Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:923 - Rechtbank Midden-Nederland - 15 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:923•15 januari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrechtzaaknummer: UTR 25/5007
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. T.N. van Lith)
en
het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. S. Aperloon)
Inleiding
1**.**In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar van 15 juli 2025, waarin het college is gebleven bij de afwijzing van de aanvraag om omgevingsvergunning voor een boatsaver in de Kromme Mijdrecht, ter hoogte van [plaats] [adres 1] in [plaats] , omdat het zich op grond van de omgevingsverordening niet bevoegd heeft geacht.
- Eiser heeft op 14 februari 2025 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 januari 2025 waarbij de aanvraag voor de omgevingsvergunning is afgewezen. In het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep ingesteld.
- De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is in persoon verschenen, vergezeld door zijn gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door J. Teunissen, vergunningverlener bij het college.
- Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk mondeling uitspraak gedaan.
Beslissing
- De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
- De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
- Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college op juiste gronden het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Het college heeft zich terecht onbevoegd geacht te beslissen op de aanvraag omdat de aangevraagde activiteit niet valt binnen de reikwijdte van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.37 van de Omgevingsverordening Provincie Utrecht (de omgevingsverordening). Op grond van artikel 2.37 is het (voor zover hier van belang) zonder omgevingsvergunning verboden om een boatsaver in een natuurlijke inham op eigen terrein ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden.
- De aangevraagde activiteit voorziet in een boatsaver anders dan in een natuurlijke inham op eigen terrein en valt daarmee niet binnen de aanwijzing van vergunningplichtige activiteiten als bedoeld in artikel 2.37, maar onder de werking van het absolute verbod van artikel 2.36 van de omgevingsverordening. Op grond van artikel 2.36 van de omgevingsverordening is het verboden in het gebied met de aanduiding ligplaatsen, een voorwerp, anders dan een woonschip of woonark, ligplaats te laten nemen, te ankeren, af te meren, of anderszins in, op of vlak boven een water te plaatsen of te houden. De omgevingsverordening voorziet niet in de mogelijkheid om bij omgevingsvergunning van dat verbod af te wijken. Om die reden wordt ook niet toegekomen aan de beoordeling van de aanvraag op basis van de beoordelingsregel uit artikel 2.29 en het oogmerk van artikel 2.28 (de zogenoemde LNCA-waarden) van de omgevingsverordening. De beroepsgronden die hierop zien, slagen dus niet.
- De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat de regeling onduidelijk, gebrekkig of rechtsonzeker is. Pas als de tekst van een regeling onduidelijk is of vragen oproept, kan het behulpzaam zijn om de toelichting bij een regeling te raadplegen. Daarvan is in dit geval geen sprake. Bovendien heeft de toelichting geen bindend karakter. De beroepsgronden van eiser die zien op de toelichting bij de regeling, slagen niet. Dat geldt ook voor de beroepsgrond op grond waarvan dit zou moeten leiden tot het in exceptieve toetsing onverbindend achten van de regeling. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
- Ook het beroep op het beginsel van willekeur of het gelijkheidsbeginsel kan niet slagen. In de situatie van de verleende omgevingsvergunning voor [plaats] [adres 2] ging het niet om een boatsaver maar om een ligplaats voor een boot met een kajuit. Bovendien is de locatie van de ligplaats van deze boot niet gelegen binnen het gebied met de aanduiding Gebied Ligplaatsen. Daarom is er geen sprake van gelijke gevallen die ongelijk worden behandeld.
- Ten slotte slaagt het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel ook niet. Het beroep op het vertrouwensbeginsel, dat eiser heeft ondersteund met een telefoonnotitie, ziet op de uitoefening van de handhavingsbevoegdheid van het college. Omdat het bestreden besluit gaat over de uitoefening van de bevoegdheid tot verlening van een omgevingsvergunning slaagt ook dit beroep dus niet.
Conclusie en gevolgen
- Voorgaande betekent dat het beroep van eiser ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Ook krijgt eiser het betaalde griffierecht niet terug.
- Op de zitting is gewezen op de mogelijkheid om tegen deze uitspraak in hoger beroep te gaan op de manier zoals onderaan dit proces-verbaal staat omschreven.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Mennen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.