Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:836 - Rechtbank Midden-Nederland - 3 maart 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:8363 maart 2026

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5545 T2
Stichting Bezwaar Wooncomplex Verslaafden [locatie], gevestigd in [vestigingsplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. H.R. Yücesan),
en
(gemachtigde: mr. J.C. Haan).
[derde belanghebbende] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats] , vergunninghouder
(gemachtigde: P. Kok).

Procesverloop

1.1. In de tussenuitspraak van 1 september 2025 (de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om binnen zes maanden na verzending van de tussenuitspraak, met inachtneming van hetgeen in de tussenuitspraak is overwogen, de gebreken in het bestreden besluit te herstellen. Voor het verdere procesverloop verwijst de rechtbank naar die tussenuitspraak.
1.2. Met een brief van 26 februari 2026 heeft het college de rechtbank verzocht de in de tussenuitspraak gestelde termijn te verlengen.

Overwegingen

  1. Het college heeft zijn verzoek om verlenging van de termijn om de gebreken te herstellen gedaan binnen de oorspronkelijke termijn die de rechtbank hiervoor heeft gesteld in de tussenuitspraak.
  1. Slechts in bijzondere gevallen willigt de rechtbank zo'n verzoek om verlenging van de in de tussenuitspraak gestelde termijn in. Het verzoek om verlenging moet daarom zijn gemotiveerd.
  1. De reden waarom het college de rechtbank verzoekt om verlenging van de termijn is dat hoewel de gemeenteraad strikt genomen al in de gelegenheid is gesteld om eventuele bedenkingen tegen het herstelbesluit van het college naar voren te brengen, hij in de afgelopen raadsvergadering van 19 februari 2026 hierover nog geen formeel besluit heeft genomen. Het herstelbesluit is nu voor finale besluitvorming geagendeerd voor de raadsvergadering van 5 maart 2026.
  1. De rechtbank acht dit een bijzonder geval dat verlenging van de termijn rechtvaardigt, omdat de oorspronkelijk bepaalde termijn te kort is gebleken en elke andere beslissing van de rechtbank - met name de einduitspraak waarbij het college de opdracht krijgt een nieuw besluit te nemen - naar alle waarschijnlijkheid tot een minder finale vorm van geschilbeslechting leidt.
  1. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.

Beslissing

De rechtbank: - stelt het college in de gelegenheid om uiterlijk op 13 maart 2026 de gebreken te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in de eerste tussenuitspraak; - houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door door mr. J.R. van Es-de Vries, voorzitter, en mr. J.A. Spee en mr. T.J.H. Verstappen, leden, in aanwezigheid van mr. I.C. de Zeeuw-'t Lam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.