Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:736 - Rechtbank Midden-Nederland - 13 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:736•13 februari 2026
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6103
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: mr. C. Ligthart).
- Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een bewonersparkeervergunning. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
Procesverloop
- Eiser heeft op 1 juli 2024 een bewonersparkeervergunning (parkeervergunning) aangevraagd voor zijn woonadres [adres] in [plaats] (aanvraagadres). Het college heeft deze aanvraag nog diezelfde dag afgewezen (primaire besluit). Met de beslissing op het bezwaar van eiser van 5 september 2024 (bestreden besluit) is het college bij de afwijzing van de parkeervergunning gebleven.
2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2. De rechtbank heeft het beroep op 13 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van het college.
Inleiding
- Eiser heeft in het verleden een gehandicaptenparkeerkaart gehad. Deze is in juli 2024 verlopen. Omdat de fysieke conditie van eiser is verbeterd, meende hij niet meer in aanmerking te kunnen komen voor een verlenging van de gehandicaptenparkeerkaart. Eiser heeft daarom een parkeervergunning aangevraagd. Deze is met het primaire besluit afgewezen, omdat eiser niet in een gebied zou wonen waar betaald parkeren geldt. Naar aanleiding hiervan heeft eiser gebeld met de gemeente. Hem werd geadviseerd om bezwaar te maken tegen het primaire besluit en tegelijkertijd ook een verlenging van de gehandicaptenparkeerkaart te vragen. Dit heeft eiser gedaan. Zowel de parkeervergunning als de verlenging van de gehandicaptenparkeerkaart zijn afgewezen.
Beoordeling door de rechtbank
- Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in een appartementencomplex woont aan de [adres] in [plaats] . De omgevingsvergunning voor de bouw van het complex is afgegeven op 14 oktober 2020 en eiser is in 2023 in het complex komen wonen. Verder is ook niet in geschil dat het appartementencomplex onder zone B1, parkeerrayon 30100, Leidsche Rijn centrum valt en dat eiser een vaste parkeerplek in de garage van het appartementencomplex heeft. Zijn tweede auto - waarvoor de gevraagde parkeervergunning is geweigerd - parkeert eiser in een nabijgelegen straat.
- Eiser voert aan - samengevat - dat het college zijn parkeervergunning niet had mogen afwijzen. Met name de manier waarop dat is gebeurd is volgens eiser onjuist. In eerste instantie heeft het college namelijk gezegd dat eiser in een gebied zou wonen waar geen betaald parkeren geldt. Dat is onjuist. Daarvoor heeft het college weliswaar excuses aangeboden, maar de motivering in het bestreden besluit heeft ook geen betrekking op eisers situatie. Er wordt daarin namelijk een ander adres genoemd dan het aanvraagadres. Daar komt bij dat de keuringsarts van Argonaut in zijn adviesrapport heeft aangegeven dat eiser wel in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning. Er staat vermeld: "Wel lijkt me dat betrokkene in aanmerking kan komen voor een bewonersvergunning in het betaald parkeren gebied waar hij woont." Gelet hierop, is het onredelijk dat het college vasthoudt aan zijn beleid. Dit geldt te meer nu eiser veel moeite heeft om snel zijn (andere) auto uit de garage te halen. Dit is gevaarlijk wanneer het medisch noodzakelijk is om met spoed naar het ziekenhuis te gaan.
- De rechtbank stelt vast dat op grond van de parkeerplaatsenverordening 2014 het college een parkeervergunning kan verlenen aan een bewoner. In de Nadere regel uitgifte parkeervergunningen en garageplaatsen gemeente Utrecht (Nadere Beleidsregel) zijn verdere regels neergelegd voor het verlenen van parkeervergunningen. Uit artikel 6, eerste lid, van de Nadere Beleidsregel kan worden afgeleid dat bij gebouwen waarvoor na 1 april 2019 een omgevingsvergunning is uitgegeven, nieuwe bewoners niet in aanmerking komen voor een parkeervergunning. Verder staat in artikel 1, aanhef onder d, van het Aanwijzingsbesluit adressenlijst uitsluiting parkeervergunningen (het Aanwijzingsbesluit) dat de adressen die in zone B1 liggen, uitgesloten zijn van een parkeervergunning.
6.1. De rechtbank is van oordeel dat het college de parkeervergunning van eiser heeft af mogen wijzen. De manier waarop dit is gedaan is echter onzorgvuldig. Het college heeft namelijk in het bestreden besluit een onjuist aanvraagadres genoemd. Ook is een onjuiste grondslag toegepast. Dit is pas in het verweerschrift en ter zitting onderkend en hersteld. Dat had niet zo gemoeten. De rechtbank volgt het college echter wel in zijn redenering dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde parkeervergunning. Dit volgt uit de toepassing van de onder 6 genoemde wet - en regelgeving en het daarbij behorende beleid. De omgevingsvergunning voor de bouw van het appartementencomplex is namelijk op 14 oktober 2020 afgegeven, dat is na 1 april 2019. Bovendien valt het adres van eiser in zone B1, zijnde een adres dat staat vermeld op de lijst met adressen die zijn uitgesloten voor een parkeervergunning.
6.2. Anders dan eiser meent, heeft het college in het advies van de keuringsarts van Argonaut geen aanleiding hoeven zien tot een ander besluit te komen. De keuringsarts van Argonaut heeft het college geadviseerd in het kader van de afgifte van een gehandicaptenparkeerkaart. Deze arts is niet gevraagd en ook niet bevoegd om advies te geven ten aanzien van de gevraagde parkeervergunning. Voor zover eiser stelt dat het college daarom had moeten afwijken van zijn beleid, volgt de rechtbank eiser daarin niet. Ook in de andere door eiser ter zitting geschetste omstandigheden heeft het college geen aanleiding hoeven zien van zijn beleid af te wijken. De rechtbank begrijpt dat het voor eiser lastig is om zijn auto snel uit de parkeergarage te manoeuvreren, maar eiser beschikt – in tegenstelling tot vele anderen in het complex en in Utrecht – over een vaste parkeerplek en die omstandigheid maakt dan ook niet dat hem daarom de gevraagde vergunning moet worden verleend. Daarbij kan het college worden gevolgd in zijn redenering dat de extra parkeerbehoefte niet mag worden afgewenteld op de openbare ruimte.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Dit, omdat de uiteindelijke conclusie wel correct is. Dat betekent dat eiser geen parkeervergunning krijgt.
7.1. Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden ter hoogte van €187, - en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Hieronder vallen de reiskosten van eiser ter hoogte van €3,72. De kosten voor de medische keuring die eiser heeft ondergaan ter verkrijging van een gehandicaptenkaart hoeft het college niet aan eiser te betalen. Het is eisers eigen verantwoordelijkheid om de afweging te maken of het aanvragen van de gehandicaptenkaart kans van slagen heeft. Dat komt niet voor rekening van het college.
Beslissing
De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het besluit van 5 september 2024; - bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven; - bepaalt dat het college het griffierecht van €187, - aan eiser moet vergoeden; - veroordeelt het college tot betaling van €3,72 aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Vollebregt-Kuipers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.S. Dorsman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.