Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:910 - Rechtbank Midden-Nederland - 4 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:910•4 maart 2026
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2078
en
(gemachtigde: mr. M. Beumer).
Procesverloop
- Eiseres heeft op 2 augustus 2023 verzocht om openbaarmaking op grond van de Wet open overheid (Woo) van informatie over de kosten van burgerparticipatie. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 29 september 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 februari 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
1.1. De voorzitter van eiseres, [A] (hierna: de voorzitter) heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft daarbij gevraagd of hij het griffierecht niet hoeft te betalen, omdat eiseres dit bedrag niet kan betalen. De voorzitter heeft daartoe verwezen naar de inkomensgegevens van eiseres.
1.2. In de brief van 8 augustus 2024 is aan de voorzitter medegedeeld dat op basis van de verstrekte financiële gegevens van eiseres hij niet is vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
1.3. In de uitspraak van 21 november 2024 heeft de rechtbank het beroep van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat het griffierecht niet (op tijd) is betaald. De voorzitter is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
1.4. De rechtbank heeft het verzet op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de voorzitter van eiseres. Het college is met bericht van verhindering niet verschenen.
1.5. In de uitspraak van 7 mei 2025 heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard, omdat gebleken is dat niet de voorzitter in persoon, maar de vereniging de eisende partij is en dat het verzoek om vrijstelling door de voorzitter namens de vereniging (eiseres) is gedaan.
1.6. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of het verzoek om vrijstelling tot betaling van het griffierecht door eiseres als rechtspersoon kan worden toegewezen. In dat kader is eiseres op 30 mei 2025 verzocht om aan te tonen dat de voorzitter, de penningmeester of andere bij eiseres betrokken natuurlijke personen onvoldoende financiële middelen hebben om het griffierecht te kunnen voldoen. Eiseres heeft hierop niet gereageerd.
1.7. De rechtbank heeft bij brief van 25 juli 2025 het beroep op betalingsonmacht van eiseres afgewezen. Daarbij heeft de rechtbank een nieuwe nota van 24 juli 2024 voor het griffierecht aan eiseres verzonden en verzocht om deze binnen vier weken alsnog te betalen. Op 22 augustus 2025 is hiervoor een herinneringsnota aan eiseres verstuurd.
1.8. Het griffierecht is niet voldaan door eiseres.
1.9. De rechtbank heeft bepaald dat nadere onderzoek ter zitting achterwege kan blijven. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en bepaald dat heden uitspraak wordt gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
- Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet Bestuursrecht (Awb) wordt van de indiener van een beroepschrift griffierecht geheven. Voor eiseres (een rechtspersoon) geldt daarvoor een bedrag van € 371,00.
- Het griffierecht dient binnen vier weken na de verzending van de mededeling van de griffier te zijn bijgeschreven op de rekening van het gerecht dan wel ter griffie te zijn gestort.
- Vaststaat dat het griffierecht niet is betaald voor het einde van de daartoe gestelde termijn. Op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Awb wordt een beroep niet-ontvankelijk verklaard, indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest. In afwijking van de eerste zin blijft niet-ontvankelijkverklaring achterwege, indien aannemelijk is dat de indiener van het beroepschrift op de datum waarop het bedrag uiterlijk moet zijn bijgeschreven of gestort, in betalingsonmacht verkeert.
- De rechtbank is van oordeel dat ook voor rechtspersonen de weg openstaat om een beroep te doen op betalingsonmacht en dat ook zij, onder omstandigheden, in aanmerking kunnen komen voor vrijstelling van griffierecht.
- De rechtbank overweegt dat voor de beoordeling van het beroep op betalingsonmacht bepalend is of de betrokkene in de van belang zijnde periode niet in staat was het verschuldigde griffierecht te voldoen, eventueel door bijdragen van belanghebbenden zoals bestuurders of aandeelhouders. Dit volgt ook uit de rechtspraak van 7 juli 2021 van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
[1]
- De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar beroep op betalingsonmacht onvoldoende heeft onderbouwd. Hoewel eiseres met de overgelegde financiële gegevens heeft aangetoond dat zij als vereniging onvoldoende middelen heeft om het griffierecht te kunnen voldoen, heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat de voorzitter, de penningmeester of andere bij eiseres betrokken natuurlijke personen onvoldoende financiële middelen hebben om het griffierecht te kunnen voldoen. Eiseres heeft - hoewel zij daartoe in de gelegenheid – is gesteld – hierover geen enkele informatie verschaft. Gelet hierop komt eiseres niet in aanmerking voor de gevraagde vrijstelling.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is niet-ontvankelijk. De rechtbank beoordeelt dus de zaak niet inhoudelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Uitspraak van 7 juli 2021 van Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, zaaknummer 202005594/3/R2. - - - ## Voetnoten