Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:998 - Rechtbank Midden-Nederland - 13 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:998•13 maart 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 24/7094 & UTR 24/7098 t/m UTR 24/7135
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. D.A.N. Bartels MRE),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap [gemeente], de heffingsambtenaar.
(gemachtigde: mr. M.A.E. van Dop)
Inleiding
- In de beschikking van 29 februari 2024 heeft de heffingsambtenaar op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waardes van diverse onroerende zaken voor het belastingjaar 2024 naar de waardepeildatum 1 januari 2023 als volgt vastgesteld:
Bij deze beschikking heeft de heffingsambtenaar aan eiser ook één of meer aanslagen opgelegd, waarbij deze waarde als heffingsmaatstaf is gehanteerd.
- Eiser is tegen de beschikking in bezwaar gegaan. In de uitspraak op bezwaar van 14 oktober 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en de WOZ-waarde van de onroerende zaken gehandhaafd.
- Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift met taxatiematrices ingediend.
- Omdat het beroep kennelijk ongegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
- In gevallen waarin tussen partijen een geschil bestaat, kan de rechtbank de zaak afdoen met toepassing van artikel 8:54 Awb indien de rechtbank van oordeel is dat over de uitkomst van dat geschil in redelijkheid geen twijfel mogelijk is.
[1] De rechtbank zal hierna uitleggen waarom dat in deze zaak het geval is.
- De gemachtigde van eiser heeft beroep ingesteld. De gemachtigde van eiser stuurt in elke procedure min of meer hetzelfde beroepschrift. In dat beroepschrift staan geen concrete gronden over de waardevaststelling. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift en taxatiematrices ingediend. De rechtbank heeft vervolgens een brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. In deze brief staat verder dat indien de rechtbank geen reactie ontvangt, de rechtbank ervan uitgaat dat de gemachtigde van eiser geen behoefte heeft om naar aanleiding van het verweerschrift een nader of gewijzigd standpunt in te nemen. De gemachtigde van eiser heeft hierop gereageerd met een zogenaamde 'pinpointbrief'. In deze pinpointbrief staat wederom niets concreets over de waardevaststelling in deze zaak.
- De rechtbank heeft een aangetekende brief naar de gemachtigde van eiser gestuurd, waarin de rechtbank de gemachtigde van eiser verzoekt in een A4 puntsgewijs zijn beroepsgronden zaakspecifiek te concretiseren en zo nodig te voorzien van controleerbaar bewijs. De rechtbank heeft hiervoor een termijn van vier weken gegeven. Daarnaast staat expliciet in deze brief dat als de gemachtigde van eiser hier niet aan voldoet, eiser het risico loopt dat de rechtbank het onderzoek sluit en het beroep afdoet zonder zitting.
- De gemachtigde van eiser heeft bij brief hierop gereageerd met een "pinpointbrief". Uit deze brief wordt verder niet duidelijk waarom deze stellingen enige relatie hebben met de waardevaststelling.
- Dat de rechtbank niets kan met de algemene stellingen van de gemachtigde van eiser, is voor de gemachtigde niet nieuw. In eerdere uitspraken heeft de rechtbank zich al uitgelaten over de min of meer gelijkluidende beroepschriften en pinpointbrieven in andere zaken. Daarin is regelmatig aangegeven dat de rechtbank hier niets mee kan, omdat ze vol staan met algemene, weinig inhoudelijke, onsamenhangende en inconsistente, fragmentarische en niet of nauwelijks onderbouwde op de onroerende zaak betrekking hebbende stellingen.
[2] Ook alle gerechtshoven hebben de gemachtigde hier op gewezen.[3] De rechtbank heeft de gemachtigde van eiser er bovendien meerdere keren op gewezen dat zijn werkwijze, door pas op zitting met concrete gronden te komen, in strijd is met de goede procesorde.[4]
- De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar met het verweerschrift en de taxatiematrices aannemelijk heeft gemaakt dat bij de waardevaststelling niet uit is gegaan van onjuiste waardes. Daartoe neemt de rechtbank in aanmerking dat de in de taxatiematrices genoemde referentieobjecten voldoende vergelijkbaar zijn met de onderhavige objecten. De heffingsambtenaar maakt daarnaast aannemelijk dat bij de waardebepaling in voldoende mate rekening is gehouden met de waardebepalende verschillen. Bovendien valt de prijs per m2 van woningen in de lijn van die van alle gehanteerde referentieobjecten. Verder vallen de gehanteerde huurwaarden per m2 en de kapitalisatiefactor van de niet-woningen binnen de bandbreedte van die van de referentieobjecten. Daarmee heeft de heffingsambtenaar aannemelijk gemaakt dat alle WOZ-waardes niet onjuist zijn vastgesteld.
- Zoals hiervoor overwogen heeft de gemachtigde zich in het beroepschrift en zijn overige brieven beperkt tot opmerkingen met een algemene strekking die (nagenoeg) gelijkluidend zijn aan de opmerkingen in een groot aantal andere zaken van de gemachtigde. Uit die algemene opmerkingen kunnen geen concrete beroepsgronden worden afgeleid aan de hand waarvan kan worden beoordeeld of de waardevaststelling onjuist is. Nu de gemachtigde van eiser geen concrete op de zaak toegespitste beroepsgronden heeft ingediend, kan de rechtbank tot geen andere conclusie komen dan dat eiser de vastgestelde waardes niet gemotiveerd heeft betwist en dat het beroep ongegrond is.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
- Eiser heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat de procedure over zijn belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. De rechtbank toetst het verzoek aan artikel 17, eerste lid, van de Grondwet en neemt daarbij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de daarvan afgeleide rechtspraak als uitgangspunt.
- De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar - en beroepsfase samen langer dan 2 jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van 6 maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van 1,5 jaar voor de behandeling van het beroep als uitgangspunt redelijk. In deze zaak zit minder dan 2 jaar tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en deze uitspraak. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn niet is overschreden en dat het verzoek om schadevergoeding reeds daarom wordt afgewezen.
Conclusie en gevolgen
- De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde(s) van de onroerende zaken niet onjuist zijn vastgesteld. Nu eiser geen concrete beroepsgronden heeft ingediend, heeft de rechtbank geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waardes. Het beroep is kennelijk ongegrond. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. D. Burggraaf, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Arrest van de Hoge Raad van 24 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:787.
Zie hiervoor onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 18 april 2018, ECLI:NL:RBMNE:2018:1602, 23 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1259, en 24 januari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:221.
Zie de uitspraken van het Gerechtshof Den Haag van 22 februari 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:672, het Gerechtshof Amsterdam van 21 januari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:150, het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 19 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:725 en het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 juni 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:3894.
Zie onder andere de uitspraken van deze rechtbank van 13 augustus 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:4903, 15 november 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:6529 en 8 augustus 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4573. - - - ## Voetnoten