Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:797 - Rechtbank Midden-Nederland - 9 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:797•9 maart 2026
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/1959
de Coöperatieve Producentenorganisatie voor de Visserij Urk U.A., uit Urk, eiseres
(gemachtigde: F.L. Snoek)
en
(gemachtigden: mr. G. Fazzi en R. Mastenbroek).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [aanvrager] uit [woonplaats] (aanvrager)
(gemachtigde: F.L. Snoek).
- Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiseres heeft ingesteld tegen het besluit waarin de vernieuwing van het vaarbevoegdheidsbewijs van een visser tijdelijk voor zes maanden is toegewezen, omdat de visser niet in het bezit was van het certificaat brandbestrijding voor gevorderden en het certificaat reddingmiddelen.
Procesverloop
- In deze zaak was de minister voornemens de aanvraag van visser [aanvrager] (aanvrager) voor de vernieuwing van zijn vaarbevoegdheidsbewijs af te wijzen, omdat hij niet beschikte over het certificaat brandbestrijding voor gevorderden en het certificaat reddingmiddelen (de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen).
2.1. Aanvrager heeft vervolgens gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn aanvraag aan te passen om voor zes maanden alsnog een vernieuwing van zijn vaarbevoegdheidsbewijs te krijgen. Die aanvraag is toegewezen (het primaire besluit).
Aanvrager heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De minister heeft op 19 januari 2024 beslist op het bezwaar van aanvrager en het bezwaar ongegrond verklaard (het bestreden besluit). De minister vindt namelijk dat aanvrager over de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen moet beschikken voor een langere vernieuwing van zijn vaarbevoegdheidsbewijs.
2.2. Tegen het bestreden besluit is beroep ingesteld. Het beroep is op 18 februari 2025 voor de eerste keer op zitting behandeld. Op de zitting is het onderzoek geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over de vraag wie er beroep heeft ingesteld. Vervolgens heeft eiseres laten weten dat zij beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit. Aanvrager heeft geen beroep ingesteld, maar zich als derde-belanghebbende in de procedure gemeld. Het beroep is vervolgens doorverwezen om te worden behandeld door de meervoudige kamer.
2.3. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.4. De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 opnieuw op zitting behandeld, samen met de zaak UTR 24/5139. Hieraan hebben namens eiseres deelgenomen: haar gemachtigde en [A] en [B] (vertegenwoordigers van eiseres). Namens de minister waren zijn gemachtigden aanwezig.
Beoordeling door de rechtbank
- Eiseres behartigt de belangen van eigenaren van vissersschepen en vissers die op deze schepen werkzaam zijn uit Urk en omstreken. Zij voert in beroep kort gezegd aan dat de certificaten brandbestrijding en reddingmiddelen niet verplicht zijn en aanvrager dus onterecht kosten heeft gemaakt voor het halen van de certificaten.
3.1. De rechtbank zal dit beroep echter niet inhoudelijk behandelen, omdat het beroep niet-ontvankelijk is. Op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een belanghebbende alleen beroep instellen als hij bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Dat heeft eiseres niet gedaan. Eiseres heeft weliswaar mailcontact gehad met de minister, onder meer over de intrekking van het bezwaar, maar dat ging uitdrukkelijk over het bezwaar van aanvrager. Uit dat mailcontact blijkt niet dat eiseres als belanghebbende bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit. Voor zover eiseres meent dat uit de door haar voorafgaand aan het primaire besluit gestuurde mails met een zienswijze moet worden afgeleid dat zij bezwaar heeft gemaakt, benadrukt de rechtbank dat deze mails dateren van voor het primaire besluit en daarmee dus niet kunnen worden aangemerkt als bezwaar.
3.2. Een uitzondering op bovengenoemd uitgangspunt is als het eiseres redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen bezwaar heeft gemaakt. Eiseres heeft dat echter niet aangevoerd en de rechtbank ziet ook geen aanknopingspunten voor dat oordeel.
3.3. In zaak UTR 24/5139 is overigens een soortgelijk beroep wel inhoudelijk behandeld en eiseres heeft in dat beroep als derde-partij alsnog haar belangen, en daarmee de belangen van de vissers in Urk en omstreken, naar voren kunnen brengen.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk omdat eiseres geen bezwaarschrift heeft ingediend. Omdat het beroep niet-ontvankelijk is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug en worden haar proceskosten ook niet vergoed.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzitter, en mr. A.A.M. Elzakkers en mr. J.A.J. Woutersen, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.