Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:861 - Rechtbank Midden-Nederland - 26 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:861•26 februari 2026
Uitspraak inhoud
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/604799 / KG ZA 25-643
Vonnis in kort geding van 26 februari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. N.T. Dempsey,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. P.H. Burger,
1 De procedure
1.1. De voorzieningenrechter heeft kennisgenomen van de volgende stukken: - de dagvaarding met producties 1 tot en met 19; - de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 9.
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 februari 2026. Daarbij is namens [eiseres] verschenen de heer [A] (algemeen directeur), de heer [B] (operationeel directeur) en mevrouw [C] (bedrijfsbureau).
Beide partijen hebben hun standpunten toegelicht, waarbij zij gebruik hebben gemaakt van spreekaantekeningen. Zij hebben de vragen van de voorzieningenrechter beantwoord en hebben op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken.
1.3. De voorzieningenrechter heeft de datum van het vonnis bepaald op vandaag.
2 De kern van de zaak
[eiseres] heeft – na het doorlopen van een aanbestedingstraject – een overeenkomst van opdracht gesloten met de gemeente Utrecht voor het leveren van schoonmaakdiensten voor locaties van de gemeente met ingang van 1 januari 2024 voor de duur van twee jaar. Op grond van artikel 44 CAO Schoonmaak heeft [eiseres] drie werknemers overgenomen van het bedrijf dat voor [eiseres] de schoonmaakwerkzaamheden voor de gemeente Utrecht uitvoerde. De overeenkomst van opdracht tussen [eiseres] en de gemeente Utrecht is per 1 januari 2026 geëindigd. Na 1 januari 2026 is [gedaagde] de partij die feitelijk de schoonmaakwerkzaamheden uitvoert voor de gemeente Utrecht. [eiseres] vordert in deze procedure dat [gedaagde] op grond van artikel 44 CAO Schoonmaak wordt veroordeeld om ook aan deze drie werknemers van [eiseres] een aanbod te doen, zodat zij hun werkzaamheden kunnen voortzetten.
3 De beoordeling
3.1. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
3.2. Namens [gedaagde] is aangevoerd dat [eiseres] geen (afdoende) belang heeft bij haar vorderingen. De voorzieningenrechter is het hier niet mee eens. Niets staat een werkgever eraan in de weg een vordering in te dienen namens haar werknemers van wie de werkgever meent dat aan hen een aanbod (had) moeten worden gedaan. [eiseres] heeft ook een eigen belang bij haar vorderingen. De drie medewerkers hebben verklaard zo'n aanbod te willen ontvangen en bij [gedaagde] in dienst te treden,
3.3. De vraag die in deze zaak beantwoord moet worden is of [gedaagde] onder de werkingssfeer van de CAO Schoonmaak valt en op grond daarvan een aanbod moet doen tot overname van de drie werknemers die bij [eiseres] in dienst zijn.
3.4. Voor toewijzing van voorzieningen, zoals [eiseres] die in dit kort geding vordert, moet het waarschijnlijk zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen. Op een uitspraak in een dergelijke bodemprocedure zal dan ook in dit kort geding alleen kunnen worden vooruitgelopen, als het waarschijnlijk is dat de bodemrechter de door [eiseres] bepleite uitleg van de CAO-bepaling zal onderschrijven.
3.5. In artikel 1 lid 1 en lid 2 van de CAO Schoonmaak is het volgende opgenomen:
"1. Schoonmaakbedrijf of glazenwassersbedrijf
2 Werkgever
3.6. Voorop gesteld wordt dat bij de uitleg van een CAO-bepaling in beginsel de bewoordingen daarvan en de eventueel daarbij behorende schriftelijke toelichting, gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, van doorslaggevende betekenis zijn.[1]
Daarbij komt het niet aan op de bedoelingen van de partijen bij de CAO, voor zover deze niet uit de CAO-bepalingen (en de eventuele toelichting) kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de CAO en de eventuele toelichting zijn gesteld. Daarbij kan onder meer acht worden geslagen op de elders in de CAO gebruikte formuleringen en op de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties zouden leiden, alsmede op de kennelijke strekking van de regeling waartoe de betreffende bepaling behoort.[2]
3.7. En dit laatste, namelijk de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen, is het waar de vorderingen van [eiseres] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op stranden. Bij een zuiver tekstuele uitleg van de werkingssfeerbepaling in de CAO Schoonmaak, zoals [eiseres] doet, zou dit betekenen dat [gedaagde] onder de werkingssfeer van de CAO Schoonmaak valt.
Echter, [gedaagde] is een sociaal ontwikkelbedrijf dat zich richt op het bieden van arbeidsmogelijkheden aan mensen die daarop zijn aangewezen vanwege een functionele beperking dan wel een structurele afstand hebben tot de arbeidsmarkt en die nadere begeleiding bij het uitvoeren van de werkzaamheden nodig hebben. Op de medewerkers die bij [gedaagde] werken zijn andere CAO's van toepassing, namelijk de CAO Aan de Slag en de CAO Sociale Werkvoorziening.
3.8. Op het moment dat geoordeeld zou worden dat [gedaagde] als sociaal ontwikkelbedrijf onder het toepassingsbereik van de CAO Schoonmaak zou vallen, zou dit zowel in de situatie waarbij [gedaagde] de werkzaamheden overneemt, als bij de situatie waarbij een ander schoonmaakbedrijf de werkzaamheden van [gedaagde] overneemt, zeer onwenselijke gevolgen hebben. In het eerste geval zou het ertoe leiden dat [gedaagde] werknemers in dienst krijgt die niet zijn aangewezen op een beschermde werkomgeving, waardoor [gedaagde] dat werk niet kan aanbieden aan werknemers die daarop wel zijn aangewezen. In het tweede geval betekent het dat een schoonmaakbedrijf dat een project verwerft waarbij voorheen [gedaagde] of een ander sociaal ontwikkelbedrijf de werkzaamheden verrichtte, verplicht zou zijn de op dat project werkzame werknemers met een ernstige arbeidsbeperking (zonder de benodigde begeleiding) over te nemen. Voor deze werknemers zou dit dan betekenen dat zij hun beschermde werkomgeving verliezen, terwijl zij dit juist zo nodig hebben. Dat de werknemers niet verplicht zijn om over te gaan, maakt dit niet anders, omdat er niet van uit kan worden gegaan dat de werknemers van [gedaagde] in staat zijn om de gevolgen van die overgang in te schatten.
3.9. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiseres] in deze procedure af, omdat het niet aannemelijk is dat de vorderingen van [eiseres] in een eventuele bodemprocedure zullen worden toegewezen.
Proceskosten
3.10. [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op: - griffierecht € 735,00 - salaris gemachtigde € 1.177,00 (1 punt x tarief € 1.177,00) - nakosten € 189,00
Totaal € 2.101,00
4 De beslissing
De voorzieningenrechter, recht doende in kort geding:
4.1. wijst de vorderingen af;
4.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [eiseres] niet tijdig aan deze veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet FHS € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening;
4.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.L. Rijnbout, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 februari 2026.
Hoge Raad 17 september 1993, NJ 1994, 173.
Hoge Raad 18 december 2015, JAR 2016, 39 r.o. 3.4.2. - - - ## Voetnoten