Terug naar bibliotheek
Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:1939 - Rechtbank Noord-Holland - 26 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBNHO:2026:1939•26 februari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 25/3178
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. G.L.D. Thomas),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, het college
(gemachtigde: M. Bay).
Inleiding
- In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet-ontvankelijk verklaren van haar bezwaarschrift.
1.1. Met het primair besluit van 14 april 2025 heeft het college eiseres een voorziening toegekend op grond van de Jeugdwet in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).
1.2. Bij bestreden besluit van 30 juni 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij te laat bezwaar heeft gemaakt.
1.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op de zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van het college, de gemachtigde van eiseres en eiseres.
Standpunt eiseres
- Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij tijdig bezwaar heeft gemaakt. Dit volgt uit het bankafschrift dat door eiseres is overgelegd als bewijs van frankering. Verder wijst eiseres op de telefoongesprekken en e-mails waarin duidelijk naar voren komt dat zij het niet eens is met het primair besluit. Zo volgt uit de ter zitting overgelegde e-mail van 16 mei 2025 dat zij bezwaar zal aantekenen. Op basis hiervan had het college moeten concluderen dat eiseres bezwaar maakte.
Standpunt college
- Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres niet tijdig bezwaar heeft gemaakt. Met het door eiseres overgelegde bankafschrift is onvoldoende onderbouwd dat zij tijdig een bezwaarschrift heeft verzonden. Eiseres had schriftelijk een bezwaarschrift moeten indienen bij de juridische afdeling. Het contact dat eiseres met de teammanager CJG heeft gehad maakt niet dat er sprake is van een tijdig bezwaar.
Beoordeling door de rechtbank
- De rechtbank beoordeelt of het college het bezwaarschrift van eiseres op juiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Bezwaarschrift
4.1. Bij de beantwoording van de vraag of eiseres tijdig bezwaar heeft gemaakt is de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 april 2024 van belang.[1] Daaruit volgt dat de schriftelijke weergave van mondeling geuite bezwaren onder omstandigheden is aan te merken als (voorlopig) bezwaarschrift. De rechtbank overweegt als volgt.
4.2. Het primair besluit dateert van 14 april 2025. Op 15 april 2025 verwijst eiseres in haar e-mailbericht naar een telefoongesprek waarin zij heeft aangegeven dat het toegekende pgb niet toereikend is om de kosten voor het vervoer van haar zoon op te vangen. Daarnaast vraagt eiseres of zij het pgb mag inzetten voor informeel vervoer. In een e-mailbericht van 21 april 2025 vraagt eiseres een aantal zaken te verduidelijken en benadrukt zij dat een voorziening in natura (en geen pgb) is gevraagd. Op het antwoord van het college van 24 april 2025 reageert eiseres op 25 april 2025 dat niet serieus naar haar wordt geluisterd - zij heeft geen pgb aangevraagd - en dat de ernst van de situatie onvoldoende is onderzocht en verkeerd is ingeschat. Het college heeft zonder overleg de hulpvraag gewijzigd in een pgb-aanvraag en het primair besluit komt niet tegemoet aan haar hulpvraag. In haar e-mailbericht van 16 mei 2025 laat eiseres onder meer weten niet akkoord te gaan met het primair besluit en gebruik te zullen maken van de mogelijkheden van bezwaar en beroep.
4.3. Gelet op de inhoud van bovenstaande e-mails is de rechtbank van oordeel dat het college de e-mail van 16 mei 2025 als voorlopig bezwaarschrift had moeten aanmerken. Voor het college had op dat moment duidelijk moeten zijn dat eiseres zich niet kon vinden in het primair besluit en daartegen bezwaar maakte.
Doorzendplicht
- De rechtbank stelt vast dat het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) niet als een zelfstandig bestuursorgaan kan worden aangemerkt, als bedoeld in artikel 1:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en daarom - in strikte zin - op haar geen doorzendplicht rust, als bedoeld in artikel 6:15 van de Awb.
[2] Het CJG werkt echter onder verantwoordelijkheid van het college, neemt namens het college beslissingen in het jeugddomein en de communicatie met de burger (in dit geval eiseres) verloopt ook met (de Jeugdconsulent/teammanager) van het 'CJG Haarlemmermeer'.
5.1. Naar het oordeel van de rechtbank brengen de beginselen van de dienende overheid en de zorgvuldigheid (artikel 3:2 van de Awb) mee dat niet van de burger mag worden verlangd dat deze kennis heeft van de juridische status en functie van het CJG binnen een gemeente, in dit geval Haarlemmermeer, waardoor een ingediend bezwaar niet-ontvankelijk wordt verklaard, omdat dit bij het verkeerde loket is ingediend. Integendeel, op het college rust in dit verband, gelet op een zorgplicht die op het college rust als dienende instantie en de rechtszekerheid die eiseres als burger zoekt, dat ook voor het CJG een doorzendplicht rust en dient het college haar organisatie zo in te richten dat een dergelijke doorzendplicht ook wordt nageleefd.
5.2. De rechtbank is dan ook van oordeel haar niet kan worden tegengeworpen dat zij haar bezwaar bij de Afdeling Juridische Zaken had moeten indienen. Het CJG had in dit geval het bezwaar van eiseres moeten doorzenden. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiseres gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en draagt het college op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.
- Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bedraagt deze vergoeding € 934,00, omdat de gemachtigde van eiseres aan de zitting heeft deelgenomen. Verder komen de reiskosten voor vergoeding in aanmerking. Eiseres heeft deze kosten berekend op € 13,82 in het proceskostenformulier. Daarmee komen de proceskosten in totaal uit op € 947,82. Het college moet ook het griffierecht van
€ 53,00 vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Postma, rechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie hiervoor de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 23 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:814.
Rechtbank Rotterdam van 11 november 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9177. - - - ## Voetnoten