Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:950 - Rechtbank Midden-Nederland - 4 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:950•4 maart 2026
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2041, UTR 25/2045
(gemachtigde: mr. B. Oudenaarden),
eiseres 1,
(gemachtigde: G.C. Slot),
eiseres 2,
hierna samen te noemen: eisers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrechtse Heuvelrug, verweerder,
(gemachtigde: E.T.E. Kemperman),
Als derde-partij neemt aan beide zaken deel: [vergunninghouder] , uit [plaats] , vergunninghouder.
- Deze uitspraak gaat over de beroepen tegen het besluit van het college van 27 januari 2025 waarin het college een omgevingsvergunning heeft verleend voor de verbouwing en functiewijziging van drie Rijksmonumentale gebouwen op het adres [adres] te [plaats] (het adres). Eisers zijn het niet eens met de verleende vergunning. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Het college voert aan dat eisers niet aangemerkt kunnen worden als belanghebbende, zodat hun beroepen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. De rechtbank beoordeelt de beroepen aan de hand van hetgeen partijen hebben aangevoerd.
Procesverloop
- Vergunninghouder is erfpachter van het perceel op het adres. Hij heeft op 8 juli 2020 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het verbouwen en wijzigen van het gebruik van de monumentale hooiberg in een recreatieverblijf op het adres. Hij heeft de aanvraag op 21 juni 2022 aangevuld, waardoor uiteindelijk een omgevingsvergunning is aangevraagd voor het verbouwen en wijzigen van het gebruik van de monumentale hooiberg, varkensschuur en schaapskooi in drie recreatieverblijven op het adres. Hierbij wordt gehandeld in strijd met het bestemmingsplan. De aanvraag is voorbereid met toepassing van de uitgebreide voorbereidingsprocedure.
[1] Op 7 november 2022 heeft de gemeenteraad een ontwerp verklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven die samen met het ontwerpbesluit van 17 november 2022 op 18 november 2022 is gepubliceerd.
2.1 Eiseres 1 is een onder de Natuurschoonwet gerangschikt landgoed van ongeveer 30 hectare. Haar gronden liggen op korte afstand van het adres. Zij heeft zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbesluit. Eiseres 2 zet zich in om het erfgoed en de natuur op de Utrechtse Heuvelrug te behouden, beschermen en versterken en dan met name het gebied tussen Maarn, Maarsbergen, Leersum en Doorn. Het adres ligt binnen dit gebied. Zij heeft géén zienswijzen ingediend tegen het ontwerpbesluit.
2.2 De nota van zienswijzen van 21 mei 2024 heeft ertoe geleid dat het ontwerp beluit is aangepast, in die zin dat een aantal bijlagen zijn toegevoegd aan de nota van zienswijzen en dat de activiteit 'wijzigen Rijksmonument[2] is toegevoegd. Het college heeft met het besluit van 27 januari 2025 (het bestreden besluit) aan de vergunninghouder de gevraagde vergunning verleend.
2.3 Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en hun beroepsgronden aangevuld. Het college heeft een verweerschrift en aanvullend verweerschrift ingediend. De vergunninghouder heeft een zienswijze ingediend. Eisers hebben gereageerd op het verweerschrift en de zienswijze.
2.4 De rechtbank heeft het beroep op 23 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de vertegenwoordigers van eisers, hun gemachtigden, de gemachtigde van het college, vergezeld door G. Veenstra en vergunninghouder.
Beoordeling door de rechtbank
Grondslag besluit
- Het college heeft aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend, zodat vergunninghouder de Rijksmonumentale schaapskooi, varkensschuur en hooiberg op het adres kan verbouwen en elk in gebruik kan nemen als recreatieverblijf.
[3] Volgens het college is het project in strijd met de planregels.[4] De vergunning kan toch worden verleend, omdat het project past in de stedenbouwkundige visie van het college, oftewel de goede ruimtelijke ordening. Het project leidt namelijk niet tot onevenredige nadelige effecten of hinder voor de omwonenden. Parkeren vindt plaats op (gedeeltelijk) eigen terrein en er is geen sprake van strijdigheden met de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Uit de ruimtelijke onderbouwing bij de aanvraag volgt dat het bouwplan vanuit stedenbouwkundig oogpunt uitvoerbaar is. Daarnaast is beargumenteerd dat het plan niet in strijd is met relevante wet - en regelgeving (o.a. provinciaal en gemeentelijk beleid). De provincie heeft geen bedenkingen ingediend tegen de functiewijziging. Tenslotte toont de ruimtelijke onderbouwing aan dat er vanuit oogpunt van milieu, archeologie en cultuurhistorie, natuur en landschap, water en economische uitvoerbaarheid geen belemmeringen aanwezig zijn op grond waarvan de realisatie van het project op bezwaren stuit. In dit kader kan het project vanuit stedenbouwkundig en planologisch oogpunt als aanvaardbaar worden beschouwd. De gemeente heeft op 16 december 2024 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.
Wabo of omgevingswet?
- Op 1 januari 2024 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat de aanvraag om de omgevingsvergunning vóór die datum is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing.
[5] Regels uit het bestemmingsplan
- Het perceel ligt binnen het bestemmingsplan "buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen" en heeft hierin de enkelbestemming "Wonen-B1 Vrijstaand" en de dubbelbestemmingen "Waarde-Archeologie4" en "Waarde-ecologie". Daarnaast ligt er de gebiedsaanduiding "milieuzone infiltratiegebied" en ter plaatste van de schaapskooi de gebiedsaanduiding "overige zone-tabaksschuur en schaapskooi". Volgens de planregels
[6] is de grond bestemd voor "wonen, al dan niet in combinatie met de uitoefening van een beroep - en of bedrijf aan huis;". Een recreatie bestemming valt hier niet onder,[7] maar onder voorwaarden is een bed & breakfast wel toegestaan.[8] Volgens de planregels[9] zijn de voor "Waarde-ecologie" aangewezen gronden mede bestemd voor de instandhouding van landschaps - en natuurwaarden met daarbij horend de voorzieningen ten behoeve van flora en fauna, zoals faunapassages. Ten aanzien van de "overige zone-tabaksschuur en schaapskooi" geldt dat deze is aangewezen voor een als cultuurhistorisch waardevol gebouw te behouden voormalige tabaksschuur of schaapskooi.
Toetsingskader
- Het college beslist op de ingediende aanvraag. Hierbij heeft het college beleidsruimte bij zijn besluitvorming. Dat betekent dat het college de keuze heeft om wel of niet gebruik te maken van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. Het college kijkt hierbij naar wat maximaal mogelijk is volgens de planregels die gelden voor het betreffende perceel. De rechtbank toetst of het college, bij een afweging van de betrokken belangen, in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
Beoordeling van de beroepsgronden
Ontvankelijkheid van de beroepen
- Het college heeft aangevoerd dat eisers geen belanghebbenden zijn, waardoor hun beroepen niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. De mogelijke ruimtelijke impact voor eisers van de verbouwingen en de verandering van gebruik op het adres is nihil. Zeker gezien de aanwezige provinciale weg N226 die voor het perceel langsloopt en rijksweg A12 die op slechts enkele honderden meters verwijderd is. Daarom moeten de beroepen niet-ontvankelijk verklaard worden.
7.1 Anders dan het college heeft beargumenteerd, komt de rechtbank tot het oordeel dat eisers beiden als belanghebbende kunnen worden aangemerkt in deze procedure, hun beroepen zijn dus ontvankelijk. De 'varkens in nood' uitspraak[10] werkt twee kanten op. Enerzijds kan namelijk aan een partij niet worden tegengeworpen dat hij geen belanghebbende is als hij een zienswijze heeft ingediend. Eiseres 1 heeft een zienswijze ingediend, zodat zij daarom in deze beroepsprocedure ontvangen kan worden. Anderzijds kan een belanghebbende in een procedure bij de rechtbank niet worden tegengeworpen dat hij geen zienswijze heeft ingediend. Eiseres 2 heeft geen zienswijze ingediend, maar gelet op de statuten en feitelijke werkzaamheden van eiseres 2 heeft zij voldoende aannemelijk gemaakt dat zij zich inzet voor het behoud van het landschap en de schoonheid en structuur van dit specifieke gebied. Hierdoor kan ook zij als belanghebbende worden aangemerkt, zodat de rechtbank aan de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden toekomt.
Onzorgvuldige besluitvorming
- Eisers voeren aan dat met het bestreden besluit ten onrechte is afgeweken van de aanvraag van 8 juli 2020. Die aanvraag had namelijk alleen betrekking op de hooiberg en in het bestreden besluit is een vergunning verleend die ziet op de hooiberg, varkensschuur en schaapskooi. Het college had bij de beoordeling van de aanvraag verder uit moeten gaan van de niet-illegale situatie zoals gold vóór de illegale verbouwing van de varkensschuur en schaapskooi. Bovendien heeft de procedure te lang geduurd waardoor het onoverzichtelijk is geworden. Verder heeft de Raad bij het besluit omtrent de vvgb geen eigen afweging gemaakt, maar is de Raad afgegaan op de stukken die door aanvrager of het college zijn ingediend of opgesteld. Het raadsbesluit is daarmee onzorgvuldig voorbereid en niet of in ieder geval onvoldoende gemotiveerd. Tot slot is niet duidelijk op basis van welke aanvullende informatie de Rijksdienst cultureel erfgoed (RCE) uiteindelijk tot een positief advies is gekomen.
8.1 De rechtbank stelt vast dat de eerste aanvraag is ingediend op 8 juli 2020 en dat deze aanvraag is onderbouwd met de ruimtelijke onderbouwing van 2 juli 2020. Deze aanvraag zag toen enkel op de hooiberg. De aanvraag is aangevuld op 21 juni 2022 en deze aanvraag zag vervolgens op de varkensschuur, de hooiberg en de schaapskooi. Bij deze aanvulling is de ruimtelijke onderbouwing van 20 april 2022 gevoegd. Deze laatste ruimtelijke onderbouwing is gepubliceerd. De aanvrager bepaalt de (omvang van de) aanvraag en het college moet beslissen op die aanvraag Het besluit op die aanvraag vormt het startpunt van de rechterlijke toetsing. De al dan niet illegale situatie van vóór deze aanvraag valt buiten de omvang van dit geding. De rechtbank verwijst hierbij naar het toetsingskader zoals dit is weergegeven onder punt 6. De aanvraag is aangevuld vóórdat een ontwerpbesluit en ontwerp-vvgb ter inzage zijn gelegd. Op basis van die stukken maakt de Raad een eigen afweging, waarna wel of geen vvgb wordt afgegeven. De RCE adviseert ook op basis van de stukken. De rechtbank vindt het advies van de RCE begrijpelijk en stelt vast dat eisers hier inhoudelijk niets tegenin gebracht hebben. Hoewel de procedure wel lang heeft geduurd, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een onzorgvuldige procedure of onzorgvuldige voorbereiding van het besluit waardoor het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De beroepsgrond slaagt niet.
Cultuur historische aspecten & nota verblijfsrecreatie
- Eisers voeren aan dat de functieverandering van de gebouwen niet in dienst staat van het behoud van de cultuurhistorische waarde van de gebouwen. In de ruimtelijke onderbouwing wordt eraan voorbijgegaan dat de varkensschuur en schaapskooi in het verleden illegaal (zonder omgevingsvergunning) verbouwd zijn. Bovendien wordt er in strijd met de nota verblijfsrecreatie gehandeld. Volgens die nota is het uitgangspunt van het gemeentelijk beleid namelijk dat ontwikkelingen in de verblijfsrecreatiesector niet ten koste mogen gaan van de natuur - en landschapswaarden. Tot slot vrezen eisers voor precedentwerking, dat er nog meer recreatiewoningen in de natuur komen. Het besluit kan daarom niet in stand blijven.
9.1 De rechtbank stelt vast dat de RCE en Mooisticht[11] hebben geadviseerd vanuit cultuur - en monumentaal oogpunt. De RCE heeft in eerste instanties vraagtekens geplaatst bij één gebouw, maar heeft na overleg uiteindelijk positief geadviseerd. Ook Mooisticht heeft positief geadviseerd. Eisers hebben geen deskundig tegenadvies ingediend voor zover het ziet op deze monumentale en cultuurhistorische aspecten. Verder heeft het college tijdens de zitting toegelicht dat het juist de bedoeling is om de cultuurhistorische waarde van de betreffende gebouwen te beschermen. Een recreatiebestemming op deze plek is volgens het college een aanvaardbare optie om deze monumentale panden in stand te houden. Ook in paragraaf 3.2.4 van de ruimtelijke onderbouwing wordt gemotiveerd dat in dit geval maatwerk is toegepast, omdat er behoefte is aan authentieke kleinschalige voorzieningen op het platteland en dit mogelijkheden biedt voor het behoud van de cultuurhistorische gebouwen. Daarnaast vindt de gemeente diversificatie van het aanbod van recreatie van belang en daarbij wordt de voorkeur gegeven aan kleinschalige voorzieningen in bijvoorbeeld cultuurhistorisch waardevolle objecten. Omdat het college in dit geval maatwerk heeft willen bieden, zullen in de regio niet direct overal recreatiewoningen worden toegestaan. De vrees voor precedentenwerking is dan ook niet reëel, aldus de gemachtigde van het college ter zitting. De rechtbank kan de motivering van het college volgen. De beroepsgrond slaagt niet.
Aanleg activiteit
- Eisers voeren aan dat ook een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid onder b van de Wabo (aanleg-activiteit) aangevraagd had moeten worden. Vergunninghouder heeft dit niet gedaan, waardoor het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
10.1 De rechtbank verwijst naar het toetsingskader zoals dit is weergegeven onder punt 6. De aanvrager bepaalt de aanvraag en het college moet hierop beslissen. Als er ten onrechte geen omgevingsvergunning voor een aanleg-activiteit zou zijn aangevraagd, kan een handhavingsverzoek worden ingediend.
Motivering van het bestreden besluit
- Eisers voeren aan dat niet is gemotiveerd op welke wijze de ruimtelijke onderbouwing is getoetst. Het is niet duidelijk welk belang van vergunninghouder gediend is met het verlenen van de vergunning, behalve een commercieel belang. Dit maakt dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd.
- De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit volgt dat het plan is getoetst aan het stedenbouwkundig kader, de relevante wet en regelgeving (provinciaal en gemeentelijk beleid) en dat vanuit oogpunt van milieu, archeologie en cultuurhistorie, natuur en landschap, water en economische uitvoerbaarheid geen belemmeringen aanwezig zijn. Uit het welstandsadvies volgt dat het plan voldoet aan de redelijke eisen van welstand en het college heeft een positief advies van de RCE ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat het college het bevoegd gezag is om op de ingediende aanvraag te beslissen. Ook staat niet ter discussie dat de provincie naar de onderliggende aanvraag heeft gekeken en geen zienswijze heeft ingediend, wat betekent dat de provincie geen bedenkingen heeft tegen de functiewijziging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat in het besluit aan alle onderdelen aandacht is besteed en dat is gemotiveerd dat het plan voldoet aan de eisen waaraan het moet voldoen.
Voorschriften bij de omgevingsvergunning
- Eisers voeren aan dat bij de verleende omgevingsvergunning helemaal geen voorschriften zijn gesteld, waarmee de verstorende invloed op de omgeving in ieder geval wordt gemitigeerd.
12.1 De rechtbank stelt vast dat op de pagina's 5 en 8 van het bestreden besluit voorschriften zijn opgenomen met onder meer het oog op cultuurhistorie, brandveilig gebruik, water, archeologie, flora en fauna. De beroepsgrond slaagt niet.
Milieu
- Eisers voeren aan dat in de Omgevingsverordening en het Natuurbeheerplan van de provincie Utrecht regels zijn gesteld ter bescherming en ontwikkeling van de natuurwaarden. In de ruimtelijke onderbouwing is onderkend dat de locatie is gelegen binnen NNN, maar wordt gesteld dat het plangebied geen natuurfunctie heeft. Eisers delen deze stelling niet, alleen al vanwege het feit dat op deze locatie een dubbelbestemming 'Waarde-Ecologie' rust met bijbehorend beschermingsregime. Bovendien geldt de 'Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013-2028 Provincie Utrecht (Herijking 2016)'. Het college heeft zich ten onrechte gebaseerd op de Quickscan waarin de toetsing op de Wet natuurbescherming (Wnb) in ernstige mate ontoereikend is, omdat de focus veel te beperkt is en gebaseerd op onjuiste uitgangspunten.
13.1 De rechtbank stelt vast dat er een Quickscan Wet natuurbescherming (Quickscan) is geweest en dat hierin is vastgesteld dat er geen beschermde soorten zijn aangetroffen op de plek waar de verbouwing heeft plaatsgevonden dan wel mag plaatsvinden. Er zijn dus geen belemmeringen op grond van de Wnb aangetroffen. Ook zijn er op het direct omliggende terrein zelf geen beschermde soorten aangetroffen. Bovendien is in de verleende omgevingsvergunning een zorgplicht opgenomen voor het geval er toch beschermde soorten waargenomen worden. De Quickscan is in 2022, ten tijde van het indienen van de aanvullende aanvraag, geactualiseerd. Partijen verschillen van mening of het perceel - al dan ingesloten - binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN) valt en welke consequentie dat heeft voor de door het NNN beschermde aanwezige natuurwaarden. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de Quickscan voldoende duidelijk dat daarin een beoordeling heeft plaatsgevonden of deze functieverandering zal leiden tot een significante verandering van de waarden binnen het NNN. Uit de Quickscan volgt dat er op de plek waar gebouwd is of wordt, alsmede door de activiteiten die daar als gevolg van de vergunningverlening mogelijk worden gemaakt geen verstoringen in het NNN gaan plaatsvinden, waarbij is getoetst aan de provinciale verordening zoals deze gold in 2022. Niet in geschil is voorts dat de Provincie Utrecht geen bedenkingen heeft geuit tegen de voorgenomen vergunningverlening. Tot slot had het college, naar het oordeel van de rechtbank, op grond van het bestemmingsplan geen nadere regels hoeven te stellen. De locatie heeft weliswaar de dubbelbestemming "waarde ecologie", maar uit de planregels volgt geen verplichting tot het stellen van nadere regels.[12] De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Belangenafweging
- Ter zitting is aan de orde gekomen dat eisers vooral moeite hebben met het fenomeen recreatiewoning. Het college heeft tijdens de zitting gewezen op de verwaarloosbare verschillen tussen een recreatiewoning en de op grond van het bestemmingsplan reeds toegestane Bed & Breakfast. Bij een recreatiewoning is het verblijf mogelijk iets intensiever en de verblijfsduur langer, maar een langduriger verblijf levert weer minder wisselingen van gasten op met dus minder voertuigbewegingen en dat heeft een positieve werking op alle milieuaspecten. De rechtbank kan de redenering van het college goed volgen en concludeert dan ook dat het college dit plan redelijkerwijs niet onaanvaardbaar heeft mogen achten, afgezet tegen wat er rechtens mogelijk was op deze locatie op grond van de geldende planregels. De betogen slagen niet.
Conclusie en gevolgen
- De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het bestreden besluit juridisch op een juiste wijze tot stand is gekomen. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Eisers krijgen dus geen gelijk. Zij krijgen daarom het griffierecht niet terug en krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zoals bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht.
Zoals bedoeld in artikel 2.1 eerste lid onder f Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c van Wabo.
Uit het bestemmingsplan buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen (het bestemmingsplan).
Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
Artikel 16.a van het bestemmingsplan.
In de "specifieke gebruiksregels - uitoefening van een beroep - en/of bedrijf aan huis" (artikel 16.4.l.b) wordt verwezen naar een bijlage met een lijst van beroepen die aan huis bedreven mogen worden en een recreatiewoning is niet opgenomen in deze lijst.
Op grond van artikel 34.4 van bestemmingsplan.
Artikel 27 van het bestemmingsplan.
Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7 en de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:953, onder 4.3 t/m 4.8
RCE met het positieve advies van 28 maart 2024 en Mooisticht met een positief welstandsadvies van 19 juli 2023.
In artikel 27.1 van bestemmingsplan buitengebied Overberg, Maarn, Maarsbergen, Amerongen staat dat de gronden mede bestemd zijn voor de instandhouding van landschaps - en natuurwaarden met daarbij behorend: voorzieningen ten behoeve van flora en fauna, zoals faunapassage. En artikel 27.3 geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om nadere eisen stellen. - - - ## Voetnoten