Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:889 - Rechtbank Midden-Nederland - 4 maart 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:8894 maart 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5929

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] (Engeland), eiseres

en

Dienst Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).

Inleiding

  1. Eiseres heeft zich gemeld om herbeoordeling van de kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2005 tot en met 2010. Bij besluit van 16 maart 2022 (het primaire besluit) heeft de Dienst Toeslagen vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een forfaitair bedrag van € 30.000, - op grond van artikel 2.7 van de Wht.
1.1. In het definitieve besluit van 14 februari 2025 (het definitieve besluit) heeft Dienst Toeslagen het verzoek om compensatie over de toeslagjaren 2005 tot en met 2010 afgewezen.
1.2. Eiseres heeft op 3 juni 2025 bezwaar gemaakt. Dienst Toeslagen heeft dit bezwaar opgevat als een bezwaar gericht tegen het primaire besluit en naar aanleiding hiervan eiseres bij brief van 10 juli 2025 gevraagd waarom zij niet eerder bezwaar heeft gemaakt. Eiseres heeft hierop gereageerd.
1.3. Dienst Toeslagen heeft bij beslissing op bezwaar van 9 september 2025 (het bestreden besluit) het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. De Dienst Toeslagen heeft daarom geen aanleiding gezien eiseres te horen.
1.4. Tegen de beslissing op bezwaar heeft eiseres beroep ingediend. Dat heeft zij ingediend bij Dienst Toeslagen. Dienst Toeslagen heeft dit niet als een beroepschrift opgevat en niet doorgestuurd. Eiseres heeft op 3 november 2025 alsnog bij de rechtbank beroep ingediend. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.5. De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres via beeldverbinding en de gemachtigde van Dienst Toeslagen. De behandeling ter zitting heeft gedeeltelijk in de Engelse taal plaatsgevonden, omdat eiseres de Nederlandse taal niet (voldoende) machtig is. Partijen hebben daarmee ingestemd.

Beoordeling door de rechtbank

Is eiseres ontvankelijk in haar beroep?
  1. Dienst Toeslagen meent dat het beroepschrift van 3 november 2025 niet binnen zes weken is ingediend.[1] Daarnaast wijst Dienst Toeslagen op het bij hem binnengekomen bezwaarformulier van 24 september 2025 waarin eiseres verwijst naar het kenmerknummer van het bestreden besluit.
2.1. De rechtbank vat het ingediende bezwaarformulier van 24 september 2025 op als een beroepschrift gericht tegen het bestreden besluit. Het door eiseres tegen het bestreden besluit ingediende bezwaarformulier had door Dienst Toeslagen op grond van artikel 6:15 van de Awb als beroepschrift moeten worden opgevat en aan de rechtbank doorgezonden moeten worden.
2.2. Het bezwaarformulier is op 24 september 2025 ingediend. Dat is, gelet op artikel 6:15, derde lid van de Awb, tijdig. Het beroep van eiseres is daarom ontvankelijk.
Heeft Dienst Toeslagen het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk kunnen verklaren?
  1. Eiseres heeft op 3 juni 2025 bezwaar gemaakt. Dienst Toeslagen heeft dit bezwaar opgevat als een bezwaar tegen het primaire besluit, omdat eiseres het kenmerk van het primaire besluit heeft genoemd in haar bezwaar. Tegen het primaire besluit kon tot
1 januari 2025 bezwaar worden gemaakt. Dienst Toeslagen heeft eiseres gevraagd waarom zij niet eerder bezwaar heeft gemaakt. Eiseres heeft op dat verzoek gereageerd. Zij geeft aan dat zij in het buitenland verbleef, dat zij de Nederlandse taal niet machtig is en dat zij professionele rechtsbijstand heeft gezocht.
3.1. Dienst Toeslagen heeft naar aanleiding hiervan het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard, omdat eiseres volgens Dienst Toeslagen geen verschoonbare redenen heeft aangevoerd om het bezwaar alsnog in behandeling te kunnen nemen. Dienst Toeslagen heeft daarom ook van het horen van eiseres afgezien.[2]
3.2. Eiseres voert aan dat zij bezwaar heeft gemaakt tegen het definitieve besluit en dat zij dit binnen de daarvoor geldende termijn, voor 6 juni 2025 heeft gedaan, namelijk op
3 juni 2025. Zij heeft daarover nog contact gehad met haar persoonlijk zaakbehandelaar.
3.3. De rechtbank is van oordeel dat Dienst Toeslagen ten onrechte het bezwaar heeft opgevat als zijnde een bezwaar tegen het primaire besluit. Weliswaar heeft eiseres in het bezwaar het kenmerknummer genoemd van het primaire besluit, maar verweerder had naar het oordeel van de rechtbank moeten onderkennen dat het bezwaar van eiseres, die geen gemachtigde heeft, de taal niet machtig is en in [plaats] woont, wél tijdig was in relatie tot het definitieve besluit. Het bezwaar had dus opgevat dienen te worden als een bezwaar tegen het definitieve besluit van 14 februari 2025. Het bezwaarschrift is dus tijdig ingediend. De Dienst Toeslagen heeft het bezwaar daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. In zoverre is het beroep gegrond.
3.4. De rechtbank overweegt verder dat eiseres als gevolg van de beslissing het bezwaar kennelijk niet ontvankelijk te verklaren, ten onrechte niet door de Dienst Toeslagen is gehoord. Op de zitting heeft de gemachtigde van Dienst Toeslagen reeds toegezegd het bezwaarschrift van eiseres alsnog in behandeling te nemen als zijnde een bezwaar gericht tegen het definitieve besluit en in dat verband eiseres ook in de gelegenheid te stellen gehoord te worden.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
  1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat Dienst Toeslagen een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft Dienst Toeslagen hiervoor 8 weken.
  1. Omdat het beroep gegrond is moet Dienst Toeslagen het griffierecht aan eiseres vergoeden. Eiseres heeft geen proceskosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank: - verklaart beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 9 september 2025; - draagt Dienst Toeslagen op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat Dienst Toeslagen het griffierecht van € 53, - aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W. Veenendaal, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Barmentlo, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 7:3, aanhef onder a van de Awb. - - - ## Voetnoten
Zie artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Op grond van artikel 7:3, aanhef onder a van de Awb.