Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:964 - Rechtbank Midden-Nederland - 13 maart 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:96413 maart 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6680

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.D. Rijs),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. drs. H. van Gellekom).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
[belanghebbende 1]en[belanghebbende 2], uit [plaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. P.J. Gijsbertsen).

Inleiding

1.1. Deze procedure is begonnen met een verzoek van eiser van 24 januari 2024 aan het college om handhavend op te treden zodat het pand aan de [adres 1] (het pand) in een staat wordt gebracht die in overeenstemming is met de eisen over wering van vocht die staan in de artikelen 3.63 en 3.64 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Belanghebbende is eigenaar van het pand. Eiser is eigenaar van het naastgelegen pand [adres 2] . Volgens eiser was sprake van de volgende gebreken voor wat betreft de uitwendige toestand van het pand:
 het houtwerk van de kozijnen in de achtergevel zijn doorgerot;
 ruiten zijn los geraakt in de houten raamkozijnen;
 het pleisterwerk van de achtergevel laat op steeds meer plaatsen los en valt er vanaf;
 barst in één van de ruiten in het glazen dak van de uitbouw;
 de vergaarbak waarin het hemelwater uit de dakgoot stroomt is aangepast en de
regenpijp is los gekomen.
1.2. Naar aanleiding van dit verzoek heeft de toezichthouder van het college op 18 april 2024 een controle van het pand uitgevoerd. De toezichthouder heeft hierbij het pand, in het bijzijn van twee collega-juristen, van binnen bezocht. De bevindingen van de toezichthouder zijn opgenomen in de 'Rapportage van bevindingen' van 23 april 2024. Op 28 mei 2024 heeft dezelfde toezichthouder vanaf de openbare weg het pand en het pand van eiser geïnspecteerd. In de 'Rapportage van bevindingen' van deze controle staat de bevinding dat een regenpijp en vergaarbak zijn teruggeplaatst.
1.3. Met het besluit van 4 juni 2024 heeft het college het handhavingsverzoek van eiser afgewezen. Eiser was het niet eens met deze afwijzing en heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van 17 september 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen dit besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 19 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, vergezeld door [A] , belanghebbende [belanghebbende 1] en de gemachtigde van belanghebbende.

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk?
  1. In het verweerschrift en op de zitting heeft het college aangevoerd dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn, omdat het beroepschrift geen gronden zou bevatten. Daar is de rechtbank het niet mee eens. Eiser heeft in de brief van 26 november 2024 aangegeven waarom hij het niet eens is met het bestreden besluit en dus bevat het beroepschrift gronden. Dat het beroepschrift slechts één grond die als summier kan worden aangeduid bevat, maakt dit oordeel niet anders.
  1. De rechtbank volgt ook niet het standpunt van belanghebbende dat eiser bij het indienen van het handhavingsverzoek en daarmee ook in deze procedure misbruik van recht maakt. De rechtbank kan op zichzelf begrip opbrengen voor het ongenoegen van belanghebbende omdat het pand van eiser ten tijde van zijn verzoek ook evident in strijd was met de desbetreffende eisen uit de bouwregelgeving. Onderstaande foto laat zien dat de complete achtergevel van het pand van eiser ontbrak en regen, sneeuw en hagel dus vrij spel hadden op de verblijfsruimten in het pand van eiser. Afgevraagd kan dus worden waarom eiser zich zorgen maakte over het binnendringen van vocht in het naastgelegen pand.
Dat maakt naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet dat gesteld kan worden dat het verzoek van eiser geen enkel redelijk doel dient of anderszins onaanvaardbaar moet worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ook niet om die reden niet-ontvankelijk.
  1. De rechtbank acht het beroep van eiser ontvankelijk.
Wat is het geschil?
  1. Eiser voert aan dat het door het college uitgevoerde onderzoek, zoals dat blijkt uit de rapportages van bevindingen, te beperkt en inhoudelijk onjuist is. Op de zitting heeft eiser toegelicht dat de visuele beoordelingen door de toezichthouder onvoldoende zijn om te kunnen vaststellen of wordt voldaan aan de eisen uit de artikelen 3.63 en 3.64 van het Bbl. Hiervoor had het college de beregeningsproef zoals deze is opgenomen in de NEN 2778 moeten toepassen. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 20 januari 2021.[1] De inschatting van eiser is dat het college niet beschikt over de middelen die nodig zijn om deze bepalingsmethode uit te voeren. Als deze inschatting juist is, had het college hiervoor een onafhankelijk deskundige moeten inschakelen.
  1. Het college heeft in het verweerschrift en op de zitting aangevoerd dat de normen uit het Bbl waar eiser zich op beroept niet strekken tot bescherming van zijn belangen. Daarom kan de rechtbank het bestreden besluit volgens het college niet vernietigen op de grond dat het besluit met deze regels in strijd is. Dit volgt uit het relativiteitsvereiste.[2] Volgens het college hoeft de rechtbank het beroep van eiser daarom niet inhoudelijk te beoordelen.
Staat het relativiteitsvereiste in de weg aan vernietiging van het bestreden besluit?
  1. Op grond van het relativiteitsvereiste kan eiser geen succesvol beroep doen op een rechtsregel als die niet is geschreven om zijn belangen te beschermen.
  1. De rechtbank stelt vast dat de artikelen 3.63 en 3.64 van het Bbl waar eiser zich op beroept, zijn opgenomen in afdeling 3.3 van het Bbl. Deze afdeling gaat over gezondheid. Volgens de Nota van Toelichting op het Bbl[3] kunnen zich in een vochtige omgeving stoffen en organismen ontwikkelen met een voor de gezondheid schadelijke werking, de zogenoemde allergenen. Daarom moet een bouwwerk met een woonfunctie scheidingsconstructies hebben die de vorming van allergenen door vocht in verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten voldoende beperken. Het doel van artikel 3.64 van het Bbl is te voorkomen dat er in gebouwen vochtoverlast optreedt door regen, sneeuw, hagel, grondwater of oppervlaktewater. Dit artikel stelt daarom eisen aan de waterdichtheid van scheidingsconstructies van verblijfsgebieden, toiletruimten en badruimten. De uitwendige scheidingsconstructies van een verblijfsgebied, een toiletruimte en een badruimte moeten waterdicht zijn. Dit betekent dat het dak en de gevels regen, sneeuw en hagel moeten kunnen weren en een op staal gefundeerde vloer moet grondwater kunnen keren. Dit is ook van toepassing voor de scheidingsconstructie met een kruipruimte. Ook moet de scheidingswand tussen bijvoorbeeld een fabriekshal, een schuurtje of een carport en een aangrenzend bouwwerk met een woonfunctie waterdicht zijn, aldus de Nota van Toelichting.
  1. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit deze toelichting dat de normen uit de artikelen 3.63 en 3.64 van het Bbl primair strekken tot bescherming van de gezondheid van de gebruikers van de verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten binnen de desbetreffende scheidingsconstructies die waterdicht moeten zijn. Eiser is geen gebruiker van de verblijfsruimten, toiletruimten en badruimten binnen de scheidingsconstructies van het pand. Dat is belanghebbende.
  1. Desalniettemin kan eiser zich naar het oordeel van de rechtbank toch op deze bepalingen beroepen. Artikel 3.64 of andere bepalingen van het Bbl regelen namelijk niet dat een inwendige scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, een toiletruimte of een badruimte, die grenst aan een andere verblijfsruimte, een andere toiletruimte of een andere badruimte, waterdicht moet zijn. Dat betekent dat een scheidingswand tussen twee aaneengebouwde woningen die aan beide kanten grenst aan een verblijfsruimte (toiletruimte of badruimte), niet waterdicht hoeft te zijn. Als er via een uitwendige scheidingsconstructie water binnendringt in de ene verblijfsruimte, kan dat dus via een (niet waterdichte) woningscheidende wand ook binnendringen in een aangrenzende verblijfsruimte bij de buren. Een waterdichte buitengevel is dus ook in het belang van een aangrenzende woning. Net zo goed als dat een waterdicht dak op een appartementengebouw, ook van belang is voor ondergelegen appartementen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat het feit dat het pand van eiser zelf ook in strijd is met de bepalingen waar hij zich op beroept, er ook niet toe leidt dat het relativiteitsbeginsel hem kan worden tegengeworpen. Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank het relativiteitsvereiste niet aan eiser tegenwerpen en in het navolgende zijn beroepsgrond inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling van de beroepsgrond
  1. De rechtbank is met het college van oordeel dat in dit geval niet de bepalingsmethode uit de NEN 2778 hoefde te worden toegepast om voldoende overtuigend vast te stellen dat in dit geval geen sprake was van een overtreding.
  1. Naar het oordeel van de rechtbank is in de uitspraak van de Afdeling waarnaar eiser verwijst sprake van een andere situatie dan hier het geval is. In die uitspraak gaat het over een situatie waarin verschillende visuele controles hebben plaatsgevonden en waarin het college, hoewel tijdens al die controles geen lekkage is vastgesteld (en er dus geen overtreding was vastgesteld) toch is overgegaan tot handhavend optreden. Volgens de Afdeling volgde uit de enkele visuele waarneming dat ergens een dakpan ontbrak niet onmiskenbaar dat niet aan artikel 3.25 van het Bouwbesluit werd voldaan. Om dan alsnog te kunnen vaststellen dat sprake is van een overtreding, op grond waarvan het college bevoegd was om over te gaan tot handhavend optreden, had het college volgens de Afdeling de bepalingsmethode uit NEN 2778 moeten toepassen, of, als deze praktisch niet uitvoerbaar is, een andere bepalingsmethode moeten toepassen waarmee onmiskenbaar had kunnen worden vastgesteld dat niet aan artikel 3.25 van het Bouwbesluit werd voldaan (vergelijk 5.1 van de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2015.[4]
  1. In de voorliggende zaak gaat het om de omgekeerde situatie, waarin bij visuele controles geen overtreding is vastgesteld en om die reden juist niet tot handhaving is overgegaan. De rechtbank heeft er kennis van genomen dat de Afdeling in een recente uitspraak van 28 januari 2026[5] ook voor het vaststellen dat geen sprake is van een overtreding, het uitgangspunt heeft gehanteerd dat de door het Bbl voorgeschreven bepalingsmethode wordt toegepast. Onder verwijzing naar de door eiser aangehaalde uitspraak van 20 januari 2021, overweegt de Afdeling in deze uitspraak dat een andere bepalingsmethode kan worden toegepast, als de voorgeschreven bepalingsmethode praktisch niet uitvoerbaar is. Omdat tijdens de zitting in die zaak verweerder desgevraagd geantwoord had niet te weten of de bepalingsmethode uit NEN 2778 praktisch niet uitvoerbaar was, oordeelde de Afdeling – ondanks dat in die zaak ook met een vochtmeter geen vocht was gemeten – dat niet aannemelijk was gemaakt dat het praktisch onuitvoerbaar was om de waterdichtheid van de vloer conform NEN 2778 te bepalen.
  1. In algemene zin overweegt de rechtbank dat aan een besluit om handhavend op te treden een zorgvuldige vaststelling van feiten ten grondslag moet worden gelegd. De rechtbank kan in dat verband dan ook het oordeel van de Afdeling in de genoemde uitspraken volgen dat in een situatie waarin het in geschil is of sprake is van een overtreding van bepalingen in het Bbl, voor de vaststelling daarvan in beginsel de voorgeschreven bepalingsmethode moet worden toegepast. De rechtbank overweegt dat sommige door het Bbl voorgeschreven NEN-normen eenvoudig met behulp van een praktijkmeting (bijvoorbeeld met de rolmaat) op bestaande bouwwerken zijn uit te voeren. Veel voorgeschreven NEN-normen bevatten echter bepalingsmethoden die bij bestaande bouwwerken niet zonder meer praktisch toepasbaar zijn, bijvoorbeeld omdat de bepalingsmethode is toegesneden op de ontwerpfase. Om die reden zal door bestuursorganen geregeld gezocht moeten worden naar andere methoden waarmee wordt vastgesteld of er sprake is van een overtreding. Dat zal vooral aan de orde zijn bij bepalingsmethoden die technische rekenmethoden voorschrijven en afhankelijk zijn van inputgegevens die berusten op aannames van de werkelijkheid, bepalingsmethoden die alleen in een laboratoriumopstelling kunnen worden uitgevoerd of bepalingsmethoden die voor hun praktische toepassing bewerkelijk en kostbaar zijn. De NEN-bepalingsmethoden zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook in het bijzonder bedoeld om werkelijk op het scherpst van de snede en op een wetenschappelijk verantwoorde wijze onomstotelijk vast te stellen dat aan de grenswaarde in een prestatie-eis wordt voldaan.[6]
  1. In zaak die nu aan de rechtbank ter beoordeling voorligt, heeft de rechtbank geen nadere toelichting nodig om vast te kunnen stellen dat de bepalingsmethode uit NEN 2778 in dit geval praktisch niet goed uitvoerbaar is. Deze bepalingsmethode vergt onder meer het plaatsen van steigers of een hoogwerker, de inzet van een gekalibreerd beregeningstoestel, ventilatoren voor luchtstroom en onderdruk en verschillende meetapparatuur. De rechtbank kan volgen dat het college in deze situatie zijn besluit heeft gebaseerd visuele waarnemingen van de toezichthouder. Deze heeft visueel kunnen vaststellen hoe ernstig de houtrot was, dat er geen ruiten los zaten, alleen een barst aanwezig was in een binnenruit en het om sierpleister ging zonder waterkerende functie. Daarbij neemt de rechtbank in dit geval mede in aanmerking dat zij de conclusie van de toezichthouder op basis van zijn bevindingen kan volgen dat de aanwezige sporen van lekkage, schimmels en vocht in de woning van belanghebbende (en ook van eiser) zonder twijfel zijn terug te leiden naar het langdurig ontbreken van de achtergevel in het pand van eiser en het ontbreken van het juist afvoeren van (regen)water middels een dak, dakgoten en hemelwaterafvoersysteem. Dit kan zij mede op basis van de in de rapportage van bevindingen van 23 april 2024 opgenomen foto van de ontbrekende achtergevel van het pand van eiser, hierboven opgenomen onder 3. Daarmee is aannemelijk geworden dat geen sprake was van de door eiser in zijn verzoek om handhaving gestelde gebreken aan het pand, behalve dan het ontbreken van de vergaarbak en de regenpijp. Maar dat gebrek is door belanghebbende hersteld voor het moment waarop het college het bestreden besluit heeft genomen. De rechtbank betrekt in zijn oordeel ook dat de toepassing van de bepalingsmethode uit NEN 2778 onder de omstandigheid van de ontbrekende achtergevel in het pand van eiser, alleen maar tot extra doorslag van vocht zou hebben geleid in het pand van belanghebbende.
  1. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond van eiser dat het door het college uitgevoerde onderzoek onzorgvuldig is geweest, omdat hij daarbij niet de bepalingsmethode uit de NEN 2778 heeft toegepast niet slaagt.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van het handhavingsverzoek in stand blijft.
  1. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van
mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2026.
De griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2021:101.
Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht.
Staatsblad 2018, 291.
ECLI:NL:RVS:2015:817.
ECLI:NL:RVS:2026:488.
De rechtbank verwijst in dit verband naar Kamerstukken II 2004/2005, 29 392, nr. 9, pagina 13. - - - ## Voetnoten
ECLI:NL:RVS:2021:101.
Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht.
Staatsblad 2018, 291.
ECLI:NL:RVS:2015:817.
ECLI:NL:RVS:2026:488.
De rechtbank verwijst in dit verband naar Kamerstukken II 2004/2005, 29 392, nr. 9, pagina 13.