Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:877 - Rechtbank Midden-Nederland - 10 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:877•10 maart 2026
Uitspraak inhoud
Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummers: 16/027213-25 (P); 16/224926-25 (t.t.z. gevoegd)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 10 maart 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum 1] 2009 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het [adres] , [postcode] in [plaats] ,
(hierna: [verdachte] ).
1 Zitting
De strafzaak van [verdachte] is inhoudelijk behandeld op de besloten zitting van 27 januari 2026. Het onderzoek is, met instemming van de advocaat van [verdachte] en de officier van justitie, gesloten op 10 maart 2026, waarna direct uitspraak is gedaan.
Op de zitting waren aanwezig:
2 Tenlastelegging
De rechtbank nummert de bij de dagvaardingen met de parketnummers 16/027213-25 en 16/224926-25 ten laste gelegde feiten respectievelijk als de feiten 1 en 2 en feit 3.
De officier van justitie beschuldigt [verdachte] ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 25 januari 2025 te Almere samen met anderen met geweld goederen van [slachtoffer] heeft weggenomen;
feit 2
op 25 januari 2025 te Almere samen met anderen [slachtoffer] met geweld of bedreiging met geweld heeft gedwongen tot afgifte van zijn pincode;
feit 3
op 9 juni 2025 te Almere samen met anderen openlijk geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde] .
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3 Bewijs
3.1. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat [verdachte] de feiten 1 en 2 heeft gepleegd en moet worden vrijgesproken van feit 3.
3.2. Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om [verdachte] vrij te spreken van feit 3. De advocaat voert geen verweer over het bewijs van de feiten 1 en 2.
3.3. Oordeel van de rechtbank
3.3.1. Vrijspraak (feit 3)
De rechtbank overweegt ten aanzien van feit 3 als volgt. [verdachte] heeft erkend dat hij aanwezig was bij het gevecht, maar stelt dat hij zelf geen geweld heeft gebruikt en juist de situatie heeft willen de-escaleren. Op basis van het procesdossier kan de rechtbank niet vaststellen dat [verdachte] een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld. De rechtbank oordeelt – net als de officier van justitie en de advocaat – dat feit 3 niet is bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij.
3.3.2. Bewijsmiddelen feiten 1 en 2
[verdachte] bekent dat hij de feiten 1 (diefstal met geweld) en 2 (afpersing) heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.3. Bewijsoverweging feiten 1 en 2 - medeplegen
Op grond van voornoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de feiten. De rechtbank oordeelt dat daarmee sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en zijn medeverdachten die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. De rechtbank acht het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
3.4. Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat [verdachte] :
feit 1
op 25 januari 2025 te Almere tezamen en in vereniging met anderen een portemonnee (met inhoud), sleutels, een Apple watch en een telefoon die geheel aan [slachtoffer] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door: - achterin de auto van die [slachtoffer] te gaan zitten, en - die [slachtoffer] naar verschillende locaties te laten rijden, en - een vuurwapen en een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen de schouder, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te zetten en/of te houden en (daarmee) op het hoofd van die [slachtoffer] ) te slaan, en - te roepen dat ze pas weggaan als die [slachtoffer] aan hen 5000 euro zou geven, en - de telefoon, de Apple watch, de portemonnee (met inhoud) en de sleutels af te pakken, en - dit te filmen;
feit 2
op 25 januari 2025 te Almere tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn pincode, die geheel aan die [slachtoffer] toebehoorde, door: - achterin de auto van die [slachtoffer] te gaan zitten, en - die [slachtoffer] naar verschillende locaties te laten rijden, en - een vuurwapen, althans een op een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op/tegen de schouder, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te zetten en/of te houden en daarmee op het hoofd van die [slachtoffer] te slaan, en - daarbij te roepen dat ze pas weggaan als die [slachtoffer] aan hen 5000 euro zou geven en - om zijn pincode hebben gevraagd, en - dit te filmen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. [verdachte] wordt daarvan vrijgesproken.
De taal - en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt [verdachte] niet.
4 Kwalificatie en strafbaarheid
4.1. Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1 medeplegen van diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken
2 afpersing, gepleegd door twee of meer verenigde personen
4.2. Strafbaarheid feiten en [verdachte]
De feiten en [verdachte] zijn strafbaar.
5 Straf
5.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat [verdachte] voor de feiten 1 en 2 wordt veroordeeld tot: - een jeugddetentie van 120 dagen, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 117 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) geadviseerde bijzondere voorwaarden en een contactverbod; - een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 100 uur, te vervangen door 50 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
5.2. Standpunt van de verdediging
De advocaat voert aan dat rekening moet worden gehouden met een aantal omstandigheden. Zo heeft [verdachte] spijt betuigd, is hij op de zitting open geweest over zijn aandeel, was zijn rol in het tenlastegelegde beperkt en heeft hij sinds zijn schorsing laten zien dat hij zijn leven op een positieve manier wil vormgeven.
5.3. Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan [verdachte] een jeugddetentie op van 120 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 117 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden en een contactverbod. Ook legt de rechtbank een taakstraf op in de vorm van een werkstraf van 80 uur, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
Bij het bepalen van deze straffen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder [verdachte] deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van [verdachte] en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
Als de aangever naar de locatie van een zakelijke afspraak komt, wordt hij opgewacht door [verdachte] en zijn mededaders. De ware aard van de afspraak wordt dan snel duidelijk. [verdachte] en zijn mededaders stappen in de auto van de aangever en geven hem de opdracht naar diverse locaties te rijden. De aangever wordt door de daders bedreigd, er worden vuurwapens op hem gericht, hij wordt geslagen met één van de vuurwapens, zijn persoonlijke spullen worden afgepakt, hij wordt gedwongen zijn pincode af te geven en hij wordt gefilmd. Uit deze video's en uit zijn verklaring bij de politie blijkt de angst bij die dit bij de aangever heeft opgeroepen. Enkel met het doel snel geld te verdienen, hebben [verdachte] en zijn mededaders het leven van de aangever getekend. De gevolgen voor hem blijken ook uit zijn schriftelijke slachtofferverklaring. Voor die gevolgen zijn [verdachte] en zijn mededaders verantwoordelijk.
Strafbare feiten als deze zorgen voor een schok en verontwaardiging in de samenleving. Jonge daders, die in een woonwijk worden gezocht met de hulp van een politiehelikopter, vuurwapens met zich meedragen en zich enkel laten motiveren door snel geld, brengen in toenemende mate gevoelens van angst en onveiligheid in onze maatschappij. Ook aan deze angst hebben [verdachte] en zijn mededaders bijgedragen.
Persoonlijke omstandigheden van [verdachte]
De rechtbank heeft gekeken naar:
Zowel op de zitting in gesprek met [verdachte] , zijn moeder en zijn jeugdreclasseerder als uit het rapport van de Raad blijkt dat [verdachte] tijdens zijn schorsing goed heeft meegewerkt aan de opgelegde voorwaarden en hulpverlening. Thuis en op school gaat het goed en het gedrag van [verdachte] is in positieve zin veranderd. Deze positieve wending wil hij graag vasthouden. De Raad vindt het belangrijk dat [verdachte] zich inschrijft voor een vervolgopleiding en zijn vrije tijd positief blijft invullen. Hij doet veel om 'verkeerde vrienden' te vermijden en neemt verantwoordelijkheid voor zijn gedrag, maar hiervoor moet aandacht blijven. Ook zijn middelengebruik (blowen) blijft een punt van zorg. [verdachte] is beïnvloedbaar, maar kan directe familieleden benaderen voor hulp. Het is nodig ook hierop alert te blijven.
De Raad adviseert een deels voorwaardelijke werkstraf op te leggen met daarbij de voorwaarden dat [verdachte] :
Strafkader
De bewezenverklaarde feiten zijn ernstige feiten. Daarom is een jeugddetentie passend. De rechtbank ziet tegelijkertijd de positieve weg die [verdachte] is ingeslagen. Hij heeft op de zitting open gesproken over zijn aandeel en oprechte spijt betuigd. Zijn jeugdreclasseerder heeft op de zitting nog eens benadrukt hoe goed het met hem gaat. De rechtbank zal daarom [verdachte] niet terugsturen naar de jeugdgevangenis.
[verdachte] , ook de rechtbank wil jou in dit vonnis een compliment maken voor jouw open houding. We hebben gezien en gehoord, van jouw moeder, van jouzelf en van jouw jeugdreclasseerder, dat jij vastberaden bent het anders te gaan doen. Dat geeft ons vertrouwen. Wij hopen dat jij met de hulp van jouw betrokken jeugdreclasseerder de door jou ingeslagen positieve weg blijft vasthouden.
Het opleggen van een straf kent meerdere doelen. Eén van die doelen is vergelding. Omdat de feiten zo erg zijn, moet een straf volgen die voor [verdachte] voelbaar is. Een ander doel is het voorkomen van herhaling. Alhoewel de rechtbank ziet dat het heel goed gaat, zijn er ook nog punten van aandacht. Daarom zal de rechtbank de voorwaarden die door de Raad zijn geadviseerd opleggen.
Concluderend legt de rechtbank een jeugddetentie op van 120 dagen met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 117 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal daarbij een contactverbod met de mededaders opleggen. Ook legt de rechtbank een taakstraf op voor de duur van 80 uren, te vervangen door 40 dagen jeugddetentie als [verdachte] deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
De voorlopige hechtenis
De rechtbank heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.
6 In beslag genomen voorwerp
6.1. Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de in beslag genomen telefoon kan worden teruggegeven aan [verdachte] .
6.2. Standpunt van de verdediging
De advocaat heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het beslag.
6.3. Oordeel van de rechtbank
Teruggave aan [verdachte]
De rechtbank zal teruggave gelasten aan [verdachte] van het in beslag genomen voorwerp, te weten 1 STK telefoontoestel (goednummer: 3472590).
7 Vordering benadeelde partijen
8.1. Vordering van de benadeelde partijen
Vordering van [slachtoffer]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.100, - voor de feiten 1 en 2, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van immateriële schade (smartengeld). Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Vordering van [benadeelde]
heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert [verdachte] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 6.480, - voor feit 3, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 480, - voor vergoeding van materiële schade en € 6.000, - voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).
De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
8.2. Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering van [slachtoffer] vatbaar is voor toewijzing. De vordering van [benadeelde] dient niet-ontvankelijk te worden verklaard als [verdachte] wordt vrijgesproken van feit 3.
8.3. Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank de vordering van [slachtoffer] te matigen, gelet op het beperkte lichamelijk letsel. Ook verzoekt de advocaat om af te zien van een hoofdelijke betalingsverplichting, maar een gelijke verdeling toe te passen tussen de verschillende daders.
De advocaat voert ten aanzien van de vordering van [benadeelde] het volgende aan. Primair verzoekt de advocaat de vordering niet-ontvankelijk te verklaren gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair verzoekt de advocaat de vordering voor zover deze ziet op de jas en de telefoon, af te wijzen, nu niet is gebleken dat er schade is ontstaan aan de telefoon dan wel de jas van [benadeelde] . De benadeelde dient niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering voor zover deze ziet op de reiskosten van en naar het ziekenhuis, vanwege het ontbreken van een onderbouwing. Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de advocaat de vordering te matigen tot een bedrag van € 250, - en voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.
8.4. Oordeel van de rechtbank
8.4.1 Vordering van [slachtoffer]
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of 'op andere wijze' in zijn persoon is aangetast. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door [verdachte] gepleegde strafbare feit. Ook volgt uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan dat [slachtoffer] in zijn persoon is aangetast. De gevolgen voor [slachtoffer] – geestelijk letsel – blijken uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken worden toegekend als schadevergoeding, is de rechtbank van oordeel dat de gevraagde vergoeding billijk is.
Omdat [verdachte] de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met anderen heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (juridische term: hoofdelijk aansprakelijk). Volgens de regels van het civiele recht kan in deze situatie geen gelijke (pondspondsgewijze) verdeling van de schade worden toegewezen. Dit zal de rechtbank dus ook niet doen: [verdachte] en zijn medeverdachten zijn ieder voor het hele toegewezen bedrag aansprakelijk. Als een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij of aan de Staat heeft betaald, hoeft [verdachte] dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen. Om te voorkomen dat dit leidt tot problemen in verband met het opgelegde contactverbod tussen [verdachte] en zijn medeverdachten, zal de rechtbank bij het contactverbod een uitzondering opnemen voor zover contact moet plaatsvinden over de onderlinge verdeling van de schadevergoeding door (professionele) derden.
Wettelijke rente
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 25 januari 2025 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat [verdachte] de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. Omdat de vordering tot schadevergoeding wordt toegewezen, moet [verdachte] de kosten vergoeden die de benadeelde partij heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het indienen en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan [verdachte] op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partij de schadevergoeding niet zelf bij [verdachte] hoeft te incasseren, maar dat de Staat dit voor hem doet. De rechtbank bepaalt daarom dat [verdachte] een bedrag van € 1.100, - aan de Staat moet betalen.
Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 25 januari 2025 (datum ontstaan schade) tot de dag dat [verdachte] het volledige bedrag heeft betaald.
Geen gijzeling
Als een verdachte niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast. Gezien de jonge leeftijd van [verdachte] vindt de rechtbank het echter niet passend om gijzeling aan de schadevergoedingsmaatregel te verbinden. De rechtbank bepaalt daarom dat geen gijzeling zal worden toegepast.
[verdachte] mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partij. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
8.4.2. Vordering van [benadeelde]
De rechtbank spreekt [verdachte] vrij van feit 3. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die [verdachte] heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat [verdachte] daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
8 Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straffen en maatregel en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen: - 36f, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht;
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
9 Beslissing
De rechtbank:
vrijspraak - verklaart feit 3 niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
bewezenverklaring - verklaart bewezen dat [verdachte] de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven; - verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt [verdachte] daarvan vrij;
strafbaarheid feit - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar; - verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid [verdachte] - verklaart [verdachte] strafbaar voor het onder feit 1 en 2 bewezenverklaarde;
straffen
jeugddetentie - veroordeelt [verdachte] tot een jeugddetentie van 120 (honderdtwintig) dagen; - bepaalt dat de tijd, door [verdachte] vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie in mindering zal worden gebracht; - bepaalt dat van de jeugddetentie een gedeelte van 117 (honderdzeventien) dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat [verdachte] de hierna te melden algemene en/of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd; - stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast; - als voorwaarden gelden dat [verdachte] :
- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen; - stelt als bijzondere voorwaarden dat [verdachte] gedurende de proeftijd:
- zijn school volgens lesrooster bezoekt;
- een passende vrijetijdsbesteding heeft in de vorm van werk, sport en/of hobby's zodat de vrije tijd beter ingekaderd wordt;
- inzicht en openheid geeft in zijn netwerk;
- inzicht geeft in zijn middelengebruik en als nodig hiervoor hulpverlening ontvangt;
- meewerkt aan hulpverlening als dit door de jeugdreclasseerder noodzakelijk wordt geacht;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met: - [medeverdachte 1] (geboren [geboortedatum 1] 2008), medeverdachte; - [medeverdachte 2] (geboren [geboortedatum 2] 2008), medeverdachte; - [medeverdachte 3] (geboren [geboortedatum 3] 2009), medeverdachte; - [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 4] 1975), slachtoffer; - waarbij aan de gecertificeerde instelling te weten Samen Veilig Midden Nederland te Flevoland opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden, met uitzondering van het contactverbod, en [verdachte] ten behoeve daarvan te begeleiden;
taakstraf - veroordeelt [verdachte] tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 80 (tachtig) uren; - beveelt dat voor het geval [verdachte] de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis;
beslag - gelast de teruggave aan [verdachte] van het volgende voorwerp:
1 STK Telefoontoestel (goednummer: 3472590);
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer] (feiten 1 en 2)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde] (feit 3)
voorlopige hechtenis - heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. van Woudenberg, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. H. den Haan, kinderrechter, en mr. T. van Haaren-Paulus, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2026.
Bijlage I: Tenlastelegging
Aan [verdachte] is ten laste gelegd dat:
in de zaak met parketnummer 16/027213-25:
1hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een portemonnee (met inhoud), sleutels, een Apple watch en/of een telefoon, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door: - achterin de auto van die [slachtoffer] te gaan zitten, en/of - die [slachtoffer] naar verschillende locaties te laten rijden, en/of - een of meerdere vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend voorwerp op/tegen de schouder, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te zetten en/of te houden en/of (daarmee) (op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] ) te slaan, en/of - (daarbij) te roepen dat ze pas weggaan als die [slachtoffer] aan hen 5000 euro zou geven - de telefoon, de Apple watch, de portemonnee (met inhoud) en/of de sleutels af te pakken, en/of - dit te filmen;
2hij op of omstreeks 25 januari 2025 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van zijn pincode, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n) door: - achterin de auto van die [slachtoffer] te gaan zitten, en/of - die [slachtoffer] naar verschillende locaties te laten rijden, en/of - een of meerdere vuurwapen(s), althans op (een) vuurwapen(s) gelijkend voorwerp op/tegen de schouder, althans het lichaam, van die [slachtoffer] te zetten en/of te houden en/of (daarmee) (op/tegen het hoofd van die [slachtoffer] ) te slaan, en/of - (daarbij) te roepen dat ze pas weggaan als die [slachtoffer] aan hen 5000 euro zou geven en/of om zijn pincode hebben gevraagd, en/of - dit te filmen;
in de zaak met parketnummer 16/224926-25:
1hij op of omstreeks 9 juni 2025 te Almere op/aan de Aprilstraat en/of de Meistraat, in elk geval openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [benadeelde] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het eenmaal of meermalen schoppen/trappen en/of slaan tegen het lichaam van die [benadeelde] .