Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:795 - Rechtbank Midden-Nederland - 24 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:79524 februari 2026

Uitspraak inhoud

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/5874
(gemachtigde: mr. G. Golstein),
en
(gemachtigde: mr. P.S. Dijkstra).
  1. Deze uitspraak gaat over het verzoek tot opheffing van een last onder dwangsom vanwege illegale woningsplitsing. Eiser is het niet eens met de weigering van het college om de last op te heffen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.

Procesverloop

  1. In deze procedure gaat het om eisers verzoek van 19 december 2024 tot opheffing van een last onder dwangsom wegens illegale woningsplitsing op het perceel [adres] te [plaats] . Hieraan gingen handhavingstrajecten vooraf.
Eerste handhavingstraject
2.1. In het eerste handhavingstraject is op 3 mei 2017 een bouwstop opgelegd omdat eiser de woning had gewijzigd in vier zelfstandige wooneenheden. Op 13 juli 2017 is een voornemen handhavend optreden verzonden. Op 23 maart 2018 is geconstateerd dat de overtredingen waren beëindigd. Het handhavingstraject is op 3 april 2018 beëindigd.
2.2. Op 22 augustus 2018 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen eiser en vertegenwoordigers van de gemeente Soest over de mogelijkheden met betrekking tot de woning.
Tweede handhavingstraject
2.3. Op 13 oktober 2022 is bij een controle geconstateerd dat de woning tot vier zelfstandige appartementen was verbouwd. In dit tweede handhavingstraject is op 21 februari 2023 een voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom verzonden.
2.4. Het college heeft met het besluit van 12 april 2023 een last onder dwangsom opgelegd aan eiser. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld. Eiser heeft zich in die procedure onder meer beroepen op het vertrouwensbeginsel vanwege gestelde uitlatingen van de voormalig wethouder tijdens het gesprek op 22 augustus 2018. Op 14 februari 2024 heeft de rechtbank het beroep tegen de last onder dwangsom ongegrond verklaard.[1]
2.5. De begunstigingstermijn om te voldoen aan de last onder dwangsom liep tot 6 weken na de beslissing op het beroepschrift, te weten 8 april 2024.
2.6. Bij een controle op 5 april 2024 is geconstateerd dat kookgelegenheden ongedaan waren gemaakt en dat de woning uit vier onzelfstandige wooneenheden bestaat met één gezamenlijke kookgelegenheid. Bij deze controle is vastgesteld dat eiser aan de opgelegde verplichtingen in de last onder dwangsom heeft voldaan.
Verzoek tot opheffing last onder dwangsom
2.7. Eiser heeft op 19 december 2024 een verzoek gedaan tot opheffing van de last onder dwangsom.
2.8. Op 13 januari 2025 heeft een controle plaatsgevonden in de woning. Daarbij is geconstateerd dat eiser nog voldoet aan de opgelegde verplichtingen in de last. De woning heeft vier onzelfstandige wooneenheden met één gezamenlijke kookgelegenheid.
2.9. Het college heeft het verzoek tot opheffing van de last met het besluit van 18 maart 2025 afgewezen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.10. Met het bestreden besluit van 4 september 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.11. De rechtbank heeft het beroep op 15 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank beoordeelt of het college in redelijkheid heeft kunnen komen tot zijn besluit om de last onder dwangsom in stand te houden.
Toetsingskader
  1. Op grond van artikel 5:34, tweede lid, van de Awb kan het bestuursorgaan dat een last onder dwangsom heeft opgelegd, op verzoek van de overtreder de last opheffen indien de beschikking één jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling verplicht artikel 5:34, tweede lid, van de Awb het bestuursorgaan er niet toe om een last onder dwangsom in te trekken wanneer de beschikking één jaar van kracht is geweest zonder dat de dwangsom is verbeurd, maar is sprake van een bevoegdheid.[2]
4.1. Bij de beslissing of hij gebruik maakt van zijn bevoegdheid om een last onder dwangsom op te heffen, komt het college beslissingsruimte toe. Dat heeft tot gevolg heeft dat de bestuursrechter toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen.
4.2. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de rechtbank niettemin aan de hand van wat eiser heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het besluit onredelijk bezwarend is voor eiser.
Inhoudelijke beoordeling
  1. De rechtbank stelt vast dat het college de begunstigingstermijn heeft verlengd tot zes weken na de beslissing op het beroepschrift. Nu de beslissing op het beroepschrift door de rechtbank op 26 februari 2024 aan partijen is verzonden, liep de begunstigstermijn tot 8 april 2024. Dat betekent dat ten tijde van de aanvraag en ten tijde van het primaire besluit, de opgelegde last nog niet één jaar van kracht was geweest. Het college heeft ervoor gekozen om het verzoek tot opheffing van de last, ondanks het feit dat de termijn van één jaar nog niet was verstreken, inhoudelijk te beoordelen. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit ook inhoudelijk zal beoordelen.
Kon het college in redelijkheid de last onder dwangsom in stand laten?
  1. Eiser voert aan dat er geen reële kans op herhaling is. Hij betrekt daarbij dat zijn beroep op het vertrouwensbeginsel in de procedure tegen de dwangsom weliswaar niet is gehonoreerd, maar dat hieruit wel kan worden opgemaakt dat hij geen slechte intenties had. Eiser stelt dat hij er belang bij heeft dat de last onder dwangsom wordt opgeheven omdat er een kans aanwezig is dat hij de onroerende zaak in de toekomst wenst te vervreemden. De registratie van de last in het Kadaster is daarbij nadelig voor eiser. Op de zitting heeft eiser aanvullend toegelicht dat hij het belangrijk vindt dit hoofdstuk af te ronden, zodat hij en zijn naasten dit achter zich kunnen laten. Hij wil graag weten waar hij aan toe is.
6.1. Het college heeft aan de weigering om de last onder dwangsom op te heffen ten grondslag gelegd dat de kans op herhaling reëel is, omdat er voor dezelfde overtreding eerdere handhavingsmaatregelen hebben plaatsgevonden en omdat de overtreding eenvoudig kan worden herhaald. Het college wijst erop dat de verwijderde kookplaten gemakkelijk zijn terug te plaatsen. Volgens het college is het gezien het recidiverende gedrag van eiser en de geringe drempel om de overtreding te hervatten noodzakelijk om de last onder dwangsom in stand te laten. Het college stelt dat eiser niet heeft geconcretiseerd of onderbouwd dat hij de woning wil verkopen en dat dit belang daarom niet bij de belangenafweging kan worden betrokken.
6.2. De rechtbank oordeelt dat het college in redelijkheid heeft kunnen besluiten de last onder dwangsom in stand te laten. In de beslissing op bezwaar heeft het college kenbaar een belangenafweging gemaakt. Hierbij heeft het college kunnen besluiten dat het algemeen belang van handhaving zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiser. Daarbij betrekt de rechtbank het volgende. De rechtbank is van oordeel dat het college de kans op recidive reëel mocht achten. Eiser heeft niet betwist dat de kookplaten makkelijk terug zijn te plaatsen. Dat eiser, zoals hij op zitting heeft uitgelegd, uit kostenoverwegingen heeft beslist enkel de kookplaten uit de keukens te verwijderen is weliswaar goed te volgen, maar betekent wel dat het college bij zijn beslissing mocht betrekken dat enkel met het terugplaatsen van de kookplaten weer sprake zou zijn van een overtreding. Daarmee is voldoende gemotiveerd dat sprake is van een geringe drempel om de overtreding te hervatten. De rechtbank begrijpt verder uit het betoog van eiser dat hij niet opnieuw een beroep op het vertrouwensbeginsel heeft willen doen, maar dat hij daarmee vooral zijn goede intenties heeft willen benadrukken. In de eerdere uitspraak van de rechtbank is het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel verworpen.[3] Daarmee staat ook vast dat sprake is van recidiverend gedrag van eiser met betrekking tot de splitsing van het pand in onzelfstandige wooneenheden. Er zijn immers zowel in 2017 als in 2022 handhavingstrajecten gestart. Het college mocht het recidiverende gedrag bij de belangenafweging betrekken. Het belang dat eiser daartegenover heeft gezet van eventuele verkoop van het pand is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet gemaakt door eiser, zodat het college dit belang niet hoefde mee te nemen in de belangenafweging. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6.3. Evenmin is door eiser aangetoond dat het in stand laten van de last onder dwangsom onredelijk bezwarend voor hem is. De rechtbank oordeelt dat het in stand laten van de last niet onredelijk bezwarend is voor eiser.
Eindtermijn
  1. Eiser voert nog aan dat het college ten onrechte stelt dat een last geen eindtermijn hoeft te bevatten. Hij verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling[4] waaruit eiser opmaakt dat als een last onder dwangsom strekt tot voorkoming van herhaling, daaraan geen begunstigingstermijn hoeft te worden verbonden. Eiser stelt dat de last inhoudt dat hij de overtreding moet beëindigen en dat deze dus niet strekt tot voorkoming van herhaling van een overtreding. Hij heeft de overtreding opgeheven en dus aan de last voldaan.
7.1. De rechtbank stelt voorop dat de begunstigingstermijn de termijn is waarbinnen aan een last onder dwangsom moet worden voldaan. Dit is wat anders dan een eindtermijn, waarmee een last zou worden beperkt in tijdsduur. De rechtbank stelt vast dat de last onder dwangsom is gericht op beëindiging en het beëindigd houden van de overtreding. Daarmee is de last ook gericht op het voorkomen van herhaling. Het betoog van eiser treft reeds daarom geen doel.
7.2. Voor zover eiser met deze beroepsgrond bedoelt dat de last ten onrechte niet in tijd is beperkt, is de rechtbank van oordeel dat eiser deze grond naar voren had kunnen brengen in de procedure tegen de last. Volgens rechtspraak van de Afdeling kan een belanghebbende in een procedure over de opheffing van de last vanwege andere omstandigheden dan genoemd in artikel 5:34 van de Awb, in beginsel niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen.[5] Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd of betrokkene geen overtreder is. De rechtbank oordeelt dat daarvan geen sprake is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
7.3. De rechtbank begrijpt uit het verhaal van eiser op zitting dat hij behoefte heeft aan duidelijkheid over wanneer genoeg tijd is verstreken om de last op te heffen. Op de zitting heeft het college nader toegelicht dat gezien de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende omstandigheden, in het bijzonder het recidiverisico, op dit moment nog niet genoeg tijd is verstreken om tot opheffing van de last over te gaan. Het college heeft daarbij wel aangegeven in gesprek met eiser te kunnen gaan over wanneer de last wel zou kunnen worden opgeheven, zodat eiser perspectief heeft op een eindtermijn.

Conclusie en gevolgen

  1. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van N.B. Yalcinkaya, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Rechtbank Midden-Nederland 14 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3306.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4054.
Rechtbank Midden-Nederland 14 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3306.
Uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:209.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:644, r.o. 9.1. - - - ## Voetnoten
Rechtbank Midden-Nederland 14 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3306.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4054.
Rechtbank Midden-Nederland 14 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:3306.
Uitspraak van de Afdeling van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:209.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:644, r.o. 9.1.