Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:830 - Rechtbank Midden-Nederland - 9 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:8309 februari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3593
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. I.N.D.J. Rissema),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, de heffingsambtenaar
(gemachtigde: W.G. Vos).

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 7 maart 2024.
1.1. In de beschikking van 18 januari 2023 heeft de heffingsambtenaar aan eiser een naheffingsaanslag in de parkeerbelasting opgelegd. Eiser heeft tegen deze naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
1.2. Met de uitspraak op bezwaar van 7 maart 2024 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3. Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
1.4. De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de heffingsambtenaar, [A] , [B] en [C] .

Beoordeling door de rechtbank

  1. Op de zitting heeft eiser zijn beroepsgronden over het schenden van de hoorplicht, het inzagerecht en dat de ramingsprocedure niet is doorlopen, ingetrokken. De rechtbank zal deze beroepsgronden daarom niet meer bespreken in haar uitspraak.
  1. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat de heffingsambtenaar een naheffingsaanslag parkeerbelasting heeft opgelegd, omdat er door eiser geen of te weinig parkeerbelasting is betaald. In geschil is of bij de naheffingsaanslag terecht een bedrag van € 72,90 aan kosten is opgelegd.
  1. In de Verordening op de heffing en invordering van Parkeerbelastingen 2023 gemeente Utrecht (hierna: de Verordening) is de volgende raming/kostenonderbouwing voor het opleggen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting opgenomen (Onder de bijlage):
  1. In de wet is geregeld dat ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag parkeerbelasting kosten in rekening worden gebracht waarbij de kosten onderdeel zijn van de naheffingsaanslag.[1] Dat bedrag dient te worden bepaald met inachtneming van bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels.[2] Het betreft hier het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen (hierna: het Besluit). Artikel 2 van het Besluit luidt als volgt:
1) De gemeentelijke kosten ter zake van het opleggen van een naheffingsaanslag als bedoeld in artikel 234, vijfde lid, van de wet kunnen ten hoogste bestaan uit de volgende componenten, voor zover deze samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen:
a. vaste informatieverwerkingskosten;
b. variabele informatieverwerkingskosten;
c. kosten van afschrijving;
d. kosten van interest;
e. personeelskosten;
f. overheadkosten, die ten hoogste 50% van de personeelskosten mogen bedragen.
2) Op basis van een raming van het jaarlijkse totaal van deze kosten stelt de raad, in verhouding tot het geraamde jaarlijkse aantal aaneengesloten parkeerperioden binnen een kalenderdag waarover wordt nageheven, het bedrag vast dat per nageheven aaneengesloten parkeerperiode binnen een kalenderdag aan de belastingschuldige in rekening wordt gebracht. De raming kan een gemiddelde betreffen over een periode van ten hoogste vier jaren.
  1. Eiser stelt dat ten onrechte de kosten voor het vergunningensysteem, belparkeren en parkeerautomaten via de naheffingsaanslag in rekening zijn gebracht. De heffingsambtenaar heeft hierover op de zitting toegelicht dat een vergunningensysteem ook een manier van betaald parkeren is. Dat heeft hetzelfde verband als bij parkeerautomaten en belparkeren. Het is namelijk mogelijk om met een vergunning op een bepaalde plek te parkeren. Indien deze vergunning op een andere locatie wordt gebruikt en er geen parkeerbelasting wordt betaald, wordt er een naheffingsaanslag opgelegd. Bovendien is belparkeren ook een vorm van betalen. Hierbij betaalt iemand ter plekke voor de locatie waar wordt geparkeerd. Daar komt bij dat er een systeem nodig is om te kijken of iemand heeft betaald, anders kan niet worden beoordeeld of er een naheffingsaanslag moet worden opgelegd. De rechtbank kan het standpunt van de heffingsambtenaar volgen.
6.1. De rechtbank stelt ten eerste vast dat zij onder belparkeren verstaat, een manier van betalen voor parkeren via de telefoon, sms of een parkeerapp. Onder een vergunningensysteem verstaat de rechtbank het systeem dat parkeervergunningen beheert. De rechtbank overweegt hierover als volgt. De besluitgever heeft ten aanzien van artikel 2 van het Besluit toegelicht dat kosten die deels samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen, volledig in aanmerking kunnen worden genomen bij het kostenverhaal. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de kostenpost meer dan zijdelings moet samenhangen met de inning van niet betaalde parkeerbelastingen.[3] Van samenhang in die zin is slechts dan geen sprake indien de desbetreffende kosten geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen.[4] Anders dan eiser betoogt, hangen de kosten die verband houden met vergunningensystemen, belparkeren en parkeerautomaten naar het oordeel van de rechtbank meer dan zijdelings samen met de inning van niet betaalde parkeerbelasting, zodat deze kosten volledig kunnen worden gerangschikt onder de verhaalbare kosten. Deze kosten dienen namelijk niet geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden. De parkeerautomaten, belparkeren en vergunningensystemen zijn namelijk onontbeerlijk om vast te stellen welke parkeerbelastingen niet zijn betaald. De rechtbank ziet steun voor dit oordeel in het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, waarin wordt overwogen dat de kosten van parkeerautomaten en parkeerapps niet geheel of nagenoeg geheel andere doeleinden dienen dan de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen.[5] De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr.D. Burggraaf, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 234, lid 5 van de Gemeentewet.
Artikel 234, lid 6 van de Gemeentewet.
Stb. 2019, 46.
Zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24.
Zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24. - - - ## Voetnoten
Artikel 234, lid 5 van de Gemeentewet.
Artikel 234, lid 6 van de Gemeentewet.
Stb. 2019, 46.
Zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24.
Zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:24.