Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:906 - Rechtbank Midden-Nederland - 7 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:906•7 januari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5316
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.J. van 't Hoff),
en
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen,
(gemachtigde: mr. M. Ouhbib).
Inleiding
- Deze uitspraak gaat over het aan eiser opgelegde rijvaardigheidsonderzoek.
- De politie heeft op 27 mei 2025 mededeling gedaan bij het CBR van het vermoeden dat eiser niet langer beschikt over de eisen die gesteld worden aan de rijvaardigheid voor het besturen van een motorvoertuig. De politie heeft dit vermoeden gebaseerd op eigen waarnemingen als neergelegd in een mutatierapport. Het CBR heeft op grond van de informatie van de politie en aan de hand van de bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Bijlage) beslist om een onderzoek naar eisers rijvaardigheid op te leggen. Bij de beslissing op bezwaar van 4 september 2025 heeft het CBR dat besluit gehandhaafd.
- Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld. Ook heeft hij een voorlopige voorziening (zaaknummer UTR 25/5315) gevraagd om de betalingsverplichting op te schorten. De voorlopige voorziening is bij uitspraak van 17 oktober 2025 afgewezen. Op 6 november 2025 heeft eiser een tweede verzoek om voorlopige voorziening ingediend (zaaknummer UTR 25/6361), ter opschorting van de verplichting een rijvaardigheidsonderzoek te ondergaan zoals staat in de brief van 31 oktober 2025. Dat verzoek is bij uitspraak van 8 december 2025 afgewezen.
- Het CBR heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
- De rechtbank heeft het beroep via een teams-verbinding op 7 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het CBR.
Beoordeling door de rechtbank
- In deze zaak gaat het om de vraag of het CBR een onderzoek naar de rijvaardigheid van eiser heeft mogen opleggen. De rechtbank oordeelt dat dit zo is.
- Het CBR legt een onderzoek naar de rijvaardigheid op als er een vermoeden is dat een persoon niet langer beschikt over de rijvaardigheid die vereist is voor het besturen van een motorvoertuig.
[1] Dat eiser niet beschikt over voldoende rijvaardigheid staat nu dus nog niet vast. Het onderzoek dat het CBR heeft opgelegd moet daar duidelijkheid en een definitief oordeel over geven. Het hiervoor genoemde vermoeden kan het CBR baseren op de feiten en omstandigheden als genoemd in de bijlage bij de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 (de Bijlage). Daarvoor mag het CBR in beginsel uitgaan van de informatie van de politie, zoals in dit geval de mededeling en het mutatierapport. Het ligt dan vervolgens op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat het CBR het vermoeden niet op die informatie heeft mogen baseren.
- Eiser bestrijdt niet de in de mededeling en het mutatierapport omschreven gedragingen, maar stelt dat de politie de rijomstandigheden en zijn verklaringen daarover niet heeft meegewogen. Als dat wel was gedaan, dan was gebleken dat geen sprake was van onnodig remmen, slingeren of onjuist gebruik van groot licht en dus niet van de gedragingen zoals genoemd in de Bijlage. Zo heeft eiser namelijk verklaard dat zijn rijgedrag gezien moet worden als defensief rijgedrag, omdat het donker was, de weg hem onbekend was en er objecten/dieren op de weg waren. Hij moest daarom uitwijken, langzamer rijden, soms remmen en groot licht voeren. De rechtbank overweegt dat eiser hiermee onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het CBR niet van de informatie van de politie mag uitgaan. De door eiser geschetste omstandigheden blijken niet uit de informatie van de politie. Er zijn ook geen objectieve gegevens die de juistheid van de waarnemingen van de politie in twijfel trekken. Dat maakt dat het alleen eisers woord is tegen dat van de politie. Dat is onvoldoende. Het CBR mocht daarom uitgaan van de informatie en de daarin opgenomen omschrijving van de gedragingen.
- Dat betekent ook dat het CBR de gedragingen niet anders hoefde te kwalificeren, gelet op de context die eiser schetst. Zo heeft het CBR kunnen vaststellen dat sprake is van gedrag in de zin van de Bijlage, zoals slingeren, onnodig remmen en onjuist gebruik van groot licht. Daarbij heeft het CBR terecht gezegd dat het om een optelsom van deze gedragingen gaat, die de oplegging van een onderzoek rechtvaardigt.
- Op de zitting is verder vastgesteld dat het niet gaat om de vraag of eiser met zijn rijgedrag gevaar heeft veroorzaakt. Het gaat om de kwalificatie van het rijgedrag zoals ook in de Bijlage staat. Daarom is niet relevant dat er geen sprake is geweest van gevaarzetting, door de politie geen proces-verbaal is opgemaakt of een boete is opgelegd, er geen aanwijzingen zijn dat hij buiten de rijstrook was, het aanroepen van andere eenheden of dat er een negatieve alcohol - en drugstest was. Tot slot is op de zitting vastgesteld dat eiser niet vraagt om de Regeling buiten toepassing te laten, omdat de toepassing daarvan tot onevenredige gevolgen zou leiden.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Janssens-Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2026.
De rechter is niet in de gelegenheid de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en artikel 23, derde lid, aanhef en onder b, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. - - - ## Voetnoten