Terug naar bibliotheek
Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:1809 - Rechtbank Noord-Holland - 25 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBNHO:2026:180925 februari 2026

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/871
(gemachtigde: mr. R.J.A. Verhoeven),
en
(gemachtigden: W. de Jong en D. Kempenaar).
  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening naar aanleiding van het besluit van de burgemeester tot sluiting van de woning aan de [adres] in Alkmaar (hierna: de woning) voor de duur van zes maanden vanaf 9 februari 2026.
  1. Hij komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het verzoek niet-ontvankelijk is omdat het griffierecht niet tijdig is betaald, en het niet betalen niet verontschuldigbaar is.

Procesverloop

  1. Met het bestreden besluit van 2 februari 2026 heeft de burgemeester besloten tot sluiting van de woning vanaf 9 februari 2026 voor de duur van zes maanden op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
  1. De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift en heeft aan de rechtbank kenbaar gemaakt dat de sluiting zal worden opgeschort tot de uitspraak op dit verzoek.
  1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Verzoeker, zijn gemachtigde en de gemachtigden van de burgemeester hebben hieraan deelgenomen.
  1. Ter zitting is geconstateerd dat verzoeker het griffierecht nog niet heeft betaald, omdat zijn gemachtigde nog geen factuur van de rechtbank had ontvangen. Daarbij heeft de gemachtigde zich op het standpunt gesteld bij gebreke daarvan niet bereid te zijn het griffierecht door middel van een pinbetaling op de rechtbank te voldoen. Ter zitting is daarom afgesproken dat een kopie van de factuur na afloop van de zitting zo snel mogelijk zal worden nagezonden per mail, en dat het griffierecht uiterlijk één week na de zitting zal worden voldaan. Het verzoek is vervolgens inhoudelijk ter zitting behandeld, waarbij de voorzieningenrechter heeft aangegeven dat pas inhoudelijk uitspraak zal worden gedaan indien gebleken is dat het griffierecht binnen één week na de zitting is voldaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. Iemand die verzoekt om een voorlopige voorziening, moet griffierecht betalen. Dit volgt uit artikel 8:82 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In een zaak als deze bedraagt het griffierecht € 200,00. De voorzieningenrechter stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald. Het hele bedrag moet binnen die termijn zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank of dan zijn betaald op de griffie van de rechtbank. Als het griffierecht niet of niet tijdig is betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht verontschuldigbaar is.
  1. Verzoeker is bij aangetekend verzonden brief van 5 februari 2026 in de gelegenheid gesteld het griffierecht uiterlijk voorafgaand aan de zitting te betalen. Gebleken is dat PostNL niet is staat is geweest om deze brief voorafgaand aan de zitting te bezorgen. Op 16 februari 2026 heeft de rechtbank een kopie van de factuur gemaild naar de gemachtigde van verzoeker. Op 23 februari 2026 was het griffierecht nog niet betaald, ondanks de afspraak ter zitting dat het griffierecht binnen uiterlijk één week na de zitting zal worden voldaan. Verzoeker heeft het griffierecht dus niet tijdig voldaan. De voorzieningenrechter is geen verontschuldiging voor dit verzuim gebleken.Conclusie en gevolgen
  1. Het verzoek is niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet tijdig is betaald, en het niet betalen niet verontschuldigbaar is. Dit betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. Boon, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: