Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:975 - Rechtbank Midden-Nederland - 3 maart 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:9753 maart 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK
  **MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12006473 \ MV EXPL 25-199 BW 31650
Vonnis in kort geding van 3 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. E.D. van Tellingen,
tegen
TRANSDEV NEDERLAND N.V.,
gevestigd in Hilversum,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Transdev,
gemachtigde: mr. C.M. van der Velden-Rijnsburger.

1 De procedure

1.1. De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen: - de dagvaarding van 14 januari 2026 met 9 producties, - de conclusie van antwoord met 19 producties, van 2 februari 2026, - de aanvullende producties 10-12 van [eiser] .
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026 op de zittingslocatie van deze rechtbank in Lelystad. [eiser] is verschenen, bijgestaan door mr. Van Tellingen. Namens Transdev zijn mevrouw dr. [A] ( [functie 1] ), mevrouw mr. [B] ( [functie 2] ) en mevrouw [C] ( [functie 3] ) verschenen, bijgestaan door mr. Van der Velden-Rijnsburger.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat besproken is tijdens de zitting. De gemachtigde van [eiser] heeft het standpunt van [eiser] nader toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd.
1.3. Op de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk 3 maart 2026 uitspraak zal worden gedaan.

2 Wat is de kern?

2.1. [eiser] is vanaf 1 maart 2015 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Transdev als [functie 4] . Op 24 september 2025 heeft Transdev aan [eiser] laten weten dat hij als gevolg van de concessie-overgang van Breng Trein Achterhoek Rivierenland (hierna: BTAR) per 14 december 2025 op de transferlijst is gezet en van rechtswege overgaat naar Arriva.
[eiser] is het daar niet mee eens en vraagt in deze procedure om hem van de transferlijst af te halen of de uitvoering van de transferlijst ten aanzien van zijn functie te schorsen totdat er anders in een bodemprocedure is beslist. Daarnaast vraagt [eiser] om hem toe te laten in zijn eigen functie bij Transdev op straffe van een dwangsom en om doorbetaling van zijn loon door Transdev. De kantonrechter zal de vorderingen van [eiser] (grotendeels) toewijzen.

3 De beoordeling

Wat moet de kantonrechter beoordelen?
3.1. In een kortgedingprocedure wordt gevraagd om een spoedmaatregel te nemen. De wet gaat ervan uit dat er na de kortgedingprocedure een gewone rechtszaak zal komen, dit heet een 'bodemprocedure'. Een kortgedingprocedure loopt op een bodemprocedure vooruit. De voorzieningenrechter probeert in te schatten of een bodemrechter de vordering waarschijnlijk zal toewijzen. Een kortgeding uitspraak is daarom niet meer dan een voorlopige beslissing waar een spoedeisend belang bij is. Daarom moeten belangrijke feiten duidelijk zijn, want tijd voor bewijslevering is er niet. Daarnaast moet een spoedeisend belang bij de gestelde vordering aanwezig zijn.
[eiser] heeft een spoedeisend belang
3.2. Volgens Transdev heeft [eiser] geen spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat hij in september 2025 al wist dat hij op de transferlijst was geplaatst en dat hij tot januari 2026 heeft gewacht met het starten van een kort geding. Verder zegt Transdev dat [eiser] gewoon loon ontvangt van Arriva en dat hij daarom ook geen spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen.
Dat [eiser] na de mededeling dat hij mee overgaat naar Arriva enige tijd gewacht heeft voordat hij een kort geding is gestart, doet op zichzelf nog niet aan het spoedeisend belang af. Enkel tijdsverloop is daarvoor onvoldoende.
Omdat [eiser] vindt dat hij onterecht door Transdev op de transferlijst is geplaatst en hij het er dus niet mee eens is dat hij is overgegaan naar Arriva en zijn functie bij Transdev wil blijven vervullen, heeft hij een spoedeisend belang deze vorderingen in kort geding voor te leggen. Daar komt bij dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling heeft laten weten dat Arriva hem een vaststellingsovereenkomst heeft aangeboden, omdat zij geen werk voor hem hebben. Van [eiser] kan daarom niet worden gevraagd de uitkomst van een eventuele bodemprocedure af te wachten.
Toetsingskader
3.3. De Wet Personenvervoer 2000 (WPV 2000) is van toepassing op, onder meer, het openbaar vervoer zoals Transdev en Arriva dat aanbieden. Op grond van artikel 39 lid 1 WPV 2000 moet de verliezende concessiehouder (Transdev) een zogeheten transferlijst verstrekken aan de nieuwe concessiehouder (Arriva) waarin een opgave wordt gedaan van de samenstelling van het personeel dat bij de concessieovergang mee over zal gaan. Transdev heeft [eiser] op de transferlijst geplaatst.
De vraag die voorligt is of aanleiding bestaat om in het kader van dit kort geding [eiser] van de transferlijst te halen of de uitvoering van die transferlijst ten aanzien van [eiser] te schorsen. In dit kort geding moet beoordeeld worden of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing al gerechtvaardigd is. In dat kader is het goed om eerst uit te leggen welke werknemers bij een concessie mee over gaan.
3.4. Welke werknemers op de transferlijst moeten of kunnen worden geplaatst, is geregeld in artikel 37 lid 1 en lid 4 WPV 2000. In artikel 37 WPV lid 1 2000 is namelijk bepaald dat bij de wisseling van een concessiehouder de rechten en verplichtingen van werknemers die direct of indirect werkzaam zijn ten behoeve van de verrichting van het openbaar vervoer waarvoor de concessie werd verleend van rechtswege overgaan op de nieuwe concessiehouder.
3.5. De wet maakt dus onderscheid tussen zogenaamde directe en indirecte werknemers, maar geeft daarvan geen definitie. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat directe werknemers direct werkzaamheden verrichten ten behoeve van het concessiegebied, zoals chauffeurs. Indirecte werknemers zijn werknemers die zijn aangesteld bij algemene afdelingen zoals een personeelsafdeling, onderhoudsdienst of een stafafdeling. Het aantal indirecte werknemers dat met de concessie overgaat wordt, zo volgt uit lid 2 van artikel 37 WPV 2000, gerelateerd aan de verminderde omzet als gevolg van de concessie-overgang.
Binnen de groep indirecte werknemers wordt een onderscheid gemaakt tussen arbeidsplaatsen die wel of niet herleidbaar zijn tot een individu. De herleidbare indirecte werknemers zijn zij die individueel toe te wijzen zijn aan de concessie die overgaat, zoals een planner van een bij de concessie betrokken groep chauffeurs of een vestigingsmanager. Niet herleidbare indirecte werknemers zijn zij die weliswaar voor de concessie werkzaam zijn, maar van wie de arbeidsplaats niet op individuele basis aan de betreffende concessie kan worden toegewezen, zoals fiscalisten en telefonistes die voor meerdere concessies werkzaam zijn.
Als een arbeidsplaats niet herleidbaar is tot een individu bepaalt artikel 37 lid 4 WPV 2000 dat bij de selectie van de werknemers die overgaan naar de nieuwe concessiehouder moet worden aangesloten bij de regels die gelden voor ontslag wegens bedrijfseconomische omstandigheden.
3.6. Over de gevolgen voor het personeel van een concessie-overgang en met name voor de niet herleidbare indirecte werknemers heeft de Hoge Raad op 8 juni 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW0246) een arrest gewezen. Daaruit blijkt dat het relatieve omzetverlies als gevolg van de overgang van de concessie bepalend is voor de berekening van het aantal niet herleidbare indirecte werknemers en dat niet vereist is dat het verval van de arbeidsplaats van de individuele werknemer het directe gevolg moet zijn van het verlies van de concessie. Voor zover het op basis van het omzetverlies becijferde deel dat toelaat, wordt de individuele werknemer op basis van de in het ontslagbesluit genoemde criteria geselecteerd. Bij de selectie voor unieke, niet uitwisselbare functies bestaat daarom een zekere mate van beleidsvrijheid voor de werkgever.
Dat [eiser] enige betrokkenheid had bij de BTAR concessie is niet gebleken
3.7. Volgens Transdev is [eiser] op terechte gronden als niet-herleidbaar indirect betrokken werknemer op de transferlijst geplaatst. Daarbij wijst Transdev er terecht op dat om een werknemer als indirect betrokken te kunnen aanwijzen, wel vereist is dat deze werknemer enige betrokkenheid heeft bij de BTAR concessie.
Dat [eiser] enige betrokkenheid heeft gehad (in zijn werkzaamheden) bij de concessie BTAR heeft Transdev niet duidelijk gemaakt. [eiser] zegt dat hij uitsluitend werkzaam was voor de Taxi Services binnen Transdev en heeft ter onderbouwing daarvan enkele documenten (een functieomschrijving, een formulier "beoordelen overplaatsing" en een verklaring van een collega) overgelegd die dit lijken te bevestigen. Transdev zegt dat dit niet juist is en dat op de landelijke IT afdeling waar [eiser] werkzaam was werkzaamheden werden verricht voor het hele concern. Volgens Transdev was [eiser] naast de werkzaamheden voor de Taxi Services betrokken bij applicatiebeheer en storingsdiensten ("OV op maat") die ook werden ingezet voor de concessie BTAR. [eiser] heeft tijdens de mondelinge behandeling gezegd dat hij nooit betrokken is geweest bij werkzaamheden voor OV op maat en dat hij voor deze concessie-overgang zelfs nog nooit van de BTAR had gehoord. Transdev heeft haar stelling dat [eiser] enige betrokkenheid heeft gehad bij BTAR (onder meer door te werken met OV op maat) niet onderbouwd. Zeker nu Transdev, gelet op het standpunt van [eiser] in de dagvaarding, wist dat [eiser] betwist enige betrokkenheid te hebben gehad bij BTAR, had het op zijn minst op de weg van Transdev gelegen om haar stelling dat dit wel zo is, te onderbouwen. Die betrokkenheid van [eiser] heeft Transdev zelfs niet aannemelijk kunnen maken. Dat [eiser] enige betrokkenheid had bij werkzaamheden voor BTAR blijkt dus nergens uit.Alleen hieruit volgt al dat in dit kort geding er niet vanuit kan worden gegaan dat [eiser] een (niet-herleidbaar) indirect betrokken werknemer is bij de concessie van BTAR.
De verminderde omzet in relatie tot het aantal indirecte werknemers heeft Transdev niet inzichtelijk gemaakt
3.8. Ook als [eiser] wel zou zijn aan te merken als (niet-herleidbaar) indirect betrokken werknemer, is vervolgens vereist dat Transdev inzichtelijk maakt dat het aantal indirecte werknemers dat zij op de transferlijst heeft gezet, in relatie staat tot de verminderde omzet door het verlies van de concessie BTAR. Transdev zegt dat 10% van het indirecte personeel van rechtswege bij Arriva in dienst is getreden, waarvan 10,8 FTE aan (niet-herleidbare) indirect betrokken werknemers op die lijst zijn gezet, waaronder van de afdeling Communicatie en IT. Maar Transdev heeft niet laten zien wat het relatieve omzetverlies is geweest en hoe vervolgens de berekening tot stand is gekomen van het aantal (niet-herleidbare) indirect betrokken werknemers die op de transferlijst geplaatst moeten worden.Tijdens de zitting heeft Transdev op de vraag van de kantonrechter waaruit het relatieve omzetverlies en het aantal werknemers dat daardoor zou moeten overgaan blijkt en dit juist is, enkel geantwoord dat een onafhankelijke accountant dit heeft gecontroleerd. Transdev heeft deze stukken echter niet in de procedure gebracht. Dat betekent dat niet vastgesteld kan worden hoe het precies zit met het relatieve omzetverlies en de naar aanleiding daarvan tot stand gekomen berekening van het aantal op de transferlijst te plaatsen werknemers.
Dat de regels bij bedrijfseconomisch ontslag juist zijn toegepast is niet duidelijk geworden
3.9. Transdev zegt verder dat zij een zekere mate van beleidsvrijheid heeft voor het aanwijzen van [eiser] als niet-herleidbaar indirect betrokken werknemer. Dat uitgangspunt geldt inderdaad op het moment dat vast staat dat een werknemer als niet-herleidbare indirect betrokken werknemer kan worden gekwalificeerd. Dat is hier niet het geval (zoals volgt uit rechtsoverwegingen 3.7 en 3.8).
Maar ook als wel vast zou komen te staan dat [eiser] als niet-herleidbare werknemer is te kwalificeren, moet wel worden voldaan aan de criteria die gelden bij bedrijfseconomisch ontslag. Volgens Transdev is daaraan voldaan, omdat de functiegroep van [eiser] volledig is vervallen, waarbij zowel [eiser] als zijn directe collega in dezelfde functie op de transferlijst zijn geplaatst. Toepassing van het afspiegelingsbeginsel is dus volgens Transdev niet aan de orde.
[eiser] betwist dat en heeft tijdens de zitting toegelicht dat meerdere collega's dezelfde functie uitoefenden als hij en dat die collega's nog steeds bij Transdev werken. Ook hier geldt dat Transdev niet inzichtelijk heeft gemaakt dat de collega's die volgens [eiser] dezelfde functie vervullen, geen uitwisselbare functie hebben. Transdev heeft namelijk geen personeelsoverzicht verstrekt. Of Transdev terecht het afspiegelingsbeginsel buiten toepassing heeft gelaten, blijft dus onduidelijk.
Dit betekent dat ook niet kan worden vastgesteld of Transdev de regels voor een bedrijfseconomisch ontslag op de juiste wijze heeft toegepast.
[eiser] lijkt onterecht op de transferlijst te zijn geplaatst
3.10. Op basis van de informatie die de kantonrechter in deze procedure van partijen heeft ontvangen en met name gelet op gebrek aan onderbouwing aan de kant van Transdev, vindt de kantonrechter het aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat [eiser] onterecht op de transferlijst is geplaatst als niet-herleidbaar indirect betrokken werknemer. Het is namelijk niet gebleken dat is voldaan aan de vereisten om [eiser] aan te wijzen als niet-herleidbare indirect betrokken werknemer. Ten eerste omdat niet blijkt dat [eiser] enige betrokkenheid heeft (gehad) bij de BTAR-concessie, ten tweede omdat niet duidelijk is geworden of de verminderde omzet in relatie staat tot het aantal door Transdev aangewezen indirecte werknemers en tot slot omdat ook onduidelijk is gebleven of de regels voor een bedrijfseconomisch ontslag op de juiste wijze zijn toegepast.
3.11. [eiser] heeft er ook op gewezen dat Transdev al een tijdlang de wens heeft om zijn arbeidsovereenkomst te beëindigen en dat hij daardoor het idee heeft dat Transdev een voorgewende reden heeft gebruikt om hem op de transferlijst te plaatsen. Duidelijk is inderdaad dat Transdev herhaaldelijk aan [eiser] een aanbod heeft gedaan om tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst over te gaan. Of dat hier meespeelt kan de kantonrechter niet beoordelen, maar het had juist gelet op dit standpunt van [eiser] des te meer op de weg van Transdev gelegen om in deze procedure inzichtelijk te maken dat zij [eiser] op objectieve gronden op de transferlijst heeft mogen plaatsen.
Transdev moet de uitvoering van de transferlijst ten opzichte van [eiser] opschorten
3.12. Transdev heeft erop gewezen dat de vordering tot verwijdering van [eiser] van de transferlijst een constitutief karakter heeft daarom niet in kort geding kan worden toegewezen. De kantonrechter gaat ervan uit dat Transdev bedoeld heeft te stellen dat sprake is van een declaratoire vordering en dat is juist. Die vordering kan dus niet worden toegewezen. De vordering van [eiser] om de uitvoering van de transferlijst ten aanzien van hem op te schorten totdat anders zal zijn beslist is wel toewijsbaar. De schorsing van de uitvoering van de transferlijst, brengt namelijk geen definitieve vaststelling van de rechtsverhouding tussen partijen met zich mee. Dat de uitvoering al is gestart, betekent nog niet dat deze niet op goede gronden kan worden geschorst. Als namelijk blijkt dat [eiser] onterecht op de transferlijst is geplaatst door Transdev, is hij (achteraf bezien) ook niet van rechtswege overgegaan naar Arriva.
Transdev moet [eiser] toe laten tot zijn functie en zijn loon doorbetalen
3.13. Ook de vorderingen tot wedertewerkstelling en loondoorbetaling zijn toewijsbaar vanaf de in de beslissing vermelde termijn, omdat door de opschorting van de uitvoering van de transferlijst voorlopig (vanaf de termijn zoals vermeld in de beslissing) ook moet worden uitgegaan van de situatie dat [eiser] niet van rechtswege mee is overgegaan naar Arriva. Daarbij geldt dat deze uitspraak geen invloed heeft op de periode die hieraan vooraf is gegaan. Daarover zal pas een oordeel kunnen worden gegeven in een bodemprocedure.
Transdev heeft tijdens de mondelinge behandeling gevraagd om bij een eventuele wedertewerkstelling geen dwangsommen toe te wijzen, omdat de functie van [eiser] zou zijn vervallen. Dat de functie van [eiser] daadwerkelijk is vervallen en hoe dat proces is verlopen, heeft Transdev niet inzichtelijk gemaakt. Dat komt voor rekening en risico van Transdev. De gevorderde dwangsommen zullen worden toegewezen tot het gevorderde maximumbedrag van € 50.000,00. De dwangsommen per dag worden gematigd tot een bedrag van € 500,00 per dag.
Transdev moet de proceskosten betalen
3.14. Transdev is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

4 De beslissing

De kantonrechter:
4.1. schorst de uitvoering van de transferlijst ten aanzien van [eiser] op totdat anders zal zijn beslist,
4.2. veroordeelt Transdev om [eiser] binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis onvoorwaardelijk in de gelegenheid te stellen om de bedongen arbeid als [functie 4] bij Transdev te verrichten, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor elke dag dat Transdev in gebreke blijft om aan deze veroordeling te voldoen met een maximum van € 50.000,00,
4.3. veroordeelt Transdev om het overeengekomen loon van € 5.488,50 bruto (exclusief vakantietoeslag en emolumenten) per maand te voldoen na de in 4.2 gegeven termijn, totdat anders is beslist dan wel tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd,
4.4. veroordeelt Transdev in de proceskosten van € 1.254,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Transdev niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.J. Schoenaker, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.