Terug naar bibliotheek
Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2023:5641 - Rechtbank Noord-Nederland - 27 juli 2023
Uitspraak
ECLI:NL:RBNNE:2023:5641•27 juli 2023
Formele relaties
Uitspraak inhoud
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummers: LEE 22/3167
[eiseres] uit [plaatsnaam] , eiseres
en
Raad voor Rechtsbijstand
(gemachtigden: B. Niemeijer, J. Luursema).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , uit [plaatsnaam] ,
(gemachtigde: mr. R.J. Skála).
Inleiding
-
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het in stand laten van een op 8 oktober 2013 aan haar verleende toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) voor een echtscheidingsprocedure waarbij de derde-partij, [derde belanghebbende] is. [derde belanghebbende] is de voormalig cliënt van eiseres.
1.1. Eiseres heeft op 17 december 2019 namens [derde belanghebbende] aan de Raad verzocht om de verleende toevoeging in te trekken. In het primaire besluit van 22 januari 2020 heeft de Raad de op 8 oktober 2013 verleende toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken. In een beslissing op bezwaar van 27 juli 2020 is de intrekking teruggedraaid en is de toevoeging alsnog in stand gelaten. Eiseres is tegen die beslissing in beroep gegaan. Bij uitspraak van 28 januari 2022 (zaaknummer LEE 20/2298) heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard, de beslissing op bezwaar van 27 juli 2020 vernietigd en de Raad opgedragen om opnieuw te beslissen. Met het bestreden besluit van 10 augustus 2022 heeft de Raad het bezwaar van [derde belanghebbende] gegrond verklaard en is de verleende toevoeging in stand gelaten. Daarnaast is geadviseerd om een resultaatsbeoordeling uit te voeren.
1.2. De rechtbank heeft het beroep op 21 juni 2023 op zitting behandeld, tegelijk met het beroep van [derde belanghebbende] (zaaknummer LEE 22/3166). Eiseres is verschenen. Namens de Raad zijn de heren Niemeijer en Luursema verschenen. De derde-partij [derde belanghebbende] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding
- De rechtbank overweegt allereerst ambtshalve dat in deze zaak uitsluitend aan de orde is of de Raad in het bestreden besluit terecht heeft besloten om de verleende toevoeging niet in te trekken. De vraag of de Raad gehouden is om de verleende toevoeging te beëindigen valt naar het oordeel van de rechtbank buiten de omvang van het geding. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat sprake is van een verschil in rechtsgevolg tussen het intrekken en het beëindigen van een toevoeging. Zowel in het verweerschrift als ter zitting is door de gemachtigden van de Raad toegelicht dat het beëindigen van een toevoeging enkel tot gevolg heeft dat een advocaat zich aan een zaak kan onttrekken en de toevoeging bij verweerder kan declareren. Een rechtszoekende kan dan voor dat rechtsbelang geen nieuwe toevoeging meer aanvragen. Dit staat los van de mogelijkheid tot het intrekken van de toevoeging. De rechtbank overweegt daarnaast dat het [derde belanghebbende] vrijstond om zelf in 2019 om beëindiging van de toevoeging te verzoeken. Aan de zijde van [derde belanghebbende] is niet betwist dat dit niet is gebeurd. Gelet hierop valt niet in te zien waarom de rechtbank gehouden zou zijn om overeenkomstig het verzoek van [derde belanghebbende] te bepalen dat de toevoeging is beëindigd.
- De rechtbank overweegt dat partijen ter zitting hebben aangegeven dat de op
8 oktober 2013 verleende toevoeging bij besluit van 13 oktober 2022 alsnog is ingetrokken. [derde belanghebbende] heeft tegen dat intrekkingsbesluit bezwaar gemaakt. De bezwaarprocedure loopt nog en ligt thans bij de bezwaaradviescommissie ter advisering voor. Door de bezwaaradviescommissie is besloten om de zaak aan te houden, omdat in de echtscheidingsprocedure nog een cassatieberoep loopt. De commissie heeft besloten te wachten met de behandeling van de zaak tot alle gemaakte kosten zijn verrekend.
De rechtbank overweegt dat de resultaatsbeoordeling, inclusief het moment van uitvoeren daarvan, in de procedure tegen het intrekkingsbesluit aan bod komt. De door [derde belanghebbende] aangevoerde beroepsgronden op dit punt vallen naar het oordeel van de rechtbank eveneens buiten de omvang van dit geding en zullen niet in deze uitspraak worden besproken.
Toetsingskader
- Artikel 24 van de Wrb luidt, voor zover van toepassing, als volgt:
- Het bestuur beslist op de aanvraag om een toevoeging ten behoeve van:
a. rechtsbijstand door een advocaat;
(…)
- De rechtsbijstandverlener dient mede namens de rechtzoekende, een aanvraag om een toevoeging in bij een vestiging van de raad in het ressort waar de rechtsbijstandverlener kantoor houdt. De aanvraag wordt mede namens de rechtzoekende, ondertekend door de rechtsbijstandverlener.
(…)
- De rechtsbijstandverlener kan slechts met instemming van het bestuur de toevoeging weigeren. Zolang de toevoeging niet is gewijzigd of ingetrokken, is hij verplicht de nodige rechtsbijstand te verlenen.
4.1. Artikel 34g, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) bepaalt dat, tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten, de toevoeging met terugwerkende kracht wordt ingetrokken, als: a. de rechtzoekende de kosten van rechtsbijstand kan verhalen op een derde, of b. op het moment van de definitieve afhandeling van de zaak waarvoor die toevoeging was verleend de rechtzoekende als resultaat van die zaak een vordering met betrekking tot een geldsom ter hoogte van tenminste 50% van het drempelbedrag, genoemd in artikel 9.4a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft. Niet in geschil is dat de resultaatsgrens € 15.423, - is.
4.2. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), waaronder de uitspraak van 20 juni 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2003), volgt uit artikel 34g van de Wrb en zijn totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2003/4, 29 685, nr. 3, blz. 22 e.v.) dat voor het antwoord op de vraag of een toevoeging met terugwerkende kracht wordt ingetrokken dat alleen het resultaat van die zaak van belang is.
4.3. Eiseres voert aan dat zij de toevoeging voor de echtscheidingsprocedure bij besluit van 6 december 2016 heeft overgenomen van de vorige advocaat van [derde belanghebbende] .
Zij geeft aan dat zowel zij als [derde belanghebbende] ervan uit zijn gegaan dat het resultaat boven het heffingsvrije vermogen zou gaan. Daarnaast heeft [derde belanghebbende] in 2017 op eigen initiatief een eerste betaling gedaan. [derde belanghebbende] heeft meermaals te kennen gegeven dat zij facturen wilde ontvangen zodat zij die kon meenemen bij de belastingaangifte. Volgens eiseres is [derde belanghebbende] erop gewezen dat zij deze facturen niet als aftrekpost bij haar belastingaangifte kon betrekken. Daarna is [derde belanghebbende] om facturen blijven verzoeken en heeft zij deze ook voldaan. Eiseres geeft aan dat zij contact heeft gehad met een medewerker van de Raad en dat zij op basis van het feitenrelaas heeft gehoord dat het intrekken van de toevoeging slechts een administratieve handeling zou betreffen. Immers waren de facturen reeds voldaan, met uitzondering van de laatste factuur in juli 2019. Daarna heeft [derde belanghebbende] andere advocaten genomen, die allen niet op toevoeging hebben geprocedeerd. Intussen is een geschil ontstaan tussen eiseres en [derde belanghebbende] over gebrek aan onderling vertrouwen en de gefactureerde uren. De Deken van de Orde van Advocaten is uiteindelijk ingeschakeld en heeft geadviseerd om de toevoeging alsnog te laten intrekken.
4.4. [derde belanghebbende] voert aan dat het intrekkingsverzoek niet met haar toestemming is gedaan. [derde belanghebbende] betoogt dat eiseres sinds 18 september 2019 niet meer haar advocaat is en vanaf die datum ook niet meer in haar naam mocht handelen. Volgens [derde belanghebbende] is het bestreden besluit in strijd met de Wet op de rechtsbijstand en met de geldende rechtspraak.
-
Niet in geschil is dat in de echtscheidingsprocedure thans nog een cassatieberoep loopt.
5.1. De rechtbank overweegt dat de commissie in haar advies van 3 juni 2022 heeft vermeld dat artikel 24 van de Wrb zowel ziet op een aanvraag om een toevoeging als om een verzoek tot intrekking van de toevoeging. Een aanvraag tot intrekking van de toevoeging wordt geacht te zijn ingediend met toestemming van de indiener. Uit het commissieadvies volgt verder dat uit de ingediende bewijsstukken, te weten diverse
e-mails tussen eiseres en [derde belanghebbende] in de periode 2017-2019, niet blijkt dat eiseres toestemming heeft gegeven voor een verzoek om intrekking. De rechtbank overweegt dat [derde belanghebbende] weliswaar tussentijds om facturen heeft verzocht aan eiseres en die facturen grotendeels ook heeft betaald, maar dat daaruit niet volgt dat zij daarmee ook voornemens was om de verleende toevoeging in te trekken. Immers schrijft zij in een e-mail van 26 juli 2017 aan eiseres*"Ik blijf wel onder de toevoeging".*Op 23 december 2017 schrijft zij "Wat de toevoeging betreft, die kan nooit in de tussentijd worden ingetrokken".
De rechtbank komt tot het oordeel dat uit de e-mails genoegzaam volgt dat eiseres geen toestemming had van [derde belanghebbende] om de toevoeging (tussentijds) in te trekken. Eiseres was niet gemachtigd om een intrekkingsverzoek aan de Raad te doen.
5.2. De gemachtigde van de Raad heeft ter zitting nog gewezen op een uitspraak van de ABRvS van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1909. De ABRvS heeft daarin geoordeeld dat de resultaatbeoordeling niet alleen van toepassing is op de laatst verstrekte toevoeging, maar op alle verstrekte toevoegingen die zien op het zelfde rechtsbelang. Eiseres heeft ter zitting de stelling ingenomen dat het destijds zowel bij haar als bij [derde belanghebbende] bekend was dat het te ontvangen bedrag in het kader van de echtscheidingsprocedure ruim boven het drempelbedrag voor de toevoeging zou uitkomen. Gelet op de vragen die in dit verband zijn opgekomen hebben partijen echter onvoldoende helderheid kunnen bieden over de situatie om op grond van deze rechtspraak te kunnen aannemen dat de toevoeging ingetrokken had moeten worden.
5.3. Gelet op het voorgaande heeft de Raad naar het oordeel van de rechtbank met juistheid besloten om de verleende toevoeging niet in te trekken.
Conclusie en gevolgen
-
Het beroep van eiseres is ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. R.E.J. Jansen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2023.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.