Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:798 - Rechtbank Midden-Nederland - 9 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:798•9 maart 2026
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5139
(gemachtigde: F.L. Snoek),
en
(gemachtigden: mr. G. Fazzi en R. Mastenbroek).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Coöperatieve Producentenorganisatie voor de Visserij Urk U.A., uit Urk (CPO Urk)
(gemachtigde: F.L. Snoek).
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor de vernieuwing van zijn vaarbevoegdheidsbewijs, omdat eiser niet in het bezit is van het certificaat brandbestrijding voor gevorderden en het certificaat reddingmiddelen, terwijl dat volgens de minister wel is vereist voor de functies schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter en stuurman-werktuigkundige zeevisvaart. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank moet in deze zaak de vraag beantwoorden of eisers aanvraag terecht is afgewezen omdat eiser niet beschikt over de certificaten.
Procesverloop
- Eiser heeft een aanvraag ingediend voor de vernieuwing van zijn vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies schipper zeevisvaart met de beperking tot vissersvaartuigen van minder dan 60 meter (schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter), stuurman-werktuigkundige zeevisvaart voor alle vissersvaartuigen (stuurman-werktuigkundige) en radio-operator*.*
2.1. De minister heeft deze aanvraag afgewezen omdat eiser niet in het bezit is van het certificaat brandbestrijding voor gevorderden en het certificaat reddingmiddelen (de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen).
2.2. Met de beslissing van 19 juni 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (het bestreden besluit).
2.3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.4. In afwachting van de behandeling van het beroep, heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft dit verzoek op 20 november 2024[1] afgewezen.
2.5. De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld, samen met de zaak UTR 24/1959. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en CPO Urk, [A] en [B] (vertegenwoordigers CPO Urk) en de gemachtigden van de minister. Eiser was niet aanwezig.
Achtergrond
- Eiser is visser en om de functies uit te kunnen voeren waarvoor eiser in deze zaak een aanvraag heeft gedaan, is een vaarbevoegdheidsbewijs vereist. Eiser had dat vaarbevoegdheidsbewijs, want hij voldeed aan de eisen die op dat moment golden: hij heeft via een opleiding bij de zeevaartschool in 2005 het kennisbewijs stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen SW5 (kennisbewijs SW5) behaald en vervolgens de nodige ervaring opgedaan in relevante functies. In 2005 was het certificaat basisveiligheid voor vissers onderdeel van de opleiding aan de zeevaartschool. Eiser vraagt dus om vernieuwing van zijn vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter, stuurman-werktuigkundige en radio-operator. Daar zijn partijen het ook over eens.
3.1. In 2019 is de wet - en regelgeving[2] over vaarbevoegdheidsbewijzen aangepast in de zin dat naast het kennisbewijs SW5 en de relevante ervaring ook aanvullende certificaten moeten worden behaald, waaronder de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen. Volgens de minister geldt dit niet alleen voor de situatie waarin iemand voor het eerst een vaarbevoegdheidsbewijs aanvraagt, maar ook voor de vernieuwing daarvan.
3.2. Omdat eiser de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen niet heeft, is zijn aanvraag voor de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter afgewezen. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat hiermee ook automatisch de aanvraag voor de functie stuurman-werktuigkundige is afgewezen. Als het vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter namelijk wordt afgewezen, dan kan vernieuwing voor die andere functie niet meer aan de orde zijn.
3.3. Eiser stelt zich op het standpunt dat voor vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen niet zijn vereist en dat niet van hem kan worden verlangd dat hij deze certificaten behaalt om zijn vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van stuurman-werktuigkundige te kunnen vernieuwen. Met dit laatste doet eiser een beroep op het evenredigheidsbeginsel. De twee vragen die de rechtbank moet beantwoorden, zijn (1) of de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen vereist zijn voor de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter; en (2) of het evenredig is om te verlangen dat eiser de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen behaalt om in aanmerking te kunnen komen voor een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie stuurman-werktuigkundige.
3.4. Inmiddels heeft eiser een vaarbevoegdheidsbewijs voor radio-operator gekregen. Eiser heeft daarom in deze procedure geen belang meer bij een oordeel over dat deel van zijn aanvraag. Het gaat dus enkel om zijn aanvraag voor de vernieuwing van zijn vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter en stuurman-werktuigkundige.
Beoordeling door de rechtbank
Zijn de certificaten vereist voor de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter?
- Voor beantwoording van de eerste vraag, is het volgende relevant. Op grond van het (ten tijde van het bestreden besluit geldende) artikel 10.2 van de Regeling zeevarenden gelden voor vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs deels dezelfde regels als voor een eerste aanvraag. Die regels staan in het Besluit zeevarenden (het Besluit) en houden in dat een visser moet beschikken over het voor de functie relevante kennisbewijs en de benodigde bekwaamheidsbewijzen. Een bekwaamheidsbewijs is volgens artikel 1, eerste lid, onder q, van het Besluit onder meer een certificaat dat iemand heeft behaald door het met goed gevolg afsluiten van een erkende training. Voor vernieuwing gelden daarnaast ervaringseisen, zoals die staan in artikel 8 van het Besluit. Voor het vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter, staan de specifieke eisen verder in artikel 28e, tweede lid, van het Besluit. Hierin staat dat het kennisbewijs (SW5) recht geeft op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter als de aanvrager de relevante ervaring heeft en in het bezit is van het certificaat medische eerste hulp aan boord en het certificaat medische zorg aan boord. In artikel 28e, eerste lid, van het Besluit staan de specifieke eisen voor onder meer de functies stuurman-werktuigkundige en plaatsvervangend schipper zeevisvaart met de beperking tot vissersvaartuigen tot 60 meter. In dat lid staat dat het kennisbewijs SW5, samen met de relevante ervaring en de in dat lid opgesomde certificaten, waaronder: het certificaat reddingmiddelen (b) en het certificaat brandbestrijding (c), recht geeft op een vaarbevoegdheidsbewijs voor onder meer de functies stuurman-werktuigkundige en plaatsvervangend schipper zeevisvaart met de beperking tot vissersvaartuigen tot 60 meter.
- In deze zaak staan het kennisbewijs en de relevante ervaring niet ter discussie. De rechtbank gaat ervan uit dat eiser daarover beschikt. Het gaat zoals gezegd over de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen.
5.1. Eiser voert aan dat de certificaten voor de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter niet zijn vereist, omdat artikel 28e, tweede lid, van het Besluit voor deze functie alleen de certificaten medische eerste hulp aan boord en medische zorg aan boord verplicht.
5.2. De minister ziet dat anders. Volgens hem zijn de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen voor de vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs voor deze functie wel vereist. Dit volgt niet uit het overgangsrecht en staat ook niet met zoveel woorden in artikel 28e, tweede lid, van het Besluit, maar volgt volgens de minister uit de gelaagde structuur van artikel 28e. Als iemand voor het eerst een aanvraag doet voor een vaarbevoegdheidsbewijs, komt diegene alleen in aanmerking voor een vaarbevoegdheidsbewijs voor één van de functies uit het eerste lid van dit artikel. Het eerste lid bepaalt dat voor die functies onder meer de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen zijn vereist. Vervolgens komt een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter pas in beeld. Voor die functie is namelijk ervaring in functies uit het eerste lid vereist en dat impliceert dat iemand eerst aan de eisen van het eerste lid moet voldoen, inclusief de daarbij gevraagde certificaten. Deze uitleg van artikel 28e van het Besluit is volgens de minister in lijn met de bedoeling van de wet - en regelgever. Het is de bedoeling geweest dat elke visser over alle certificaten beschikt. De huidige wet - en regelgeving bevestigt dit. Bovendien staat het certificaat basisveiligheid voor vissers ook alleen in het eerste lid, maar is het evident wel de bedoeling van de wetgever dat dit certificaat nodig is voor bijvoorbeeld de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter. Verder noemt de minister nog dat de in het tweede lid genoemde vereiste certificaten medische hulp aan boord en medische zorg aan boord alleen expliciet (ook) worden genoemd in dat lid, omdat voor deze certificaten een herhalingsplicht geldt: deze certificaten moeten eens in de zoveel tijd opnieuw worden behaald. Dat geldt niet voor de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen. De minister heeft op de zitting verklaard dat het overgangsrecht uit artikel 125ee van het Besluit niet relevant is voor de beoordeling.
5.3. De rechtbank oordeelt dat uit de regelgeving niet volgt dat voor de vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter is vereist dat eiser de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen heeft. Zoals gezegd, staat in artikel 28e, tweede lid, van het Besluit dat het kennisbewijs (SW5) recht geeft op een vaarbevoegdheidsbewijs voor deze functie als de aanvrager een bepaalde ervaring heeft en in het bezit is van het certificaat medische eerste hulp aan boord en het certificaat medische zorg aan boord. Hier worden dus niet de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen genoemd. Die worden alleen in het eerste lid van artikel 28e van het Besluit genoemd, maar dat lid gaat niet over de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter. Als de wetgever had bedoeld dat ook de certificaten die verplicht zijn gesteld voor één van de functies uit het eerste lid voor de vernieuwing van de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter zouden gelden, had de wetgever opgeschreven dat een vaarbevoegdheidsbewijs uit het eerste lid in combinatie met de in het tweede lid genoemde certificaten recht geeft op het vaarbevoegdheidsbewijs voor deze functie. Dan zou de gelaagde structuur waarop de minister doelt, door de wetgever zijn opgenomen voor vernieuwing van vaarbevoegdheidsbewijzen. Daarvan is nu geen sprake aangezien in het tweede lid enkel staat dat het kennisbewijs SW5 in combinatie met de twee medische certificaten en ervaring, recht geeft op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie schipper zeevisvaart voor vaartuigen tot 60 meter.
5.4. De rechtbank begrijpt dat het eerste lid (en de daarin genoemde certificaten) bij een eerste aanvraag voor de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter wél relevant is. Voor deze functie moet iemand immers ervaring hebben in een functie met een vaarbevoegdheidsbewijs als genoemd in het eerste lid. Dat vaarbevoegdheidsbewijs wordt alleen verstrekt als diegene alle genoemde certificaten heeft. Oftewel: iemand moet eerst aan de vereisten van het eerste lid voldoen (inclusief alle certificaten) om een vaarbevoegdheidsbewijs te krijgen en vervolgens met dat bewijs ervaring opdoen om aan de ervaringseisen van het tweede lid te voldoen. Daarin zit dus ook de gelaagdheid die de minister beschrijft. Echter, die situatie doet zich hier niet voor. Niet de ervaringseisen van het tweede lid gelden voor vernieuwing, maar de ervaringseisen van artikel 8 van het Besluit en bovenal wordt door de minister niet betwist dat eiser over de vereiste ervaring beschikt met een toen geldig vaarbevoegdheidsbewijs.
5.5. Verder stelt de rechtbank vast dat haar ook niet uit de toelichting bij de wet - en regelgeving is gebleken dat de gelaagde structuur van artikel 28e van het Besluit eveneens betrekking heeft op vernieuwing van vaarbevoegdheidsbewijzen. Uit de nieuwe wet - en regelgeving kan dat evenmin worden afgeleid. Ook ziet de rechtbank geen bevestiging voor de uitleg van de minister in het gegeven dat alle vissers het certificaat basisveiligheid moeten hebben. Dit certificaat staat weliswaar niet in artikel 28e, tweede lid, van het Besluit genoemd, maar in artikel 40a, eerste lid, van het Besluit, waar staat dat elke visser in het bezit moet zijn van het certificaat basisveiligheid. Dat dit certificaat los wordt genoemd in het Besluit laat dus eerder zien dat niet altijd iedere visser de certificaten in artikel 28e, eerste lid, van het Besluit heeft en het daarom van belang werd geacht om dit apart te regelen voor alle vissers.
5.6. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat voor de vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen niet zijn vereist. Eisers aanvraag voor vernieuwing van zijn vaarbevoegdheidsbewijs voor deze functie had dan ook niet mogen worden afgewezen omdat eiser niet beschikt over deze certificaten.
5.7. Deze beroepsgrond slaagt. Welke gevolgen dit voor eiser heeft, zal de rechtbank later bespreken.
Is het evenredig om de certificaten te eisen voor de functie stuurman-werktuigkundige?
- De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen vereist zijn voor de functie stuurman-werktuigkundige. Die functie staat namelijk in artikel 28e, eerste lid, van het Besluit en daarin staat expliciet dat de certificaten voor die functie zijn vereist.
6.1. Eiser stelt echter dat het onevenredig is om voor een vaarbevoegdheidsbewijs voor stuurman-werktuigkundige de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen te verlangen van de al werkzame vissers die eerder over een vaarbevoegdheidsbewijs beschikten en specifiek: van eiser. Voor het behalen van deze certificaten moeten namelijk zware trainingen worden gevolgd die niet door internationale verdragen worden voorgeschreven en die veel geld, tijd en energie kosten. Tijdens de zitting is door de gemachtigde van eiser en CPO Urk toegelicht dat eiser niet vaart op schepen die langer zijn dan 45 meter en een maximaal vermogen hebben van 1471 Kw en 2000 Pk. Eiser vaart met die schepen op de Noordzee, het Skagerrak en bij het Kanaal. Eiser komt met deze schepen niet op de oceanen. Dit wordt door de minister niet betwist. De gemachtigde van eiser heeft daarover tijdens de zitting toegelicht dat bij de training brandbestrijding vooral wordt geoefend met perslucht, met brandweerploegen en met apparatuur die niet aan boord is van de vissersschepen waarop eiser vaart, maar vooral bedoeld is voor passagiersschepen en olietankers. Daarnaast wordt bij de training reddingmiddelen gebruik gemaakt van 10 meter lange gemotoriseerde reddingsboten die niet bij de vissersschepen waarop eiser vaart aan boord zijn. Dat zijn reddingsboten die voornamelijk op cruiseschepen en grotere schepen aanwezig zijn. Daarom heeft het volgens eiser geen toegevoegde waarde om de certificaten te halen. Ook niet voor de andere vissers die alleen op dat soort schepen met dat vermogen varen en niet de oceanen op gaan. Dit blijkt ook uit het feit dat deze trainingen tot 2019 nooit verplicht zijn geweest voor deze schepen. Alle theoretische kennis en praktische ervaring die relevant is voor brandbestrijding en reddingmiddelen op dergelijke schepen wordt al opgedaan bij de opleiding voor het kennisbewijs SW5 aan de zeevaartschool, de verplichte training basisveiligheid vissers en de andere verplichte trainingen. Daarin wordt namelijk al geoefend met betrekking tot persoonlijke overlevingstechnieken, brandbescherming en brandbestrijding, noodprocedures, eerste hulp bij ongevallen, voorkoming van verontreiniging op zee, voorkoming van ongevallen aan boord en wordt getraind met het omgaan met ongemotoriseerde reddingsvlotten. Ten slotte stelt eiser dat het besluit grote financiële gevolgen voor hem heeft. Eiser kan op dit moment alleen maar vissen op schepen tot 24 meter en dat levert minder inkomsten op. Eiser heeft een groot gezin, dus de gevolgen zijn aanzienlijk. Daarnaast zijn de kosten voor het alsnog behalen van de certificaten eveneens aanzienlijk voor eiser. De minister heeft niet betwist dat de nadelige gevolgen voor eiser groot zijn.
6.2. De minister benadrukt dat de certificaten er juist zijn vanuit het oogpunt van veiligheid van het schip en de bemanning zelf. Het is van groot belang om te weten hoe moet worden gehandeld in noodsituaties. Met het verplicht stellen van de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen is (mede) beoogd om de veiligheid op vissersschepen te verhogen. De minister heeft daarover tijdens de zitting verder toegelicht dat het van belang is dat een stuurman-werktuigkundige de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen heeft. Tijdens de trainingen wordt namelijk geoefend op het leiding geven in complexe situaties. Hoe gaat de bemanning van boord en hoe bestrijden ze een complexe brand. Midden op zee kan een schip niet zomaar de kustwacht bellen als er een brand uitbreekt. De bemanning is dan op zichzelf aangewezen. Wat betreft de training reddingmiddelen is aangegeven dat daar voornamelijk wordt geleerd om instructies te kunnen geven in noodsituaties. Tijdens deze training wordt niet geoefend met ongemotoriseerde reddingsvlotten, die voornamelijk aanwezig zijn op de vissersschepen korter dan 60 meter. De minister stelt daarnaast dat deze trainingen wel degelijk afwijken van de training voor het certificaat basisveiligheid. Die training ziet namelijk op persoonlijke veiligheid terwijl bij de trainingen brandbestrijding en reddingmiddelen echt wordt geleerd hoe bemanning leiding kan geven in complexe noodsituaties. Gelet op het belang van de veiligheid aan boord, vindt de minister dat het verplicht stellen van de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen evenredig is. In het kader van het evenredigheidsbeginsel merkt de minister op dat het hier gaat om een besluit van algemene strekking waaraan een politiek bestuurlijke afweging ten grondslag ligt. Deze verplichting is daarbij een geschikt en noodzakelijk middel om dat doel te bereiken. De omstandigheid dat het behalen van de certificaten voor eiser een zware fysieke, emotionele en financiële belasting is, zorgt er verder niet voor dat het besluit onevenwichtig is. Alle vissers dienen namelijk te voldoen aan de wettelijke vereisten om in aanmerking te komen voor de vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs. Daarnaast is er geen sprake van een bijzondere omstandigheid, het behalen van de certificaten is namelijk door de wetgever beoogd.
6.3. De rechtbank begrijpt het standpunt van eiser zo dat eiser primair stelt dat het verplichten van de certificaten brandveiligheid en reddingmiddelen op grond van artikel 28e, eerste lid, onder b en c, van het Besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en dat dit artikel daarom buiten toepassing moet blijven en subsidiair dat dit artikel in eisers specifieke geval niet mag worden toegepast wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel.
De minister heeft er in het verweerschrift op gewezen dat eiser niet in beroep kan tegen artikel 28e, eerste lid, van het Besluit. Dat klopt, maar de rechtbank kan dat artikel over de band van het bestreden besluit toetsen aan het evenredigheidsbeginsel uit artikel 3:4, tweede lid, van de Awb (de zogenaamde exceptieve toets) omdat het Besluit een algemeen verbindend voorschrift (avv) is en geen wet in formele zin. Dat is ook met partijen op de zitting besproken. De rechtbank zal dus eerst artikel 28e, eerste lid, onder b en c, van het Besluit exceptief toetsen aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb en daarna beoordeelt de rechtbank of toepassing van dat artikel in eisers concrete geval buiten toepassing moet blijven wegens strijd met het evenredigheidsbeginsel (de zogenaamde rechtstreekse toetsing).
Exceptieve toets van artikel 28e, eerste lid, onder b en c, van het Besluit aan artikel 3:4, tweede lid, van de Awb
6.4. De rechtbank stelt het volgende voorop. Bij de toetsing van een avv aan algemene rechtsbeginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel, heeft de rechter niet tot taak om de waarde of het maatschappelijk gewicht dat aan de betrokken belangen moet worden toegekend, naar eigen inzicht vast te stellen. De intensiteit van de rechterlijke beoordeling van een algemeen verbindend voorschrift is afhankelijk van onder meer de beslissingsruimte die het vaststellend orgaan heeft, gelet op de aard en de inhoud van de vaststellingsbevoegdheid en de daarbij te betrekken belangen. Die beoordeling kan materieel terughoudend zijn als de beslissingsruimte voortvloeit uit de feitelijke of technische complexiteit van de materie, dan wel als bij het nemen van de beslissing politiek-bestuurlijke afwegingen kunnen worden of zijn gemaakt. Wat de in acht te nemen belangen en de weging van die belangen betreft, geldt dat de beoordeling daarvan intensiever kan zijn naarmate het algemeen verbindend voorschrift meer ingrijpt in het leven van de belanghebbende(n) en daarbij fundamentele rechten aan de orde zijn.[3]
6.5. De rechtbank zal in dit geval terughoudend toetsen aangezien het verplicht stellen van de certificaten in het Besluit een politiek-bestuurlijke afweging is geweest. Artikel 19, eerste lid, van de Wet zeevarenden geeft de minister een bevoegdheid om de voorwaarden vast te stellen waaronder een vaarbevoegdheidsbewijs wordt afgegeven en de minister heeft dat voor de functie van stuurman-werktuigkundige gedaan in artikel 28e, eerste lid, van het Besluit. Het gaat vervolgens om de vraag of twee van die voorwaarden, namelijk het verplicht stellen van de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen in artikel 28e, eerste lid, onder b en c, van het Besluit, geschikt, noodzakelijk en evenwichtig zijn.[4]
6.6. De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister niet heeft betwist dat er een groep vissers is die over het algemeen varen op schepen korter dan 45 meter, een maximaal vermogen hebben van 1471 Kw en 2000 Pk en niet de oceanen opgaan. Op die schepen zijn de apparatuur en de reddingsboten niet aanwezig waarmee wordt geoefend tijdens de trainingen voor de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen. De rechtbank oordeelt daarom dat de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen voor de groep vissers waar eiser onder valt van minder groot belang is. Deze schepen kunnen namelijk snel de hulp van de kustwacht inschakelen. Daarmee is ook het belang van het leiding kunnen geven in complexe noodsituaties ver op zee ondergeschikt.
6.7. Vervolgens overweegt de rechtbank dat artikel 28e, eerste lid, van het Besluit niet alleen ziet op de groep vissers waar eiser onder valt, maar op een grotere groep vissers. Met het vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie stuurman-werktuigkundige in de zin van dit artikel kan een visser namelijk op alle vissersvaartuigen varen. Deze zijn dus niet in lengte of vaargebied beperkt en kunnen dus ook de oceanen op.
6.8. Gelet daarop oordeelt de rechtbank dat het verplicht stellen van de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen voor de functie stuurman-werktuigkundige voor alle vissersvaartuigen, uit artikel 28e, eerste lid, onder b en c, van het Besluit, niet onevenredig is. Weliswaar is het belang van het hebben van deze certificaten voor vissers zoals eiser, die varen op schepen korter dan 45 meter en niet de oceanen opgaan, minder groot, maar met de functie stuurman-werktuigkundige kan een visser juist op alle vissersvaartuigen varen, dus ook op schepen van meer dan 45 meter die wel midden op zee varen. Voor vissers die met deze functie wel op die schepen varen, is het, gelet op de uitleg van de minister, in ieder geval van belang om de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen te hebben. De veiligheid moet namelijk worden gewaarborgd voor deze schepen (waar de kustwacht dus niet snel ter plaatse is) en waar wel de apparatuur en reddingsboten aanwezig zijn waarmee wordt geoefend tijdens de trainingen voor deze certificaten. Voor die vissers is het wel degelijk van belang om in complexe noodsituaties leiding te kunnen geven.
6.9. De rechtbank concludeert dat artikel 28e, eerste lid, onder b en c van het Besluit niet in strijd is met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. Dit artikel ziet namelijk op een grotere groep vissers dan alleen de groep waar eiser onder valt. Voor die grotere groep vissers zijn de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen een geschikt, noodzakelijk en evenwichtig middel om de veiligheid op schepen langer dan 45 meter die midden op zee varen, te waarborgen. Er is dus geen aanleiding om te oordelen dat dit artikel onverbindend is en in geen enkel geval mag worden toegepast.
Rechtstreekse toets aan het evenredigheidsbeginsel
- Vervolgens moet de rechtbank de vraag beantwoorden of artikel 28e, eerste lid, onder b en c, van het Besluit in het concrete geval van eiser buiten toepassing moet blijven. Artikel 28e, eerste lid, van het Besluit bepaalt dwingend wanneer er een vaarbevoegdheidsbewijs wordt afgegeven. Het gaat dus om een zogenaamde gebonden bevoegdheid die berust op een avv. Dat betekent dat de rechtbank moet toetsen aan het ongeschreven evenredigheidsbeginsel. De rechtbank moet toetsen of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in dit geval toepassing van 28e, eerste lid, onder b en c, van het Besluit voor eiser zozeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing achterwege moet blijven. Dat is het geval als het niet afgeven van een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie van stuurman-werktuigkundige in de gegeven omstandigheden voor eiser onredelijk bezwarend is.
[5]
7.1. De rechtbank oordeelt gelet op het voorgaande dat dat hier het geval is. Zoals hiervoor overwogen kan de rechtbank het standpunt van de minister volgen dat het van belang is om in bepaalde gevallen de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen te hebben, met name bij grotere schepen waar de kustwacht niet snel aanwezig kan zijn. Eiser vaart echter alleen maar op schepen korter dan 45 meter die niet midden op zee varen. Daarnaast is eiser al een lange tijd schipper en heeft hij al die tijd het vaarbevoegdheidsbewijs gehad voor de functie stuurman-werktuigkundige. Eiser vaart ook altijd al op schepen korter dan 45 meter waarmee hij niet midden op zee vaart en waarop de eerder genoemde apparatuur en reddingsboten niet aanwezig zijn. Het belang om de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen te hebben voor de functie stuurman-werktuigkundige is in eisers geval dus gering. Het belang voor het hebben van de certificaten voor eiser weegt vervolgens niet op tegen de nadelige financiële gevolgen die dit voor eiser met zich brengt. De kosten voor het behalen van de certificaten zijn namelijk hoog. Namens CPO Urk is onweersproken naar voren gebracht dat de kosten voor het volgen van trainingen en de verletkosten voor vissers, dus ook voor eiser, kunnen oplopen tot € 8.000,-. Daar komt bij dat eiser op dit moment niet op schepen kan varen waar hij voorheen en gebruikelijk op vaart, namelijk schepen die langer zijn dan 24 meter en korter zijn dan 45 meter. Daardoor zijn eisers huidige inkomsten aanzienlijk minder. Overigens lijkt het hebben van deze certificaten door de minister ook van ondergeschikt belang te worden geacht aangezien de minister sinds 2019 bij een vernieuwing ook niet geldige of verlopen certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen accepteert. Als de minister de veiligheid op de schepen waar eiser op vaart van groot belang had gevonden, dan zou de minister geen verlopen of niet geldige certificaten accepteren aangezien hij dan ook niet kan waarborgen dat de nodige kennis en vaardigheden bij de bemanning actueel is.
7.2. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de minister eisers aanvraag voor een vernieuwing van zijn vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie stuurman-werktuigkundige onterecht heeft afgewezen vanwege het feit dat eiser de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen niet heeft. Toepassing van deze vereisten uit artikel 28e, eerste lid, onder b en c, van het Besluit is namelijk onredelijk bezwarend voor eiser en de minister had dit artikel dus buiten toepassing moeten laten. Omdat de minister dat niet heeft gedaan, is het bestreden besluit in strijd met het ongeschreven evenredigheidsbeginsel genomen.
7.3. Deze beroepsgrond slaagt.
7.4. Omdat de beroepsgronden over de functies schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter en stuurman-werktuigkundige slagen, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer. Eiser heeft zijn verzoek om schadevergoeding op zitting ingetrokken.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep van eiser is gegrond omdat eisers aanvraag niet mocht worden afgewezen vanwege het feit dat eiser niet beschikt over de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister binnen de wettelijke beslistermijn een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
8.1. Voor eiser betekent dit concreet dat de minister opnieuw moet beslissen op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor de vernieuwing van zijn vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter en stuurman-werktuigkundige. Daarbij mag de minister eiser dus niet vragen om de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen te overleggen. Als eiser aan de andere vereisten voor de vernieuwing voldoet, zal de minister eisers vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies schipper zeevisvaart op vaartuigen tot 60 meter en stuurman-werktuigkundige moeten vernieuwen en zijn aanvraag dus moeten toewijzen.
8.2. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 19 juni 2024; - draagt de minister op binnen de wettelijke beslistermijn na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak; - bepaalt dat de minister het griffierecht van € 187, - aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868, - aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, en mr. A.A.M. Elzakkers en mr. J.A.J. Woutersen, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: wet - en regelgeving
Wet zeevarenden
Artikel 19
- Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden:
a. voor de verkrijging van de vaarbevoegdheden, genoemd in artikel 18, tweede lid, vastgesteld;
1°de beroepsvereisten;
2°de opgedane ervaring;
3°de eisen van medische geschiktheid, en
4°de wijze waarop wordt beoordeeld of wordt voldaan aan de onder ten 1° en ten 2° bedoelde eisen;
de geldigheidsduur van het vaarbevoegdheidsbewijs, alsmede de wijze van eerste afgifte, vervanging of vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs geregeld.
- Aan de voor de afgifte van een vaarbevoegdheidsbewijs benodigde beroepsvereisten kan worden voldaan door het met goed gevolg hebben afgelegd van het afsluitend examen van een aan een op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bekostigde hogeschool of rechtspersoon hoger onderwijs verbonden opleiding voor een nautisch beroep dan wel het met goed gevolg hebben afgelegd van het examen van een nautische beroepsopleiding waarvoor op grond van de Wet educatie en beroepsonderwijs een kwalificatiedossier is, of eindtermen zijn vastgesteld.
Besluit zeevarenden
Artikel 1
- In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
q. certificaat: een bekwaamheidsbewijs waaruit blijkt dat een door Onze Minister erkende training met goed gevolg is afgesloten en een bekwaamheidsbewijs als bedoeld in artikel 68 van de wet;
Artikel 8
- Een vaarbevoegdheidsbewijs wordt afgegeven indien de aanvrager aantoont ten minste te voldoen aan de ingevolge dit besluit vereiste kennis en ervaring, mits het kennisbewijs ten hoogste vier jaar voor het indienen van de aanvraag is afgegeven.
- Een vaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop kan worden vernieuwd indien de houder heeft dienstgedaan in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie waarvoor een vaarbevoegdheid is vereist en die door de houder op grond van de aan hem toegekende vaarbevoegdheden mocht worden vervuld of in een andere, bij regeling van Onze Minister vastgestelde, daarmee vergelijkbare functie, gedurende ten minste:
a. 12 maanden in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing; of
b. 3 maanden in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing.
- Een vaarbevoegdheidsbewijs of een aanvulling daarop dat niet op grond van het tweede lid kan worden vernieuwd wordt op verzoek vernieuwd indien de houder voorafgaand aan de aanvraag:
a. gedurende ten minste 3 maanden in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van Onze Minister relevante functie boven de sterkte heeft dienstgedaan voor zover de geldigheid van het te vernieuwen vaarbewijs niet langer dan 5 jaar is verstreken;
b. gedurende ten minste 3 maanden in de periode van 6 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag tot vernieuwing in een naar het oordeel van Onze Minister relevante maar lagere functie heeft dienstgedaan dan waarvoor zijn ongeldig geworden vaarbevoegdheidsbewijs gold voor zover de geldigheid van het te vernieuwen vaarbewijs niet langer dan 5 jaar is verstreken, of
c. een opleiding heeft gevolgd als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de wet en deze met succes heeft afgesloten.
- Onze Minister geeft op verzoek een vaarbevoegdheidsbewijs af met een geldigheidsduur van ten hoogste 12 maanden voor de vervulling van een functie als bedoeld in het derde lid, onderdelen a en b.
- Een vaarbevoegdheidsbewijs dat verloren is gegaan kan worden vervangen door een duplicaat vaarbevoegdheidsbewijs, waarvan de einddatum overeenkomt met de einddatum op het originele document.
- Indien de aanvrager van een duplicaat aanspraak kan maken op vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs, wordt hem desgevraagd met inachtneming van het tweede lid een vaarbevoegdheidsbewijs afgegeven.
- Voor de afgifte van vaarbevoegdheidsbewijzen voor het dienstdoen op zeilschepen van minder dan 500 GT zijn, voor zover dat bij regeling van Onze Minister is bepaald, in plaats van de in het eerste tot en met zevende lid vermelde eisen de in die regeling vermelde eisen van toepassing.
Artikel 28e
- Onverminderd artikel 8 geeft het bezit van het kennisbewijs stuurman-werktuigkundige vissersvaartuigen SW5, tezamen met:
a. het certificaat basisveiligheid voor vissers;
b. het certificaat reddingmiddelen;
c. het certificaat brandbestrijding voor gevorderden;
d. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
e. het algemeen certificaat voor de maritieme radiocommunicatie,
de aanvrager die de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functies:
f. stuurman-werktuigkundige zeevisvaart alle vissersvaartuigen;
g. stuurman zeevisvaart alle vissersvaartuigen;
h. plaatsvervangend schipper zeevisvaart met de beperking tot vissersvaartuigen tot 60 meter;
i. wachtwerktuigkundige zeevisvaart alle vissersvaartuigen;
j. tweede werktuigkundige zeevisvaart vissersvaartuigen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen;
k. gezel zeevisvaart;
l. wachtwerktuigkundige alle schepen;
m. wachtlopend gezel dek alle schepen;
n. wachtlopend gezel machinekamer alle schepen; en
o. wachtlopend gezel dek en machinekamer alle schepen.
- Het kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie schipper zeevisvaart met de beperking tot vissersvaartuigen van minder dan 60 meter, indien de aanvrager in het bezit is van:
a. het certificaat medische eerste hulp aan boord; en
b. het certificaat medische zorg aan boord,
en een ervaring heeft van:
c. ten minste 36 maanden in de functie, genoemd in het eerste lid, onderdeel g of h, of
d. ten minste 24 maanden in de functie, genoemd in het eerste lid, onderdeel g of h, waarvan ten minste 12 maanden in de functie, genoemd in het eerste lid, onderdeel h.
- Het kennisbewijs geeft recht op een vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie hoofdwerktuigkundige zeevisvaart vissersvaartuigen met minder dan 3.000 kW voortstuwingsvermogen, indien de aanvrager een ervaring heeft van ten minste 24 maanden in de functie, genoemd in het eerste lid, onderdeel i of j.
Artikel 40a
- Elke visser is in het bezit van het certificaat basisveiligheid voor vissers.
- Elke visser krijgt, alvorens hij zijn taak aan boord aanvangt, voldoende informatie en instructie ten einde:
a. met de overige opvarenden over elementaire veiligheidszaken te kunnen spreken, begrip te hebben van de veiligheidssymbolen en de alarmseinen te kennen;
b. voldoende bekend te zijn met de aanwezige uitrusting en de bediening ervan, met inbegrip van de te nemen veiligheidsmaatregelen voordat hij de uitrusting gebruikt.
c. te weten wat te doen indien: - iemand over boord valt; - vuur of rook wordt ontdekt; en - het sein «brandalarm» of «schip verlaten» wordt gegeven;
d. te weten waar de reddingsgordels zich bevinden en hoe deze om te doen;
e. alarm te slaan en bekend te zijn met het gebruik van handbrandblussers;
f. te weten wat te doen bij een ongeluk voordat hulp wordt ingeroepen;
g. de brand - en waterdichte deuren, met uitzondering van die ter afsluiting van openingen in de romp, te kunnen sluiten en openen; en
h. te kunnen vaststellen waar de verzamelplaatsen bij het sein «schip verlaten», de plaatsen van inscheping in de reddingmiddelen en de ontsnappingsroutes bij noodgevallen zich bevinden.
Artikel 125ee
- Een visser die op 1 april 2019 niet in het bezit is van het ingevolge dit besluit vereiste vaarbevoegdheidsbewijs voor de functie waarin hij onmiddellijk voor dat tijdstip met het toen vereiste vaarbevoegdheidsbewijs werkzaam was, kan, onverminderd de artikelen 23 en 24 van de wet, met laatstgenoemd vaarbevoegdheidsbewijs die functie blijven uitoefenen gedurende de daarop vermelde geldigheidsduur, doch ten hoogste gedurende vijf jaar na het hiervoor bedoelde tijdstip. Laatstgenoemd vaarbevoegdheidsbewijs wordt voor de toepassing van het bepaalde bij en krachtens dit besluit voor die termijn gelijkgesteld met het ingevolge dit besluit vereiste vaarbevoegdheidsbewijs.
- Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de visser die op het in het eerste lid bedoelde tijdstip werkzaam was met een erkenning als bedoeld in artikel 22, derde lid, van de wet.
Artikel 10.2. Vernieuwing
- Voor de vernieuwing van een vaarbevoegdheidsbewijs is artikel 10.1, met uitzondering van onderdeel d, van overeenkomstige toepassing.
- Voor de vernieuwing van een bekwaamheidsbewijs, is artikel 10.1 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van onderdeel e, en met dien verstande dat de in onderdeel g vereiste ervaring is opgedaan:
a. aan boord van olie - of chemicaliëntankschepen indien het betreft het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling olie - en chemicaliëntankschepen;
b. aan boord van gastankschepen indien het betreft het bekwaamheidsbewijs basis ladingbehandeling gastankschepen;
c. aan boord van olie - en chemicaliëntankschepen indien het betreft het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling olie - en chemicaliëntankschepen voor gevorderden;
d. aan boord van gastankschepen indien het betreft het bekwaamheidsbewijs ladingbehandeling gastankschepen voor gevorderden.
ECLI:NL:RBMNE:2024:6448.
Zie de bijlage voor een overzicht van de voor destijds geldende relevante wet - en regelgeving.
Zie de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, overweging 6.5.
Uitspraak van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, overweging 6.6.
Uitspraak van het CBb van 26 maart 2024, ECLI:NL:CBB:2024:190, overweging 8.2. - - - ## Voetnoten