Terug naar bibliotheek
Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2025:5382 - Rechtbank Noord-Nederland - 22 december 2025
Uitspraak
ECLI:NL:RBNNE:2025:5382•22 december 2025
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 24/4257
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt, het college
(gemachtigde: mr. S.J. Zoer).
- Deze uitspraak gaat over het bestreden besluit waarin het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk is verklaard. Eiser is het daar niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden uit het beroepschrift beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit.
Procesverloop
- De buurvouw van eiser heeft op 20 maart 2024 een aanvraag omgevingsvergunning ingediend. De vergunning is op 14 mei 2024 verleend.
2.1. Eiser heeft daartegen op 24 juni 2024 pro-forma bezwaar ingediend. Eiser vraagt daarin om de op de zaak betrekking hebbende stukken te ontvangen.
2.2. Bij brief van 17 juli 2024 heeft het college eiser verzocht om het bezwaar binnen twee weken nader te motiveren. In die brief is verder vermeld dat eiser de op de zaak betrekking hebbende stukken al heeft ontvangen. Eiser had daarvoor een verzoek op grond van de Wet open overheid ingediend (hierna: Woo-verzoek).
2.3. In zijn reactie van 29 juli 2024 heeft eiser vermeld dat hij de stukken die hij had ontvangen mogelijk al had vernietigd en dat het Woo-verzoek nog niet is afgehandeld.
2.4. Met het bestreden besluit van 1 oktober 2024 heeft het college het bezwaarschrift van eiser niet-ontvankelijk verklaard.
2.5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.6. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
Is het bestreden besluit voldoende zorgvuldig voorbereid?
- Eiser betoogt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Hij voert daartoe aan dat hij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. Verder stelt hij dat hij de op de zaak betrekking hebbende stukken niet heeft ontvangen. Stukken die eiser had ontvangen had hij al vernietigd. Bovendien is in de ogen van eiser sprake van belangenverstrengeling. Eiser doelt op de rol en houding van de secretaris van de bezwaarschriftencommissie. Die secretaris was ook bij een andere procedure van eiser betrokken. Tot slot is volgens eiser sprake van overhaaste besluitvorming.
3.1. Het college betoogt dat het bestreden besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid. Eiser is niet gehoord, omdat eiser niet op tijd de bezwaargronden heeft ingediend. Verder stelt het college dat eiser de op de zaak betrekking hebbende stukken eerder had ontvangen. Het college wijst in dat licht op het Woo-besluit en de mailwisseling van eiser met de vergunningverlener. Ook stelt het college dat de secretaris niet onafhankelijk hoeft te zijn. Alleen de voorzitter van de bezwaarschriftencommissie moet onafhankelijk zijn. De besluitvorming heeft tot slot in de ogen van het college niet overhaast plaatsgevonden.
3.2. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
3.3. Uit vaste jurisprudentie[1] over artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat het college bij een verzuimherstelbrief moet aangeven dat het overschrijden van de fatale termijn in die brief tot gevolg zal hebben dat het bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard. Partijen zijn het eens dat dit in de verzuimherstelbrief van 17 juli 2024 ontbreekt. De rechtbank concludeert dat dit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel.
3.4. Daar komt bij dat eiser in bezwaar ten onrechte niet is gehoord. Vaste jurisprudentie[2] is dat alleen van het horen kan worden afgezien als er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De rechtbank stelt vast dat eiser binnen de termijn heeft gereageerd op de verzuimherstelbrief. Het college had gelet op de inhoud van de reactie daarin aanleiding moeten zien om bezwaarmaker in de gelegenheid te stellen om zijn stelling nader toe te lichten alvorens een beslissing op het bezwaarschrift te nemen. Het bestreden besluit is daarom in strijd met de hoorplicht in artikel 7:2 van de Awb.
3.5. Bovendien heeft eiser het recht om de op de zaak betrekking hebbende stukken te ontvangen.[3] Door te verwijzen naar stukken die eiser eerder zou hebben ontvangen handelde het college in strijd met artikel 7:4, vierde lid, van de Awb. De wet kent geen uitzondering voor het toezenden van stukken waarover bezwaarmaker reeds zou beschikken. De rechtbank laat daarom in het midden of eiser de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft ontvangen via het Woo-verzoek.
- De rechtbank zal gelet op het bovenstaande niet verder ingaan op de door eiser gestelde vooringenomenheid en de overhaaste besluitvorming.
- De rechtbank geeft tot slot het volgende aan partijen mee ter overweging. Ter zitting is het de rechtbank gebleken dat de verhoudingen tussen eiser en het college verstoord zijn. Eiser heeft wantrouwen tegenover het college en heeft diverse procedures lopen. Het college vindt die procedures onnodig en vindt dat dit hierom een onevenredige belasting op het ambtenarenapparaat met zich meebrengt. Om uit die impasse te komen roept de rechtbank allereerst het college op om bij de behandeling van verzoeken van eiser zicht dienstbaar op te stellen, zoals van een overheid mag worden verwacht. Eiser mag verwachten dat hij wordt behandeld als iedere burger en hij wordt opgeroepen het handelen van de gemeente met meer vertrouwen te bekijken. Dat vergt van beide kanten dat het verleden wordt losgelaten.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel, meer in het bijzonder met artikel 6:6, artikel 7:2 en artikel 7:4, tweede lid van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Dit betekent dat het college de op de zaak betrekking hebbende stukken aan eiser dient te overhandigen. Verder moet eiser in de gelegenheid worden gesteld om zijn bezwaar nader te motiveren en dient het college eiser in de bezwaarprocedure te horen. De rechtbank ziet daarom geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten.
6.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft het college hiervoor zes weken.
6.2. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht (€ 187,-) aan eiser vergoeden. Ook krijgt eiser een vergoeding van zijn reiskosten van € 0.28 per kilometer[4] voor het gebruik van eigen auto, omdat vervoer met het openbaar vervoer vanuit eiser zijn woonplaats niet mogelijk is. De kortste afstand is 46,7 kilometer. Dit betekent dat de vergoeding € 13,10, - bedraagt.[5]
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 1 oktober 2024; - draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat het college het griffierecht van € 187, - aan eiser moet vergoeden; - bepaalt dat het college de reiskosten € 13,10, - van eiser moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Knuttel, rechter, in aanwezigheid van mr. D.W.K. Veenstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 december 2025.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet - en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:2
Bij de voorbereiding van een besluit vergaart het bestuursorgaan de nodige kennis omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Artikel 6:5
Het bezwaar - of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
(…)
de gronden van het bezwaar of beroep.
(…)
Artikel 7:3
Van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien indien:
a. het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk is,
(…)
Artikel 7:4
(…)
- Belanghebbenden kunnen van deze stukken tegen vergoeding van ten hoogste de kosten afschriften verkrijgen.
Artikel 7:12
- De beslissing op het bezwaar dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Daarbij wordt, indien ingevolge artikel 7:3 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0005537/2025-11-21) van het horen is afgezien, tevens aangegeven op welke grond dat is geschied.
(…)
Centrale Raad van Beroep (CRvB) 5 april 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA7315.
CRvB 13 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK1142, r.o. 4.4.
Artikel 7:4, tweede, van de Awb.
Artikel 2, onder d Besluit proceskosten bestuursrecht jo. artikel 11, eerste lid, onderdeel d Besluit tarieven in strafzaken 2003.
Artikel 11, tweede lid, Besluit tarieven in strafzaken 2003. - - - ## Voetnoten