Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:917 - Rechtbank Midden-Nederland - 30 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:91730 januari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/6065, UTR 25/6067, UTR 25/6069, UTR 25/6073, UTR 25/6076 en UTR 25/6118
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en

Stichting Warande

(gemachtigde: mr. A.L. Eijbergen).

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen het niet tijdig beslissen op zijn Woo-verzoeken.
Warande heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De zitting vond plaats op 30 januari 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van Warande en [A] als bestuurssecretaris van Warande.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart zich onbevoegd van de beroepen kennis te nemen; - bepaalt dat de griffier het door eiser betaalde griffierecht van € 194, - terugbetaalt.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank is alleen bevoegd om van de beroepen kennis te nemen als sprake is van een besluit van een bestuursorgaan. Dit volgt uit artikel 1:1, eerste lid, en artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  1. De rechtbank stelt vast dat Warande geen bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder a, van de Awb. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. Tussen partijen is wel in geschil of Warande een bestuursorgaan is als bedoeld in artikel 1:1, aanhef en onder b, van de Awb. Daarvan is sprake als een orgaan van Warande met openbaar gezag is bekleed. Dat betekent dat in beginsel uit de wet moet volgen dat er een publiekrechtelijke bevoegdheid is toegekend tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten.[1] Dat is er hier niet. Dit staat niet in de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2024, gemeente Utrechtse Heuvelrug (Huisvestingsverordening). Er zijn wel de Beleidsregels gemeente Utrechtse Heuvelrug 2025 waarin Warande wordt genoemd, maar dit is geen wettelijk voorschrift en bovendien staat daarin juist dat het toewijzen van de woningen van Woonoord [locatie] wordt overgelaten aan Warande (in samenwerking met bewonersvereniging [locatie] ). Er wordt dus geen publiekrechtelijke bevoegdheid toegekend. Daarnaast is het ook niet zo dat Warande de bevoegdheid heeft om over huisvestingsvergunningen te beslissen. Die ligt bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente, zo staat in de Huisvestingsverordening. Dat de afgelopen tien jaar geen huisvestingsvergunningen zijn verleend, betekent niet dat er dus een publieke bevoegdheid bij Warande is komen te liggen. Dat er niets is gebeurd, laat juist zien dat Warande die bevoegdheid niet toekomt.
  1. Dat betekent dat er geen openbaar gezag bij wettelijk voorschrift is toegekend aan Warande. Ook verder is niet gebleken dat zij eenzijdig de rechtspositie van anderen kan bepalen. De regel is dan dat Warande geen bestuursorgaan is, tenzij een uitzondering op deze regel moet worden aangenomen. Die uitzondering doet zich echter ook niet voor. De uitzondering voor het geval er geldelijke uitkeringen of op geld waardeerbare voorzieningen aan derden worden verstrekt[2], speelt hier niet. Daarnaast bestaat er een uitzondering als blijkt dat de gemeente een beslissende mate van zeggenschap heeft in de woonruimteverdeling.[3] De rechtbank oordeelt dat hiervan geen sprake is. Kijkend naar de praktijk zoals eiser die schetst, dan moet worden aangenomen dat de gemeente zich de afgelopen tien jaar afzijdig heeft gehouden van de woonruimteverdeling bij woongroep Kraaybeek. Anders dan eiser zegt, laat die afwezigheid van de gemeente niet zien dat Warande een bestuursorgaan is, maar laat dit juist zien dat de gemeente niet een beslissende mate van zeggenschap in de woonruimteverdeling heeft.
  1. Warande kan dus niet aangemerkt worden als een bestuursorgaan. Een schriftelijke reactie van Warande op de Woo-verzoeken van eiser is dan ook geen besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. Er is daarom geen sprake van het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank is onbevoegd om van de beroepen kennis te nemen.
  1. Omdat de rechtbank niet bevoegd is, bepaalt zij dat de griffier het griffierecht aan eiser terugbetaalt. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.
  1. Partijen zijn gewezen op de mogelijkheid om tegen de mondelinge uitspraak in hoger beroep te gaan op de hieronder omschreven wijze.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2026 door
mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A.W.M. Engels, griffier.
De rechter is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5746.
__U__itspraken van de Afdeling van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3379 en ECLI:NL:RVS:2014:3394.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1127. - - - ## Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 26 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5746.
__U__itspraken van de Afdeling van 17 september 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3379 en ECLI:NL:RVS:2014:3394.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1127.