Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:813 - Rechtbank Midden-Nederland - 23 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:81323 februari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK
  **MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer / rekestnummer: 11973356 \ LE VERZ 25-77
Beschikking van 23 februari 2026
in de zaak van
[verzoekende partij],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
gemachtigde: mr. E.P. Cornel,
tegen
NVF PRODUCTION B.V.,
gevestigd te Lelystad,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: NVF Production,
gemachtigde: mr. J. Zoutberg.

1 De procedure

1.1. De kantonrechter beschikt over de volgende stukken: - het verzoekschrift met producties 1 tot en met 7, - het verweerschrift, met een tegenverzoek, met producties 1 tot en met 17, - de spreekaantekeningen die tijdens de mondelinge behandeling zijn voorgedragen.
1.2. De mondelinge behandeling vond plaats op 26 januari 2026. [verzoekende partij] was aanwezig en werd bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens NVF Production was de heer [A] aanwezig. De heer [A] is de zoon van de (indirect) bestuurder van NVF Production, de heer [B] . De heer [A] was gevolmachtigd om namens NVF Production het woord te voeren. Partijen hebben op de mondelinge behandeling hun standpunten toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen en vragen beantwoord van de kantonrechter. Van de mondelinge behandeling zijn aantekeningen gemaakt door de griffier. De beschikking is bepaald op vandaag.

2 De kern van de zaak

2.1. [verzoekende partij] , geboren [1989] , is sinds 11 maart 2019 in dienst bij NVF Production in de functie van [functie] . Op 19 september 2025 is [verzoekende partij] op staande voet ontslagen. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag niet rechtsgeldig is en vernietigt het ontslag op staande voet. Het primaire verzoek van [verzoekende partij] wordt toegewezen. Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd en [verzoekende partij] recht heeft op betaling van (achterstallig) loon. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat het (voorwaardelijke) ontbindingsverzoek van NVF Production wordt afgewezen. Er is namelijk geen grond voor ontbinding. [verzoekende partij] moet dus weer worden toegelaten tot de werkzaamheden. De kantonrechter zal dit toelichten.

3 De beoordeling

Het verzoek: vernietiging ontslag op staande voet
3.1. Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet moet worden vernietigd en of NVF Production moet worden veroordeeld tot betaling van loon.
3.2. De kantonrechter oordeelt dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Dit betekent dat het verzoek van [verzoekende partij] tot vernietiging van het ontslag wordt toegewezen. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
Toetsingskader ontslag op staande voet
3.3. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een opzegging op grond van artikel 7:677 lid 1 BW (ontslag op staande voet). In dit artikel is bepaald dat ieder van de partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.
3.4. Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende redenen sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij moet worden gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals zijn leeftijd, de aard en duur van het dienstverband, de wijze waarop de werknemer tijdens het dienstverband heeft gefunctioneerd en de gevolgen die een ontslag op staande voet voor hem zou hebben. De stelplicht en de bewijslast voor het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever.
NVF Production had geen dringende reden voor ontslag
3.5. NVF Production heeft niet aangetoond dat zij een dringende reden had om [verzoekende partij] op staande voet te ontslaan. In de ontslagbrief van 19 september 2025 staat als reden voor het ontslag dat [verzoekende partij] :
3.6. De hiervoor genoemde redenen zijn echter niet komen vast te staan. [verzoekende partij] betwist de verwijten die hem worden gemaakt. Volgens [verzoekende partij] kwam de heer [B] op 19 september 2025 in opgewonden toestand de werkvloer op. Er ontstond een discussie over waarom een andere medewerker aan de machine aan het werk was. [verzoekende partij] werd daarna weggestuurd, maar volgens hem zonder reden. De dag erna ontving [verzoekende partij] de ontslagbrief. [verzoekende partij] voert aan dat hij niet heeft geweigerd de overeengekomen werkzaamheden uit te voeren en dat hij zijn werk altijd goed deed. Hij heeft nooit een waarschuwing ontvangen.
3.7. NVF Production stelt in het verweerschrift dat [verzoekende partij] is ontslagen, omdat hij (wederom) een ongekwalificeerde collega de machine liet beheren. Deze stelling heeft zij echter niet onderbouwd met stukken, of bijvoorbeeld met verklaringen van medewerkers die op 19 september 2025 aanwezig waren op de werkvloer. NVF Production heeft een verklaring overgelegd van de heer [C] , maar die heeft het over een incident in 2024. De verklaring kan dus niet dienen ter onderbouwing van het ontslag op staande voet.
3.8. NVF Production stelt daarnaast dat [verzoekende partij] een aantal keer zonder bericht niet op het werk is verschenen en een aantal keer gedreigd heeft zich ziek te melden. Ter onderbouwing verwijst NVF Production naar Whatsappberichten van of aan [verzoekende partij] , maar daaruit volgt niet hetgeen [verzoekende partij] wordt verweten. Het zijn ofwel onvolledige berichten waarbij de reactie van [verzoekende partij] ontbreekt, of het is juist een bericht van [verzoekende partij] waarin hij zich afmeldt voor werk (vanwege de aardbeving in Turkije waar hij zich op dat moment bevond). Voor zover uit deze berichten wel kan worden afgeleid dat [verzoekende partij] een keer gedreigd heeft zich ziek te melden, dan is dat voor de kantonrechter onvoldoende voor een ontslag op staande voet. Dit is bovendien ook geen onderdeel van de ontslagbrief, waardoor ook om die reden het niet als dringende reden kwalificeert. De ontslagbrief fixeert de dringende reden(en). Er kunnen niet later ook nog andere redenen worden aangevoerd.
3.9. NVF Production heeft verder geen enkele waarschuwingsbrief of iets anders overgelegd waaruit de door haar (in de ontslagbrief) gestelde dringende redenen zouden blijken. De verklaring van de heer [B] hecht de kantonrechter weinig waarde aan, omdat hij zelf de werkgever is en er dus belang bij heeft dat het ontslag niet wordt vernietigd. Bovendien is de kantonrechter van oordeel dat de heer [B] een waarschuwingsbrief had moeten sturen naar [verzoekende partij] en niet kan volstaan met een schriftelijke verklaring in de procedure. De heer [B] is niet verschenen op de mondelinge behandeling, maar heeft in plaats daarvan zijn zoon gestuurd, die niet aanwezig was bij het vermeende voorval op 19 september 2025. De kantonrechter kon de inhoud van de verklaring van de heer [B] niet verifiëren op de mondelinge behandeling.
3.10. NVF Production heeft dus niet voldaan aan haar stelplicht, waardoor de gestelde dringende reden niet is komen vast te staan. Omdat geen sprake is van een dringende reden, kan het ontslag op staande voet niet in stand blijven. De overige stellingen van [verzoekende partij] waarom het ontslag niet rechtsgeldig was, hoeven daarom geen bespreking meer.
3.11. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat [verzoekende partij] nog heeft aangevoerd dat de heer [B] niet bevoegd was om het ontslag op staande voet te geven, omdat [bedrijf] B.V. de bestuurder van NVF Production is en niet de privé persoon de heer [B] . In de praktijk is echter de heer [B] de persoon die 'achter' de vennootschap zit en dus de handtekening zet. Dat de heer [B] de ontslagbrief niet namens [bedrijf] B.V. heeft getekend, maakt niet dat het ontslag daarom door een onbevoegd persoon is gegeven. De heer [B] vertegenwoordigt (indirect) [bedrijf] B.V. en is daarom naar het oordeel van de kantonrechter wel de bevoegde persoon om een werknemer van NVF Production te ontslaan.
[verzoekende partij] heeft recht op loon plus wettelijke verhoging en rente
3.12. Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd en de arbeidsovereenkomst dus vanaf 19 september 2025 voortduurt, heeft [verzoekende partij] vanaf die datum recht op loon.
3.13. De kantonrechter is het niet eens met NVF Production dat het niet-werken vanaf 19 september 2025 in de risicosfeer van [verzoekende partij] ligt. Het is immers NVF Production geweest die [verzoekende partij] op staande voet heeft ontslagen. Dat na het ontslag de heer [A] geprobeerd heeft een gesprek te voeren met [verzoekende partij] , nadat overigens [verzoekende partij] eerst contact had gezocht, maar dat dit niet is gelukt, is geen reden om het niet-werken in de risicosfeer van [verzoekende partij] te brengen. Ook de omstandigheid dat NVF Production het ontslag heeft willen intrekken, is daarvoor onvoldoende. [verzoekende partij] is onterecht op staande voet ontslagen en heeft daarom een aantal maanden onterecht geen inkomen gehad. Een ontslag op staande voet is het zwaarste middel dat een werkgever kan inzetten. Daar moet een werkgever niet te lichtvaardig over denken. Dat [verzoekende partij] niet is ingegaan op het voorstel van NVF Production om het ontslag in te trekken en hem weer per direct aan het werk te zetten, mag daarom niet nu tegen hem worden gebruikt. [verzoekende partij] heeft toen ook aangegeven dat hij ziek was. [verzoekende partij] mocht, in plaats daarvan, deze procedure aanhangig maken. Dat [verzoekende partij] vanaf het ontslag op staande voet niet heeft gewerkt, komt voor rekening en risico van NVF Production. De vordering van [verzoekende partij] tot loonbetaling zal dus worden toegewezen.
3.14. Voor de hoogte van het loon sluit de kantonrechter aan bij het laatstverdiende loon: € 2.863,00 bruto per maand. [verzoekende partij] stelt in de spreekaantekeningen dat hij onder de CAO Groenten - en Fruitverwerkende Industrie valt, welke CAO algemeen verbindend is verklaard, en dat hij daar recentelijk pas achter is gekomen. Volgens [verzoekende partij] bedraagt het loon vanaf 19 september 2025 € 3.100,03 bruto per maand en vanaf 1 januari 2026 € 3.276,32 per maand. NVF Production meent dat geen CAO van toepassing is. Deze vermeerdering van het verzoek vond plaats in de spreekaantekeningen, wat naar het oordeel van de kantonrechter te laat is, want daardoor heeft NVF Production niet adequaat kunnen reageren. Omdat [verzoekende partij] tijdens de mondelinge behandeling heeft aangegeven een dagvaardingsprocedure te starten tegen NVF Production over onder andere dit punt, vindt de kantonrechter het vanwege proceseconomische redenen niet opportuun om NVF Production nu de gelegenheid te geven om op dit punt een nadere akte nemen. De kantonrechter gaat daarom uit van het salaris zoals is komen vast te staan in deze procedure en dat is € 2.863,00 bruto per maand.
3.15. De gevorderde wettelijke verhoging en de wettelijke rente zullen worden toegewezen, omdat NVF Production te laat heeft betaald. NVF Production heeft verzocht de wettelijke verhoging op nihil te stellen, maar de kantonrechter ziet in de feiten en omstandigheden geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen.
Het (voorwaardelijk) tegenverzoek: geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst
3.16. Omdat het ontslag op staande voet wordt vernietigd, moet ook op het ontbindingsverzoek van NVF Production worden beslist. De voorwaarde waaronder NVF Production dat verzoek heeft gedaan, is namelijk vervuld.
Het toetsingskader
3.17. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.[1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.[2]
3.18. De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
Geen e-grond
3.19. NVF Production stelt dat sprake is van verwijtbaar handelen of nalaten ('de e-grond'), want [verzoekende partij] zou – ondanks zijn ervaring als machineoperator bij NVF Production – zijn functie niet naar behoren hebben uitgevoerd c.q. in strijd hebben gehandeld met de veiligheidsregels. NVF Production heeft deze stellingen echter niet nader onderbouwd met stukken. Dat [verzoekende partij] verwijtbaar zou hebben gehandeld of nagelaten is daarom niet komen vast te staan.
Geen g-grond
3.20. Subsidiair stelt NVF Production dat de arbeidsverhouding tussen partijen duurzaam is verstoord ('de g-grond'). De heer [B] en de heer [D] hebben aangegeven dat verdere samenwerking met [verzoekende partij] niet mogelijk is vanwege zijn weigering om aanwijzingen op te volgen en zijn neiging om veiligheidsinstructies te negeren. Dat is echter niet gebleken. Als [verzoekende partij] inderdaad weigerde aanwijzingen op te volgen of veiligheidsinstructies negeerde, dan had NVF Production hem daarop moeten aanspreken en dat schriftelijk moeten bevestigen in een waarschuwingsbrief. Dat (laatste) heeft zij niet gedaan. Voor zover de samenwerking stroef liep tussen deze personen, dan mag van een werkgever worden verwacht dat een poging wordt gedaan om de samenwerking te verbeteren. Daarvan is niet gebleken. Dat [verzoekende partij] na het ontslag op staande voet geen inspanning heeft geleverd om de arbeidsrelatie te herstellen, is onvoldoende om nu te spreken van een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. [verzoekende partij] en de heer [B] hebben elkaar na het ontslag op staande voet niet meer gezien of gesproken, maar dat kan [verzoekende partij] niet worden tegenworpen. Het onterechte ontslag op staande voet heeft bij [verzoekende partij] veel teweeg gebracht, onder andere doordat hij plots geen inkomen meer had. [verzoekende partij] is na het ontslag arbeidsongeschikt geraakt. Dat de arbeidsrelatie tussen partijen op dit moment niet goed is, wil de kantonrechter wel aannemen. Dat volgt ook uit enkele stellingen van [verzoekende partij] in het verzoekschrift, bijvoorbeeld dat hij zich respectloos behandeld voelde. De kantonrechter is het echter niet eens met NVF Production dat een vruchtbare samenwerking is uitgesloten. Partijen hebben nog geen enkele poging ondernomen om de arbeidsrelatie te herstellen. Zodra de bedrijfsarts [verzoekende partij] in staat acht om te werken aan de verstoorde arbeidsverhouding, dan zullen partijen met elkaar in gesprek moeten. Voor nu is in ieder geval nog niet gebleken dat de arbeidsverhouding duurzaam is verstoord.
Geen i-grond
3.21. NVF Production stelt dat het dienstverband feitelijk onhoudbaar is geworden door een combinatie van verwijtbaar handelen of nalaten, een verstoorde arbeidsverhouding en disfunctioneren van [verzoekende partij] . Door de houding van [verzoekende partij] en weigering om instructies op te volgen, heeft hij laten blijken ongeschikt te zijn voor de functie van [functie] . De kantonrechter volgt NVF Production niet in het standpunt dat het dienstverband feitelijk onhoudbaar is geworden. Zoals hiervoor al overwogen is van verwijtbaar handelen of nalaten geen sprake. De arbeidsverhouding is verstoord, maar niet duurzaam verstoord. Van disfunctioneren is niet gebleken, want dat heeft NVF Production niet nader onderbouwd.
3.22. De conclusie is dat de arbeidsovereenkomst niet zal worden ontbonden. Dit betekent dat [verzoekende partij] weer zal moeten worden toegelaten tot het werk, zoals door hem verzocht, zodra hij daartoe in staat wordt geacht.
Wel werkhervatting, maar geen dwangsom
3.23. [verzoekende partij] is sinds 19 januari 2026 arbeidsongeschikt wegens ziekte. Hij verzoekt om toegelaten te worden tot de werkzaamheden, nadat hij door de bedrijfsarts hersteld zal zijn verklaard. Dit verzoek wijst de kantonrechter toe.
3.24. Omdat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd, zijn partijen verplicht zich te houden aan de verplichtingen die volgen uit het hebben van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter heeft geen reden om te twijfelen dat NVF Production zich aan die verplichtingen zal houden. NVF Production heeft verklaard dat zij [verzoekende partij] zal toelaten tot de werkvloer. [verzoekende partij] heeft ook niet gesteld dat NVF Production niet zal meewerken. De verzochte dwangsom van € 1.000, - per dag dat [verzoekende partij] niet wordt toegelaten tot de werkvloer wordt daarom afgewezen.
De proceskosten in beide verzoeken komen voor rekening van NVF Production
3.25. De proceskosten komen voor rekening van NVF Production, omdat NVF Production overwegend ongelijk krijgt in zowel het verzoek als het tegenverzoek. Ook is sprake van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van NVF Production doordat zij [verzoekende partij] onterecht op staande voet heeft ontslagen. De proceskosten aan de zijde van [verzoekende partij] worden begroot op:

4 De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
4.1. vernietigt het ontslag op staande voet,
4.2. veroordeelt NVF Production om [verzoekende partij] toe te laten tot de bedongen werkzaamheden zodra hij daartoe in staat wordt geacht door de bedrijfsarts,
4.3. veroordeelt NVF Production tot betaling aan [verzoekende partij] van het achterstallige loon (€ 2.863,00 bruto per maand) vanaf 19 september 2025, te vermeerderen met de maximale wettelijke verhoging (als bedoeld in artikel 7:625 BW) en te vermeerderen met de wettelijke rente over het te betalen loon vanaf datum verschuldigdheid tot aan de dag van de gehele betaling,
4.4. veroordeelt NVF Production in de proceskosten van € 1.266,-,
4.5. verklaart deze beschikking wat betreft de onder 4.2, 4.3 en 4.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad[3],
4.6. wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek
4.7. wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
4.8. veroordeelt NVF Production in de proceskosten van € 865,00,
4.9. verklaart deze beschikking wat betreft de onder 4.8 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.R. van der Vos, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2026.
SB5790
Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 7:669 lid 1 BW.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan. - - - ## Voetnoten
Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
Artikel 7:669 lid 1 BW.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.