Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:976 - Rechtbank Midden-Nederland - 3 maart 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:9763 maart 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK
  **MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12044957 UV EXPL 26-4 CFd/63200
Vonnis in kort geding van 3 maart 2026
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats] ,
eiser,
verder ook te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. C.L. Berkel,
tegen
RMG B.V.,
vestigingsplaats: Veenendaal ,
gedaagde,
verder ook te noemen: RMG ,
gemachtigde: mr. drs. C.J. Tijman.

1 De procedure

1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
1.2. Op 17 februari 2026 is de zaak besproken tijdens een mondelinge behandeling, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. [eiser] was aanwezig met de gemachtigde en een tolk (de heer R. Modi, tolknummer: [..] ). Namens RMG zijn verschenen, de heer [A] ( [.] [functie 1] ), de heer [B] ( [functie 2] ) en de heer [C] ( [functie 3] ) met de gemachtigde.
1.3. Het vonnis is bepaald op vandaag.

2 De beoordeling

Achtergrond van de zaak
2.1. [eiser] is afkomstig uit Iran en 7 jaar geleden als vluchteling naar Nederland gekomen. [eiser] werkt sinds 16 augustus 2021 bij RMG als [functie 4] . De onderneming van RMG houdt zich bezig met de sterilisatie en verwerking van cacaopoeder. Het bedrijf van RMG is een familiebedrijf waarin ongeveer 20 werknemers werkzaam zijn, waaronder [eiser] .
2.2. Op 24 augustus 2025 is de locatie van RMG getroffen door een brand. Daardoor is de productie stil komen te liggen. Voor de werknemers was er geen werk meer, terwijl de (loon)verplichtingen voor RMG wel doorliepen. RMG heeft haar werknemers zoveel als mogelijk geprobeerd onder te brengen bij productiebedrijven in de omgeving. Via Start People (een uitzendbureau) kon [eiser] worden ondergebracht bij Lantor. De kantonrechter begrijpt dat er op enig moment discussie is ontstaan over het al dan niet draaien van ploegendiensten en/of het opnemen van vakantie. Eind oktober 2025 heeft RMG daarop besloten het dienstverband met [eiser] te beëindigen. Zij heeft op 29 oktober 2025 aan [eiser] een vaststellingsovereenkomst aangeboden. [eiser] heeft die vaststellingsovereenkomst getekend op 5 november 2025.
Inleiding
2.3. Het meest verstrekkende verweer dat [eiser] heeft gevoerd is dat de vaststellingsovereenkomst vernietigd moet worden, omdat sprake is van misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW). Volgens [eiser] heeft RMG hem onder druk gezet om de vaststellingsovereenkomst te tekenen, terwijl RMG gelet op de kwetsbare positie van [eiser] , hem had moeten weerhouden van het zetten van een handtekening. Indien wel sprake is van een geldige vaststellingsovereenkomst stelt [eiser] dat hij tijdig een beroep heeft gedaan op ontbinding van die overeenkomst (volgens artikel 7:670b lid 2 BW). RMG betwist dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Zij heeft binnen de aangegeven bedenktermijn geen herroepingsverklaring ontvangen en meent dat [eiser] geen beroep kan doen op ontbinding van de vaststellingsovereenkomst.
Er is sprake van een rechtsgeldige vaststellingsovereenkomst
2.4. De kantonrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure het beroep op vernietiging van de overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden niet slaagt. Dat zal hieronder worden toegelicht.
2.5. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] werd overvallen door de beslissing die RMG heeft genomen om van hem, en een paar andere werknemers, afscheid te nemen. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat hij bij de RMG - familie wilde blijven, zijn eerste werkgever in Nederland. Ook heeft hij toegelicht dat hij te kampen heeft met een ernstige vorm van PTSS die verband houdt met zijn ervaringen in zijn land van herkomst. Zijn klachten zijn verergerd door problemen in de privésfeer en door de wens van RMG afscheid van hem te nemen. Uit het dossier blijkt niet dat RMG vóór het tekenen van de vaststellingsovereenkomst op de hoogte was van de ernstige psychische problemen waarmee [eiser] te maken heeft. Zij heeft in de aanloop naar het sluiten van de beëindigingsovereenkomst weliswaar druk uitgeoefend op [eiser] om snel te beslissen over een einde van de arbeidsovereenkomst, maar dat is verklaarbaar vanuit de bedrijfseconomische noodzaak die RMG zag en die voor [eiser] ook duidelijk moet zijn geweest. Bovendien heeft RMG de wens van [eiser] om de vaststellingsovereenkomst te bespreken met een bevriende advocaat gerespecteerd. Toen partijen op 5 november 2025 in een persoonlijk gesprek hebben gesproken over een beëindigingsovereenkomst mocht RMG er daarom van uitgaan dat [eiser] inmiddels had nagedacht over een beëindiging van de arbeidsverhouding en de voorwaarden waaronder dat plaats zou vinden. [eiser] heeft ook zelf voorwaarden gesteld waaronder hij bereid zou zijn de overeenkomst te sluiten. Dat betekent dat de kantonrechter ervan uit gaat dat in een bodemprocedure de gesloten beëindigingsovereenkomst als rechtsgeldig zal worden beschouwd.
Het beroep op ontbinding van de vaststellingsovereenkomst slaagt
2.6. De volgende vraag die moet worden beantwoord is of RMG [eiser] mag houden aan de met haar overeengekomen afspraken. De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat de bodemrechter in een bodemprocedure zal oordelen dat [eiser] de vaststellingsovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden. Dat zal hieronder worden toegelicht.
2.7. In de vaststellingsovereenkomst is [eiser] gewezen op de wettelijke bedenktermijn van veertien dagen. [eiser] heeft op 13 november 2025 een beroep gedaan op die bedenktermijn. Hij had die dag gesproken met zijn hulpverlener bij [organisatie] , mevrouw [D] , en een medewerker van het juridisch loket. Een medewerker van het juridisch loket heeft [eiser] gewezen op de mogelijkheid de vaststellingsovereenkomst te herroepen. [eiser] heeft met behulp van het juridisch loket een herroepingsverklaring opgesteld. Omdat het pand van RMG was afgebrand was voor [eiser] niet duidelijk naar welk adres de herroepingsverklaring moest worden gestuurd. Mevrouw [D] heeft in aanwezigheid van [eiser] gebeld met de heer [A] ( [functie 1] van RMG ) en gevraagd waar gevoelige informatie over [eiser] naartoe moest. De heer [achternaam van A , B en C] heeft daarop het adres genoemd waar RMG op dat moment (tijdelijk) kantoor hield. Mevrouw [D] heeft niet verteld dat het ging om het versturen van een herroepingsverklaring. [eiser] heeft de herroepingsverklaring op 13 november 2025 per aangetekende post verstuurd naar het door [achternaam van A , B en C] opgegeven adres. Uit de track en trace gegevens kan worden opgemaakt dat die brief ter bezorging bij PostNL terecht is gekomen. Uit de track en trace gegevens kan niet worden afgeleid dat de brief ook aan RMG is aangeboden.
2.8. Hoewel dus niet kan worden vastgesteld dat de brief RMG heeft bereikt, acht de kantonrechter aannemelijk dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat dit mede kan worden toegerekend aan RMG en het niet bereiken van de herroepingsverklaring voor haar rekening en risico komt (artikel 3:37 lid 3 BW). Dat betekent dat de ontbindingsverklaring wel haar werking heeft. De volgende omstandigheden zijn daarbij relevant.
2.9. Na het tekenen van de vaststellingsovereenkomst heeft [eiser] zich op enig moment ziek gemeld voor de werkzaamheden, die hij in opdracht van RMG voor een collega-productiebedrijf (Lantor) verrichtte. RMG heeft op 11 november 2025 een whatsapp bericht gestuurd met de inhoud: "(…) Ik begreep van Lantor dat je ziek bent, wanneer denk je dat je weer kunt werken?" [eiser] heeft daarop op 12 november 2025 geantwoord: "(…) Helaas voel ik mij niet goed. Ik weet niet of ik kan werken. Ik wil graag een afspraak met de bedrijfsarts. Ik ben nu in behandeling bij [organisatie] in [plaats] ." RMG heeft daarop dezelfde dag als volgt gereageerd: "(…) Ik ga even overleggen met de bedrijfsarts wanneer dit mogelijk is. Wat moet ik zeggen tegen de bedrijfsarts wat de klachten zijn."[eiser] heeft per ommegaande gereageerd dat hij al een paar jaar behandeld wordt voor ernstige PTSS, dat door nieuwe gebeurtenissen zijn probleem erger is geworden en hij zich helemaal niet goed voelt. RMG was er vanaf dat moment op de hoogte dat [eiser] te maken had met ernstige psychische problemen. Bovendien werd de dag daarna duidelijk dat er vertrouwelijke stukken over [eiser] aan haar zouden worden toegestuurd. Zij heeft daarover geen navraag gedaan. Gelet op het goed werkgeverschap lag het op haar weg om te polsen of [eiser] nog wel achter de beëindigingsovereenkomst stond. Dat geldt te meer omdat [eiser] de Nederlandse taal niet machtig is en zich ook om die reden in een kwetsbare positie bevindt. RMG heeft niets ondernomen. Ze heeft wel de suggestie gewekt dat zij het verzoek van [eiser] om de bedrijfsarts in te schakelen serieus nam, maar zij heeft de bedrijfsarts vervolgens niet ingeschakeld. Daardoor is een week voorbij gegaan zonder dat voor [eiser] duidelijk was dat de ontbindingsverklaring RMG nog niet had bereikt. Pas één dag na het verstrijken van de bedenktermijn van veertien dagen werd dit voor [eiser] duidelijk. RMG liet toen pas weten dat ze de bedrijfsarts, in tegenstelling tot haar eerdere bericht, niet zou inschakelen omdat de arbeidsovereenkomst op 1 december 2025 zou eindigen. [eiser] heeft RMG daarop direct gewezen op de door hem verstuurde ontbindingsverklaring. RMG heeft geen nadeel van het feit dat de ontbindingsverklaring haar één dag te laat heeft bereikt, althans dat heeft zij niet gesteld. Gelet op alle omstandigheden bij elkaar komt het niet tijdig bereiken van de herroepingsverklaring voor haar rekening en risico.
RMG moet het loon van [eiser] doorbetalen, vermeerderd met wettelijke rente
2.10. Omdat de vaststellingsovereenkomst tijdig is ontbonden is de arbeidsovereenkomst niet geëindigd op 1 december 2025. [eiser] heeft dus recht op doorbetaling van loon. Het achterstallige loon van € 3.630,00 (inclusief ploegentoeslag) vanaf december 2025 tot en met de datum dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd is dan ook toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente wordt ook toegewezen, omdat RMG te laat is met betaling.
2.11. [eiser] heeft zich ziekgemeld. RMG moet daarom voldoen aan de re-integratieverplichtingen die horen bij ziekte. Dat volgt uit de wet. Het is onduidelijk welk belang [eiser] heeft bij zijn vordering die daarover gaat. De vordering wordt daarom afgewezen.
[eiser] heeft geen recht op wettelijke verhoging
2.12. De wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW is een sanctie op niet tijdige betaling van het loon en is bedoeld als prikkel voor de werkgever om het loon op tijd te betalen, zodat de werknemer tijdig over het loon kan beschikken. De rechter kan, rekening houdend met de omstandigheden van het geval, de verhoging beperken tot ieder bedrag dat billijk is en deze zelfs op nihil stellen. Gelet op de situatie waarmee RMG te maken heeft ziet de kantonrechter aanleiding de wettelijke verhoging in dit kort geding niet toe te wijzen. Dit betekent dat de gevorderde wettelijke verhoging in dit kort geding wordt afgewezen.
RMG moet € 2.400,00 netto aan [eiser] terugbetalen
2.13. RMG heeft een bedrag van € 2.400,00 ingehouden op het loon in verband met een door haar met [eiser] afgesloten lening. Verrekening tijdens het dienstverband is enkel toegestaan onder strenge voorwaarden zoals vermeld in artikel 7:632 BW. Daaraan is niet voldaan, althans dat heeft RMG niet gesteld. Dat betekent dat RMG het bedrag ten onrechte heeft ingehouden op het salaris en zij dat bedrag aan [eiser] moet terugbetalen.
2.14. De kantonrechter merkt op dat er door RMG een transitievergoeding is betaald aan [eiser] . Daar heeft [eiser] geen recht op, omdat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd. RMG heeft geen tegenvordering ingesteld. Daarom hoeft de kantonrechter daar in dit vonnis geen beslissing over te nemen.
RMG moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
2.15. De incassokosten van € 750,00 exclusief btw worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW). De daarover gevorderde rente wordt ook toegewezen.
RMG moet de proceskosten betalen
2.16. RMG moet de proceskosten betalen, omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
2.17. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.18. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3 De beslissing

De kantonrechter:
3.1. veroordeelt RMG om aan [eiser] te betalen het loon van € 3.630,00 bruto vanaf december 2025 tot en met de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de datum van opeisbaarheid van het loon tot de dag van volledige betaling;
3.2. veroordeelt RMG te betalen aan [eiser] een bedrag van € 2.400, - netto;
3.3. veroordeelt RMG te betalen aan [eiser] een bedrag van € 750,00 exclusief btw voor buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.4. veroordeelt RMG in de proceskosten van € 1.257,51, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als RMG niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet RMG ook de kosten van betekening betalen;
3.5. veroordeelt RMG in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7. wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.