Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:786 - Rechtbank Midden-Nederland - 16 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:786•16 maart 2026
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6641
(gemachtigde: A. Salah),
en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten.
Overwegingen
- De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
- Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
- Verzoeker is op 19 november 2025 in beroep gegaan tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar. Op 4 december 2025 heeft verweerder alsnog een beslissing op bezwaar genomen. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoeker wilde. Verzoeker heeft op 6 december 2025 het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
- De rechtbank heeft verweerder in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoeker. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoeker te vergoeden.
- De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op
€ 467, - (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934, - en een wegingsfactor 0,5). Omdat de zaak een licht gewicht heeft, is op de waarde de wegingsfactor 0,5 toegepast.
- Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 53, - te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467, - aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier*.*De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.