Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:974 - Rechtbank Midden-Nederland - 3 maart 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:9743 maart 2026

Uitspraak inhoud

Civiel recht
kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer / rekestnummer: 11994949 \ AE VERZ 25-71 LvdH/1470
Beschikking van 3 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonend in [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het zelfstandig tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. G. Bosch,
tegen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
A-MEUBEL B.V.,
gevestigd in Amersfoort,
verwerende partij,
verzoekende partij in het zelfstandig tegenverzoek,
hierna te noemen: A-Meubel,
gemachtigde: mr. S.B. de Jong.

1 De procedure

1.1. De kantonrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - het verzoekschrift met producties 1 tot en met 12; - het zelfstandig tegenverzoek van A-Meubel; - het verweerschrift met producties 1 tot en met 12 van A-Meubel; - de aanvullende producties 14 tot en met 16 van A-Meubel; - de aanvullende producties 13 en 14 van [verzoeker] .
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 februari 2026. Daarbij is [verzoeker] verschenen, vergezeld van zijn vader en bijgestaan door de gemachtigde. Namens A-Meubel zijn verschenen mevrouw [A] ( [functie 1] ) en de heer [B] ( [functie 2] ). Zij werden bijgestaan door de gemachtigde.
Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Partijen hebben de vragen van de kantonrechter beantwoord en zij hebben op elkaar kunnen reageren.
De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak van [C] tegen A-Meubel (11995037 \ AE VERZ 25-72). Daarom was ook aanwezig de heer [C] , eveneens bijgestaan door mr. Bosch. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3. De kantonrechter heeft de uitspraak bepaald op vandaag.

2 De kern van de zaak

[verzoeker] werkt sinds 27 juni 2025 bij A-Meubel in de functie van [functie 3] . De laatste arbeidsovereenkomst zou van rechtswege eindigen per
28 januari 2026. [verzoeker] is door A-Meubel op 21 oktober 2025 op staande voet ontslagen. [verzoeker] is het met dit ontslag op staande voet niet eens en verzoekt in deze procedure verschillende vergoedingen aan hem toe te kennen, zoals de gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding. A-Meubel verzoekt op haar beurt om [verzoeker] te veroordelen tot betaling van de gefixeerde schadevergoeding.
De kantonrechter is van oordeel dat de verzoeken van [verzoeker] kunnen worden toegewezen, omdat er van een geldig gegeven ontslag op staande voet geen sprake is. Het verzoek van A-Meubel wordt afgewezen. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter tot dat oordeel is gekomen.

3 De beoordeling van het verzoek

in de verzoeken van [verzoeker]
Het ontslag op staande voet
3.1. A-Meubel heeft [verzoeker] op 21 oktober 2025 op staande voet ontslagen. [verzoeker] vraagt in deze procedure geen vernietiging van dat ontslag op staande voet, zodat vaststaat dat er op 21 oktober 2025 een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst tussen partijen.
3.2. Een ontslag op staande voet is rechtsgeldig wanneer er een dringende reden is en de werkgever de arbeidsovereenkomst om die dringende reden onverwijld heeft opgezegd onder onverwijlde mededeling van die dringende reden aan de werknemer.
Dringende reden
3.3. Uit de wet volgt dat als dringende reden beschouwd worden zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
3.4. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij worden ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals de leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor de werknemer zou hebben, betrokken. Ook als zo'n ontslag grote gevolgen heeft voor de werknemer, kan dat ontslag toch gerechtvaardigd zijn, met name vanwege de aard en de ernst van de dringende reden.
3.5. Uit de ontslagbrief van 21 oktober 2025 blijkt dat de door A-Meubel aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden is dat [verzoeker] wordt verdacht van het zich wederrechtelijk toe-eigenen van vier stoelen.
A-Meubel heeft toegelicht dat [verzoeker] , samen met zijn collega [C] , op 15 oktober 2025 een route heeft gereden waarbij hij – onder andere – bij een klant in [plaats] een bank en vier eetkamerstoelen had moeten afleveren, maar deze eetkamerstoelen bij de aflevering niet in de bus bleken te zitten. Na onderzoek van de camerabeelden bleek dat collega [C] die ochtend bij het laden van de bedrijfsbus, zowel de bank als de eetkamerstoelen heeft ingeladen. Volgens A-Meubel kan het dan ook niet anders dan dat [verzoeker] , samen met [C] , de stoelen heeft gestolen of verduisterd. Dit leidt zij ook af uit de omstandigheid dat [verzoeker] en [C] aanvankelijk hebben ontkend dat zij de stoelen hadden ingeladen.
3.6. Als [verzoeker] bij de verdwijning van de eetkamerstoelen betrokken is geweest, zoals A-Meubel stelt, dan rechtvaardigt dat het ontslag op staande voet. Er is dan namelijk sprake geweest van verduistering of diefstal. Niet valt in te zien dat A-Meubel dan zou moeten volstaan met een minder verstrekkende maatregel.
3.7. Door [verzoeker] is echter gemotiveerd weersproken dat hij betrokken is geweest bij de (vermeende) diefstal van de eetkamerstoelen. Ook heeft hij nooit ontkend dat de stoelen waren ingeladen. In de situatie dat de eetkamerstoelen inderdaad in de bedrijfsbus zijn geladen, zijn er volgens [verzoeker] nog andere scenario's denkbaar waarbij de stoelen uit de bus zijn verdwenen. Zo zouden de stoelen uit de bus gehaald kunnen zijn, 's ochtends vlak na het inladen van de bus, omdat [verzoeker] toen nog even naar het toilet is geweest en ook zijn collega op dat moment niet bij de bus aanwezig was. Ook hadden [C] en zijn collega geen sleutel van de achterlaaddeuren. Op de momenten dat goederen worden afgeleverd bij een klant, wordt de bus voor enige tijd onbeheerd achtergelaten door [verzoeker] en zijn collega. Op dat moment zijn de achterlaaddeuren volgens [verzoeker] wel dicht, maar niet op slot. Ook hebben [verzoeker] en zijn collega pauzes genomen, waarbij zij soms beiden de bus hebben verlaten en de bus onbeheerd hebben achtergelaten, waarbij de achterlaaddeuren dus open waren. Zo ook vlak voor de bezorging op het adres van de klant in [plaats] waar de stoelen afgeleverd hadden moeten worden. [verzoeker] en zijn collega zijn toen gestopt bij een [.] bakker en hebben beiden de bus voor enige minuten onbeheerd achtergelaten.
3.8. De kantonrechter is van oordeel dat er alternatieve scenario's mogelijk zijn geweest met betrekking tot de verdwijning van de eetkamerstoelen, die niet allemaal zijn onderzocht. Dat [verzoeker] eerder had gezegd dat de stoelen nooit waren ingeladen, is ook niet gebleken.
Omdat daardoor niet vastgesteld kan worden dat [verzoeker] betrokken is geweest bij de verduistering van de eetkamerstoelen, ontbreekt een dringende reden aan het ontslag op staande voet. De enkele verdenking van diefstal is namelijk niet voldoende voor een dringende reden.
3.9. De conclusie uit het voorgaande is dat een dringende reden voor het ontslag op staande voet ontbreekt. Het ontslag op staande voet is daarom niet rechtsgeldig. De verzochte verklaring voor recht wordt toegewezen. Of is voldaan aan het onverwijldheidsvereiste, hoeft niet meer te worden beoordeeld.
Gefixeerde schadevergoeding
3.10. De verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt.[1]
3.11. Tussen partijen bestaat discussie over de vraag tegen welke datum de arbeidsovereenkomst regelmatig had kunnen worden opgezegd. Volgens [verzoeker] kende de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst niet de mogelijkheid van een tussentijdse opzegging, zodat de arbeidsovereenkomst niet eerder kon eindigen dan per 28 januari 2026.
Dit wordt door A-Meubel gemotiveerd betwist en A-Meubel stelt dat er voor beide partijen een opzegtermijn gold van 1 maand.
3.12. In artikel 3 van de arbeidsovereenkomst tussen partijen is opgenomen dat "de arbeidsovereenkomst kan ten alle tijden wederzijds worden opgezegd". Hoewel wat onhandig geformuleerd, stelt de kantonrechter vast dat met een redelijke uitleg van deze bepaling wordt bedoeld dat er voor zowel A-Meubel als [verzoeker] een tussentijdse opzegmogelijkheid bestond. Dat het, zoals [verzoeker] stelt, bedoeld is om overeen te komen dat met wederzijdse instemming kan worden opgezegd ligt helemaal niet voor de hand, nu dit immers altijd al mogelijk is. Gelet op de korte duur van het dienstverband gaat de kantonrechter er vanuit dat de opzegtermijn van A-Meubel één maand bedroeg. Dit betekent dat een opzegging van de arbeidsovereenkomst op 21 oktober 2025 met inachtneming van een opzegtermijn van één maand, de arbeidsovereenkomst per 1 december 2025 zou zijn geëindigd. De vergoeding waar [verzoeker] nog recht op heeft, komt neer op een bedrag van
€ 4.012,51 bruto (€ 1.316,90 over oktober 2025 en € 2.864,23 over de maand november 2025). Over dit bedrag is de wettelijke rente toewijsbaar vanaf 21 oktober 2025 tot de voldoening.
Transitievergoeding
3.13. [verzoeker] heeft ook verzocht om A-Meubel te veroordelen om een transitievergoeding te betalen. Als een arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt beëindigd, heeft de werknemer van rechtswege aanspraak op de transitievergoeding.[2] Geen transitievergoeding is verschuldigd als het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Daarvan is gelet op het voorgaande in dit geval geen sprake. De kantonrechter zal A-Meubel daarom veroordelen tot betaling van een transitievergoeding. Uitgaande van het tussen partijen overeengekomen loon en een einde van de arbeidsovereenkomst per 21 oktober 2025, is de transitievergoeding toewijsbaar tot een bedrag van € 688,63 bruto. De wettelijke rente over de transitievergoeding wordt toegewezen vanaf 22 november 2025 tot de voldoening.[3]
Billijke vergoeding
3.14. Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is.[4] Daarbij wordt opgemerkt dat als uitgangspunt geldt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.[5]
3.15. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak gezichtspunten geformuleerd.[6] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
3.16. Bij de berekening van de verzochte billijke vergoeding heeft [verzoeker] als uitgangspunt genomen dat de arbeidsovereenkomst ook na 27 januari 2026 nog wel zou zijn verlengd met in ieder geval één jaar. De kantonrechter acht ook aannemelijk dat de tijdelijke arbeidsovereenkomst van [verzoeker] nog zou zijn verlengd door A-Meubel. A-Meubel heeft immers zelf ook gesteld dat [verzoeker] tot zijn ontslag naar tevredenheid functioneerde.
3.17. Hier staat echter tegenover dat [verzoeker] gelet op de huidige arbeidsmarkt op korte termijn een andere baan zal kunnen vinden. Daarbij geldt ook dat [verzoeker] zelf de keuze heeft gemaakt om te berusten in het ontslag. [verzoeker] had er ook voor kunnen kiezen om in dienst te blijven bij A-meubel.
3.18. Gelet op deze omstandigheden acht de kantonrechter een billijke vergoeding van
€ 2.500,00 passend. Met toekenning van dit bedrag wordt [verzoeker] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen van A-Meubel.
3.19. A-Meubel B.V. zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 2.500,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Achterstallig loon
3.20. Namens [verzoeker] is aangevoerd dat hij vanaf 18 oktober 2025 tot het moment van het ontslag op staande voet, 21 oktober 2025, geen loon heeft ontvangen. Dit is door A-Meubel niet betwist. Volgens A-Meubel had [verzoeker] over deze dagen ook geen recht op loon, omdat 18 oktober 2025 op een zaterdag viel en [verzoeker] voor die dag niet was ingeroosterd. Dat standpunt is niet juist. [verzoeker] werkte sinds zijn indiensttreding wekelijks minimaal 40 uren en van een oproepovereenkomst was daarom in feite geen sprake. Over deze drie dagen heeft [verzoeker] dan ook nog recht op zijn gebruikelijke loon. Namens [verzoeker] is dit bedrag berekend op € 426,37 bruto. De hoogte van dit bedrag is door A-Meubel niet betwist, zodat de kantonrechter uitgaat van de juistheid hiervan. Dit onderdeel van het verzoek van [verzoeker] wordt toegewezen.
3.21. A-Meubel heeft over het loon over de maand oktober een bedrag van € 1.000, - netto ingehouden als schadevergoeding voor de verdwenen eetkamerstoelen. Hiervoor is geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] betrokken is geweest bij de diefstal/verduistering van deze stoelen, zodat de inhouding van € 1.000, - ten onrechte is geweest. Het verzoek van [verzoeker] tot betaling aan hem door A-Meubel van het bruto equivalent van het bedrag van € 1.000, - netto wordt daarom toegewezen.
3.22. Over deze beide bedragen zal de wettelijke verhoging worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding deze te matigen. Ook de verzochte wettelijke rente zal worden toegewezen.
3.23. [verzoeker] heeft ook nog verzocht aan hem de vakantiebijslag uit te betalen, maar dit onderdeel van het verzoek wordt afgewezen, omdat uit de eindafrekening blijkt dat [verzoeker] al een bedrag aan opgebouwde vakantiebijslag uitbetaald heeft gekregen.
Proceskosten
3.24. De proceskosten komen voor rekening van A-Meubel, omdat A-Meubel B.V. overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.099,00 (€ 90,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
in het zelfstandig tegenverzoek van A-Meubel
3.25. In het tegenverzoek heeft A-Meubel verzocht [verzoeker] te veroordelen tot het betalen van een gefixeerde schadevergoeding aan A-Meubel van € 6.630,62 bruto. Dit verzoek wordt afgewezen, nu hiervoor immers is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven.
Proceskosten
3.26. A-Meubel wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. In het tegenverzoek worden de proceskosten vanwege de verwevenheid met de verzoeken van [verzoeker] begroot op nihil.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.27. De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad, zoals [verzoeker] heeft verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4 De beslissing

De kantonrechter:
in de verzoeken van [verzoeker]
4.1. verklaart voor recht dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is gegeven;
4.2. veroordeelt A-Meubel om aan [verzoeker] te betalen: - € 4.012,51 bruto aan gefixeerde schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 21 oktober 2025 tot de voldoening; - € 688,63 bruto aan transitievergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 november 2025 tot de voldoening; - € 2.500,00 bruto aan billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling; - € 426,37 bruto aan achterstallig loon over de periode van 18 oktober 2025 tot 21 oktober 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot het moment van voldoening; - het bruto equivalent van € 1.000,00 netto, te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot het moment van voldoening;
4.3. veroordeelt A-Meubel in de proceskosten van € 1.099,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als A-Meubel niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
4.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.5. wijst af het meer of anders verzochte;
in het zelfstandig tegenverzoek
4.6. wijst het verzoek af;
4.7. veroordeelt A-Meubel in de proceskosten van [verzoeker] , tot op heden begroot op nihil.
Deze beschikking is gegeven door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.
Artikel 7:672 lid 11 BW.
Artikel 7:673 lid 1 BW.
Artikel 7:686a lid 1 BW.
Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.
Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle). - - - ## Voetnoten
Artikel 7:672 lid 11 BW.
Artikel 7:673 lid 1 BW.
Artikel 7:686a lid 1 BW.
Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.
Kamerstukken I, 2013-2014, 33 818, nr. C, pag. 99 en 113.
Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (New Hairstyle).