.610 bedraagt.
2.3. Bij beschikking van 19 juli 2024 (primair besluit I) herziet de Dienst Toeslagen de definitieve berekening huurtoeslag naar nihil. Door de herziening ontstaat een terugvordering van € 3.223 inclusief € 350 rente.
Huurtoeslag 2021
  1. Bij beschikking van 28 december 2020 is aan eiser een voorschot huurtoeslag voor het jaar 2021 van € 2.961 verleend. Er is uitgegaan van een geschat toetsingsinkomen van € 21.408.
3.1. Bij beschikking van 15 juli 2022 is het recht op huurtoeslag voor het jaar 2021 definitief vastgesteld op € 2.980. Er is uitgegaan van het vastgestelde belastbaar jaarloon van € 21.358.
3.2. Op 26 juni 2024 ontvangt de Dienst Toeslagen een melding vanuit de BRI waaruit blijkt dat de rendementsgrondslag van eiser € 32.055 bedraagt.
3.3. Bij beschikking van 9 augustus 2024 (primair besluit II) herziet de Dienst Toeslagen de definitieve berekening huurtoeslag naar nihil. Door de herziening ontstaat een terugvordering van € 3.230 inclusief € 250 rente.
Huurtoeslag 2022
  1. Bij beschikking van 28 december 2021 is aan eiser een voorschot huurtoeslag voor het jaar 2022 van € 2.957 verleend. Er is uitgegaan van een geschat toetsingsinkomen van € 21.787.
4.1. Op 3 juli 2024 ontvangt de Dienst Toeslagen een melding vanuit de BRI waaruit blijkt dat de rendementsgrondslag van eiser € 38.093 bedraagt.
4.2. Bij beschikking van 9 augustus 2024 (primair besluit III) is het recht op huurtoeslag voor het jaar 2020 definitief vastgesteld op nihil. Er is uitgegaan van het definitief vastgestelde verzamelinkomen van € 21.830 en de rendementsgrondslag van € 38.093. Door de definitieve vaststelling ontstaat een terugvordering van € 3.087 inclusief € 13 rente.
Huurtoeslag 2023
  1. Bij beschikking van 28 december 2022 is aan eiser een voorschot huurtoeslag voor het jaar 2023 van € 3.204 verleend. Er is uitgegaan van een geschat toetsingsinkomen van € 23.590.
5.1. Op 9 juni 2023 meldt de verhuurder dat de kale huur met ingang van 1 juli 2023 wordt verhoogd naar € 655,92.
5.2. Bij beschikking van 22 juli 2023 herziet de Dienst Toeslagen het voorschot huurtoeslag voor de periode 1 juli 2023 tot en met 31 december 2023 naar € 3.258.
5.3. Op 17 juli 2024 ontvangt de Dienst Toeslagen een melding vanuit de BRI waaruit blijkt dat de rendementsgrondslag van eiser € 40.892 bedraagt.
5.4. Bij beschikking van 9 augustus 2024 (primair besluit IV) is de huurtoeslag definitief vastgesteld op nihil. Er is uitgegaan van het definitief vastgestelde verzamelinkomen van € 23.850 en de rendementsgrondslag van € 40.892. Door de definitieve vaststelling ontstaat een terugvordering van € 3.271 inclusief € 13 rente.
  1. Met de beslissingen op bezwaar van 9 oktober 2024 (bestreden beslissingen I, II, III en IV) verklaart de Dienst Toeslagen de bezwaren van eiser tegen de vaststellingen van de huurtoeslag 2020 tot en met 2023 en de terugvorderingen ongegrond.
6.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten.
Dienst Toeslagen heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift.
6.2. De rechtbank heeft de beroepen op 2 oktober 2025 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van Dienst Toeslagen.

Beoordeling door de rechtbank

  1. Eiser voert aan dat zijn vermogen in jaren 2020 tot en met 2023 gecorrigeerd moet worden met de ontstane terugvorderingen en dat zijn vermogen in die jaren in dat geval niet boven het drempelbedrag komt. Eiser is verder van mening dat hij er op mocht vertrouwen dat de huurtoeslag over de berekeningsjaren 2020 tot en met 2023 op de juiste wijze aan hem was toegekend. Omdat het vermogen na aftrek van de terugvordering uitkomt onder het drempelbedrag, moeten de terugvorderingen gematigd worden.
Heeft eiser recht op huurtoeslag?
  1. Op grond van artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag is het recht op huurtoeslag afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen.
8.1. De rechtbank overweegt vooraf dat de inspecteur voor de inkomstenbelasting en de Dienst Toeslagen twee verschillende bestuursorganen zijn, die los van elkaar staan en hun eigen bevoegdheden hebben. De inspecteur voor de inkomstenbelasting is bevoegd het verzamelinkomen en het vermogen vast te stellen. Dienst Toeslagen is bevoegd de inkomensafhankelijke regelingen uit te voeren. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)[1] volgt dat de Dienst Toeslagen het inkomen in aanmerking dient te nemen zoals dat volgt uit de aanslag inkomstenbelasting. [2] Dit is het inkomensgegeven zoals vastgesteld in de BRI.
Voordeel uit sparen en beleggen 2020
8.2. Voor het toeslagjaar 2020 geldt dat een belanghebbende geen recht op huurtoeslag heeft indien bij die belanghebbende over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen als bedoeld in artikel 5.2 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) in aanmerking wordt genomen.[3] Of een belanghebbende over het berekeningsjaar voordeel heeft uit sparen en beleggen, wordt vastgesteld aan de hand van de aanslag inkomstenbelasting van dat jaar. De grondslag sparen en beleggen wordt in dat kader door de inspecteur voor de inkomstenbelasting vastgesteld aan het begin van het kalenderjaar (peildatum). De peildatum is dwingendrechtelijk bepaald.
8.3. Eiser heeft in 2024 aangifte inkomstenbelasting gedaan over 2020. Uit de aangifte van eiser en de aanslag inkomstenbelasting blijkt dat op de peildatum voor het jaar 2020 sprake is van bezittingen ter waarde van € 33.456, - en voordeel uit sparen en beleggen van € 2.610,-. De rechtbank concludeert op grond van het voorgaande dan ook dat de Dienst Toeslagen op juiste gronden de huurtoeslag voor het jaar 2020 op nihil heeft vastgesteld.
Rendementsgrondslag jaren 2021, 2022 en 2023
  1. Voor de jaren 2021, 2022 en 2023 geldt dat in artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awir) de algemene grenzen voor het vermogen staan. Als in een inkomensafhankelijke regeling het recht op een tegemoetkoming ook afhankelijk is gesteld van de hoogte van het vermogen, heeft de aanvrager geen recht op een tegemoetkoming, als de rendementsgrondslag in artikel 5.3 van de Wet 1B 2001 van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 31.340 (over berekeningsjaar 2021), € 31.747 (over berekeningsjaar 2022), € 33.748 (over berekeningsjaar 2023), of meer zou bedragen dan dit bedrag als er geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling voor groene beleggingen van artikel 5.13 van de Wet IB 2001.
  1. Eiser heeft in 2024 aangifte inkomstenbelasting gedaan over de jaren 2021, 2022 en 2023. Uit de aangifte van eiser en de aanslag inkomstenbelasting blijkt dat eiser in berekeningsjaar 2021 een rendementsgrondslag van € 32.055 heeft, in berekeningsjaar 2022 van€ 38.093 en in berekeningsjaar 2023 € 40.892.
10.1. Uit bovenstaande blijkt dat de rendementsgrondslag van eiser over de berekeningsjaren 2021 tot en met 2023 meer bedraagt dat de rendementsgrondslag in artikel 5.3 van de Wet IB 2001. De Dienst Toeslagen is bij de vaststelling van de huurtoeslag terecht uitgegaan van het inkomensgegeven zoals opgenomen in de BRI. Hieruit volgt dat eiser op grond van artikel 7, derde lid, van de Awir en artikel 7, eerste lid, van de Wht geen recht heeft op huurtoeslag over de berekeningsjaren 2021 tot en met 2023.
Tussenconclusie
  1. De rechtbank concludeert dat Dienst Toeslagen de huurtoeslag van eiser op juiste wijze en conform de wetgeving heeft vastgesteld. De rechtbank zal beoordelen of Dienst Toeslagen aanleiding had moeten zien om de terugvorderingen te matigen.
Vertrouwensbeginsel?
  1. Eiser stelt dat Dienst Toeslagen op de hoogte was van zijn financiële situatie en dat hij daarom erop mocht vertrouwen dat de toeslagen op juiste wijze aan hem waren toegekend. Hij stelt dat hij erop mocht vertrouwen dat niet zou worden teruggevorderd.
  1. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat eiser aannemelijk maakt dat van de zijde van Dienst Toeslagen overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de eiser in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het verlenen van voorschot geen gerechtvaardigd vertrouwen opwekt.[4] Een voorschot mag ook worden herzien.[5] Tijdens het verlenen van de eerste voorschotten voor de jaren beschikte Dienst Toeslagen bovendien nog niet over de informatie over het vermogen van eiser. Eiser heeft pas in 2024 aangifte gedaan. Dat dan een lagere vaststelling volgt, is niet in strijd met vertrouwensbeginsel. De beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er bijzondere omstandigheden op grond waarvan Dienst Toeslagen de terugvordering moet matigen?
  1. Voor zover eiser met het voorgaande betoogt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die aanleiding zijn om de terugvordering te matigen, slaagt dit evenmin.
Dienst Toeslagen heeft op grond van artikel 26, tweede lid van de Awir de mogelijkheid om van terugvordering af te zien of de terugvordering te matigen indien de nadelige gevolgen van de terugvordering onevenredig zijn in verhouding tot het doel van de terugvordering. Uit het Verzamelbesluit Toeslagen[6] volgt dat hiervan in beginsel geen sprake is indien de terugvordering het gevolg is van het overschrijden van de vermogensgrens. Hetzelfde geldt voor het geval dat iemands financiële situatie de terugvordering verhinderd. Voor deze situatie bestaat de betalingsregeling.
14.1. In dit geval is er sprake van een situatie waarbij de vermogensgrens wordt overschreden. Dat is volgens het Verzamelbesluit Toeslagen geen bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft voor het afzien of het matigen van een terugvordering. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit dat wat eiser heeft aangevoerd verder niet dat er sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat van terugvordering af moet worden gezien. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser, zoals Dienst Toeslagen heeft aangegeven, zich tot de belastinginspecteur kan richten indien hij zijn vermogensgegevens wil laten aanpassen. Ook in dit kader acht de rechtbank het van belang dat eiser pas in 2024 aangifte heeft gedaan voor de jaren 2020 tot en met 2023. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen zich daarom op het standpunt mogen stellen dat er in het geval van eiser geen bijzondere omstandigheden zijn die ertoe nopen om van de (gehele) terugvorderingen af te zien.

Conclusie en gevolgen

  1. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juli 2020, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:RVS:2010:BN0491.
Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2919).
Artikel 7, derde lid, van de Awir (het oude artikel uit 2020).
Zie bijvoorbeeld Afdeling 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
Op grond van artikel 16, eerste lid en vijfde lid, van de Awir.
Nr. 2022-21478. - - - ## Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 juli 2020, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:RVS:2010:BN0491.
Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2919).
Artikel 7, derde lid, van de Awir (het oude artikel uit 2020).
Zie bijvoorbeeld Afdeling 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
Op grond van artikel 16, eerste lid en vijfde lid, van de Awir.
Nr. 2022-21478.