Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:963 - Rechtbank Midden-Nederland - 11 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:963•11 maart 2026
Uitspraak inhoud
Familie - en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/608326 / JL RK 26-165
Datum uitspraak: 11 maart 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
locatie Lelystad, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige],
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. H. de Jong,
[vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] ,
REGIECENTRUM BESCHERMING EN VEILIGHEID,
locatie Friesland, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
1 Het verloop van de procedure
Het procesverloop bestaat uit het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 11 maart 2026. De kinderrechter heeft kort na kennisname van het verzoek in een telefonisch gesprek met de Raad uitspraak gedaan. De kinderrechter heeft op het verzoek beslist zonder de belanghebbenden te horen.
2 De feiten
2.1. De kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland heeft bij beschikking van 12 december 2025 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 12 maart 2026.
2.2. De kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland heeft bij beschikking van 22 december 2025 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg tot 12 maart 2026.
3 Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4 De beoordeling
4.1. [minderjarige] is door de kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland voorlopig onder toezicht gesteld van de GI tot 12 maart 2026. Ook heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin verleend tot 12 maart 2026. De Raad heeft voor afloop van deze maatregelen een verzoek tot ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland. Dit verzoek is op 11 maart 2026 ter zitting behandeld door de kinderrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden. De Raad heeft de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland later die dag telefonisch laten weten dat tijdens de zitting in Leeuwarden de behandelend kinderrechter zich onbevoegd heeft verklaard om op de verzoeken van de Raad te beslissen, omdat de moeder in [woonplaats] woont en daarom de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad bevoegd is. De Raad heeft daarbij de kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland verzocht om met spoed op de verzoeken te beslissen. De kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft het verzoek van de Raad niet vóór afloop van de voorlopige ondertoezichtstelling en de huidige machtiging tot uithuisplaatsing ter zitting, dus diezelfde dag nog op 11 maart 2026, op zitting kunnen behandelen. De kinderrechter van de rechtbank Midden-Nederland heeft bij wijze van spoedprocedure op het verzoek beslist, zonder eerst de ouders of de GI te horen. De kinderrechter is namelijk van oordeel dat nu meteen al een beslissing over [minderjarige] nodig is en dat niet kan worden gewacht op een zitting. De kinderrechter zal hierna uitleggen welke beslissingen zijn genomen en waarom.
4.2. Op basis van de informatie die de kinderrechter van de Raad heeft ontvangen, is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.[1] De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht van de GI tot 25 maart 2026, de rest van het verzoek houdt de kinderrechter aan. Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.[2] De kinderrechter verleent daarom ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg tot 25 maart 2026 en houdt de rest van het verzoek aan. Voordat deze periode afloopt, moeten de ouders op een zitting de gelegenheid krijgen hun standpunten naar voren te brengen. Dan ook pas zal er worden beslist over het resterende deel van de verzoeken.
4.3. De Raad geeft in zijn rapport aan dat [minderjarige] een kwetsbare baby is die een veilige en voorspelbare leefomgeving nodig heeft. De Raad en de GI zijn al betrokken bij de vier oudere kinderen van de moeder en maken zich zorgen over de draagkracht en opvoedvaardigheden van de ouders. Ook de gebeurtenissen rondom de geboorte van [minderjarige] en kort daarna maken dat er zorgen zijn of de ouders in staat zijn om in het belang van [minderjarige] te handelen. Zo heeft de moeder geen openheid gegeven over haar uitgerekende datum, de prenatale zorg en haar erfelijke bloedziekte. Ook heeft de moeder geen toestemming gegeven voor controles bij het consultatiebureau, terwijl deze controles juist voor [minderjarige] belangrijk zijn omdat hij prematuur (33 weken en 6 dagen) is geboren. De ouders hebben hulpverlening nodig, maar lijken hier niet of onvoldoende aan te willen meewerken. Hoewel de moeder aangeeft dat zij openstaat voor hulp, bagatelliseert zij de zorgen en houdt zij hulpverlening af. Volgens de moeder heeft zij wel meegewerkt aan de ambulante hulp van WiC en ASH, maar volgens de GI zijn de mogelijkheden voor ambulante hulpverlening inmiddels uitgeput. De vader staat niet open voor hulp en wil ook geen contact met de Raad of de GI. Er is weinig steun uit het netwerk om ervoor te zorgen dat de medische afspraken structureel worden nagekomen. De ouders geven aan dat zij liefdevolle ouders zijn en dat zij in [woonplaats] zijn gaan wonen om [minderjarige] een stabiele en rustige thuissituatie te bieden. Omdat de vader het contact met de Raad en de hulpverlening afhoudt, blijft er onduidelijkheid bestaan over de woon - en leefsituatie van de ouders. Daardoor kunnen de bestaande zorgen, onder andere over huiselijk geweld en de emotieregulatie van de vader, niet worden verhelderd of weggenomen. [minderjarige] is een baby die volledig afhankelijk is van de verzorging en opvoeding van anderen en heeft daarom een veilige en stabiele leefomgeving nodig.
4.4. [minderjarige] is tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling op een voor de ouders onbekende plek in het pleeggezin geplaatst waar ook zijn broertje [A] van 2 jaar en zijn zusje [B] van 1 jaar zijn geplaatst. Het pleeggezin biedt [minderjarige] op dit moment rust en voorspelbaarheid en zorgt ervoor dat hij de medische zorg krijgt die hij nodig heeft. In januari 2025 zijn de ouders na het afgeven van een (spoed)machtiging uithuisplaatsing voor [A] en [B] met hen gevlucht. De moeder heeft de Raad laten weten dat zij [minderjarige] zonder kinderbeschermingsmaatregel niet in het pleeggezin zal laten blijven. Omdat [minderjarige] medische zorg nodig heeft, de ouders bij een eerdere machtiging voor [A] en [B] zijn gevlucht en [minderjarige] nu samen met zijn broertje en zusje in hetzelfde pleeggezin is waar hij de medische zorg krijgt die nodig is, is de kinderrechter van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht om van de ouders zelf te horen wat zij van de verzoeken van de Raad vinden. Omdat de kinderrechter vanwege deze spoedsituatie de ouders niet heeft kunnen horen, beslist de kinderrechter voor de duur van twee weken. De ouders en de GI worden op de hierna vermelde zitting in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken. Ook zal tijdens die zitting het resterende deel van de verzoeken van de Raad worden behandeld.
4.5. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.[3]
4.6. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5 De beslissing
De kinderrechter:
5.1. stelt [minderjarige] onder toezicht van Regiecentrum Bescherming en Veiligheid met ingang van 11 maart 2026 tot 25 maart 2026;
5.2. verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 11 maart 2026 tot 25 maart 2026;
5.3. houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan en roept de Raad, de GI, de vader en de moeder op te verschijnen tijdens de zitting van mr. J.M. Atema van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, in het gerechtsgebouw aan Stationsplein 15 te Lelystad, 20 maart 2026 om 09.00 uur om nader op de verzoeken te worden gehoord;
5.4. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
Artikel 1:255 BW.
Artikel 1:265b, eerste lid, BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters. - - - ## Voetnoten