Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:726 - Rechtbank Midden-Nederland - 29 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:726•29 januari 2026
Uitspraak inhoud
Afdeling Toezicht
Locatie Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: C/16/14/768 F
beschikking van 29 januari 2026
in de zaak van:
- de heer
MR. LOUIS LAURENCE DE BOEF,
kantoorhoudende te Veenendaal,
en
- mevrouw
MR. ALICE VAN DER SCHEE,
kantoorhoudende te Utrecht,
in hun hoedanigheid van curatoren in het faillissement van de naamloze vennootschap [bedrijf] N.V.,
hierna te noemen: "Curatoren",
advocaten: mr. L. van Dieren-Muller en mr. R. Bask te Utrecht,
betrokkenen:
- de vennootschap naar buitenlands recht,
ERNST & YOUNG ACCOUNTANTS LLP,
statutair gevestigd te Rotterdam,
hierna te noemen: "EY",
advocaten: mr. J.F. Garvelink en mr. A. Bouts te Amsterdam,
- de heer
[betrokkene sub 2],
domicilie kiezende te [plaats 3] ,
hierna te noemen: " [betrokkene sub 2] ",
advocaten: mr. J.F. Garvelink en mr. A. Bouts te Amsterdam.
1 De kern
1.1. Curatoren vragen om een procesmachtiging voor het voeren van een procedure tegen EY en [betrokkene sub 2] . Er is namelijk een geschil ontstaan tussen Curatoren en EY en [betrokkene sub 2] over de kwaliteit van de uitvoering van de controle van de jaarrekeningen van [bedrijf] . Curatoren stellen dat [betrokkene sub 2] de jaarrekeningen van [bedrijf] onvoldoende professioneel-kritisch heeft gecontroleerd. Er is sprake van een tekortkoming, aldus Curatoren. EY en [betrokkene sub 2] stellen daartegenover dat de vorderingen van Curatoren zijn verjaard en vervallen. Dit verweer is volgens Curatoren te laat opgeworpen, waardoor het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. De rechter-commissaris ziet goede gronden voor verlening van de procesmachtiging aan Curatoren. Deze beslissing wordt hierna toegelicht.
2 De procedure
2.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
2.2. Het verzoek is op 19 januari 2026 ter zitting behandeld. Daarbij zijn verschenen:
van de zijde van Curatoren:
van de zijde van EY en [betrokkene sub 2] :
3 De achtergronden
Het proces
3.1. EY heeft de goedkeurende controleverklaring bij de jaarrekening over 2012 van [bedrijf] op 31 mei 2014 afgegeven. Bij vonnis van deze rechtbank van 22 augustus 2014 is het faillissement uitgesproken van [bedrijf] . Daarbij werden Curatoren aangesteld. Ondergetekende is benoemd tot rechter-commissaris.
3.2. In 2015 en 2016 hebben Curatoren onderzoek laten doen naar de jaarrekeningen. EY heeft haar medewerking verleend aan beantwoording van vragen van EY. In juni 2016 hebben de aandeelhouders van [bedrijf] een tuchtklacht ingediend tegen [betrokkene sub 2] . Op 15 september 2017 heeft de Accountantskamer geoordeeld dat [betrokkene sub 2] kan worden verweten dat hij controlefouten heeft gemaakt, althans dat hij in strijd met de geldende beroepsregels en - standaarden heeft gehandeld. [betrokkene sub 2] is tegen dit oordeel in beroep gegaan. Op 17 september 2019 heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) uitspraak gedaan in de tuchtzaak. Het CBb heeft geoordeeld dat enkele klachtonderdelen van de aandeelhouders weliswaar geen standhouden, maar dat de fouten die [betrokkene sub 2] wél heeft gemaakt reden geven tot het opleggen van zwaardere maatregelen. Tot slot hebben de aandeelhouders bij de civiele rechter van de rechtbank Overijssel gevorderd voor recht te verklaren dat EY onrechtmatig heeft gehandeld en dat EY moet worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en de proceskosten en nakosten. Deze vorderingen worden in het vonnis van 9 februari 2022 afgewezen. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.
De onderhandelingen
3.3. Begin november 2022 hebben Curatoren een conceptdagvaarding gedeeld met het bestuur, de RvC en EY. Curatoren hebben EY gevraagd te reageren op de inhoud. Dat heeft EY niet gedaan. In juni 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Curatoren en EY, waarbij EY heeft laten weten bereid te zijn om de zaak te schikken, mits het bestuur en de RvC daaraan zouden bijdragen. Mede om die reden zijn Curatoren eerst met de RvB en de RvC in onderhandeling getreden. Toen dat traject begin 2025 in een vergevorderd stadium verkeerde, hebben Curatoren opnieuw contact gezocht met EY. Sinds dat moment reageert EY niet meer. In de zomer van 2025 heeft EY Curatoren alsnog laten weten geen schikking te willen treffen. Om die reden zijn Curatoren overgegaan tot indiening van een verzoek om een procesmachtiging bij de rechter-commissaris.
4 De beoordeling
4.1. Bij beoordeling van de vraag of de procesmachtiging zal worden verleend, wordt gelet op de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Daarbij wordt onder meer gekeken naar de proceskansen, de verwachte kosten en baten van een procedure, en de vraag of het voeren van een procedure redelijkerwijs noodzakelijk is.
Proceskansen
4.2. De kans op het realiseren van enige opbrengst is afhankelijk van de proceskansen van Curatoren. Curatoren vorderen primair ontbinding van de overeenkomsten van opdracht met EY en terugbetaling van de facturen wegens wanprestatie. Daarnaast vorderen zij een verklaring voor recht dat [betrokkene sub 2] onrechtmatig heeft gehandeld, omdat hij de jaarrekening van [bedrijf] onvoldoende professioneel-kritisch heeft gecontroleerd. Ook vorderen Curatoren (terug)betaling van de honoraria van de door de boedel gemaakte onderzoekskosten.
4.3. EY en [betrokkene sub 2] hebben zich verzet tegen de gevraagde machtiging. EY stelt in haar brief van 13 januari 2026 dat de vorderingen zijn verjaard, danwel dat de vervaltermijnen uit de algemene voorwaarden al zijn verstreken. Ook is er geen sprake van een tekortkoming, aldus EY.
4.4. Curatoren stellen dat EY in strijd handelt met de redelijkheid en billijkheid door pas in haar brief van 13 januari 2026 een beroep op verjaring te doen. Er is namelijk sprake van een reeds langlopend proces, waarbij EY al in november 2022 de conceptdagvaarding van Curatoren heeft ontvangen. EY had dus al veel eerder een standpunt kunnen innemen over de vorderingen. Hetzelfde geldt voor het beroep op de vervaltermijnen uit de algemene voorwaarden van EY, waarvan Curatoren bovendien stellen dat [bedrijf] die nooit heeft ontvangen. In de algemene voorwaarden van EY zou een vervaltermijn staan waarin is opgenomen dat vorderingsrechten definitief vervallen na één jaar na het moment waarop de opdrachtgever – in dit geval [bedrijf] – bekend moest worden met het bestaan ervan. Met andere woorden, een vorderingsrecht vervalt in ieder geval na één jaar. Volgens Curatoren is dit in strijd met de redelijkheid en billijkheid alleen al omdat de gemiddelde doorlooptijd van een civiele procedure meer dan één jaar bedraagt. Dit zou EY in een onevenredig ongunstige positie brengen.
4.5. Een inhoudelijke beslissing op bovenstaande hoort thuis in een procedure voor de civiele rechter. In deze procedure beoordeelt de rechter-commissaris uitsluitend wat de kansen van Curatoren bij de civiele rechter zijn. Curatoren hebben aannemelijk gemaakt dat EY eerder toezeggingen heeft gedaan over de bereidheid om in onderhandeling te treden, welke toezegging op een later moment – als de onderhandelingen met het bestuur en de RvC in een vergevorderd stadium verkeren – weer door EY wordt ingetrokken. Op basis van de voorliggende omstandigheden mochten Curatoren er vanuit gaan dat zij eerst met het bestuur en RvC zouden overleggen, voordat zij verdere maatregelen jegens EY zouden nemen. EY is dus ook op geen enkele wijze in haar (bewijs)positie geschaad, omdat zij wist dat dit proces liep. Dit betekent dat er voldoende kans is dat de civiele rechter zal oordelen dat het beroep van EY op verjarings - of vervaltermijnen in strijd is met de redelijkheid en billijkheid.
Tekortkoming
4.6. EY is tekortgeschoten in het correct nakomen van de jaarrekeningcontrole. Curatoren stellen dat EY daarmee haar eigen opdrachtbevestiging niet is nagekomen. Omdat [betrokkene sub 2] de feitelijke controles van de jaarrekeningen heeft uitgevoerd, vorderen Curatoren niet alleen jegens EY vaststelling van een tekortkoming in de nakoming van een verbintenis en schadevergoeding, maar ook jegens [betrokkene sub 2] wegens onrechtmatige daad (niet-contractueel). Aldus Curatoren.
4.7. EY stelt dat er geen sprake is van een materiële tekortkoming, omdat het bestuur op de hoogte was van de inhoud van de jaarrekeningen en de tuchtrechter heeft vooral kritiek gehad op de dossiervorming. Ter zitting heeft EY nog aangevuld [betrokkene sub 2] buiten deze procedure te zullen houden, nu [betrokkene sub 2] al meer dan tien jaar uit dienst is. EY heeft aanvullend verklaard enige veroordeling van [betrokkene sub 2] tot betaling van schadevergoeding voor haar rekening te zullen nemen.
4.8. De rechter-commissaris oordeelt dat vaststaat dat de tuchtrechter vrijwel alle klachtonderdelen die tegen [betrokkene sub 2] zijn ingesteld, gegrond heeft verklaard. De tuchtrechter heeft onder meer bevestigd dat EY ten onrechte de goedkeurende verklaring bij de jaarrekening over 2012 heeft afgegeven. Dit onderschrijft het standpunt van Curatoren dat er sprake is van een tekortkoming. Om die reden acht de rechter-commissaris de proceskansen van Curatoren ook inhoudelijk voldoende. De tegenargumenten van EY kan de rechter-commissaris onvoldoende overzien. De uiteindelijke beoordeling op dit inhoudelijke punt moet worden overgelaten aan de civiele rechter.
Kosten en baten van de procedure
4.9. Ten tijde van onderhavig verzoek, was de stand van de boedel als volgt:
4.10. De totale vordering van Curatoren op EY en [betrokkene sub 2] bedraagt € 845.024,98 te vermeerderen met wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten. Curatoren hebben de kosten van de gerechtelijke procedure ingeschat op een bedrag van € 20.000,-. Voor de beoordeling van het verzoek is van belang welke opbrengst de gezamenlijke schuldeisers kunnen verwachten. De onderzoekskosten hadden Curatoren in alle gevallen moeten maken, omdat het mede tot hun taak behoort de oorzaken van het faillissement te onderzoeken en vast te stellen. Het gegeven dat de procedure een mogelijkheid biedt om deze kosten op EY en [betrokkene sub 2] te verhalen, is op zichzelf onvoldoende rechtvaardiging om de procedure te starten.
4.11. Gelet op de hoogte van het boedelsaldo en de hoogte van de bestaande vorderingen, zal een eventuele opbrengst in deze procedure geen substantieel verschil maken voor de schuldeisers. Daar staat tegenover dat de uitkering aan de schuldeisers ook niet negatief zal worden beïnvloed door het voeren van de onderhavige procedure. De schuldeisers hebben voornamelijk belang bij duidelijkheid en afwikkeling van de schikkingen met partijen op dit punt.
Noodzakelijkheid van de procedure
4.12. Ter zitting is door zowel Curatoren als door EY bevestigd dat het overleg – voor zover dat gevoerd is – moeizaam verliep en niet tot concrete afspraken heeft geleid. Nu EY ter zitting nogmaals heeft bevestigd dat zij niet bereid is om in overleg te treden, is de rechter-commissaris van oordeel dat het voeren van een procedure noodzakelijk is. Immers, alle alternatieve mogelijkheden zijn uitgeput en een beslissing op de vorderingen kan van belang zijn voor de verdere onderhandelingen met het bestuur en de RvC.
4.13. Tot slot is van belang dat de procedure van Curatoren tegen EY verder rijkt, nu ook het bestuur en de RvC wachten op een uitkomst voor eventuele verdere onderhandelingen. Om de onderhandelingen met het bestuur en de RvC te kunnen afronden, is van belang dat duidelijkheid ontstaat over de positie van EY. Zelfs als de proceskansen beperkt zouden zijn, is het dus – in het belang van de gezamenlijke schuldeisers – noodzakelijk het geschil met EY te beslechten.
Conclusie
4.14. Gelet op het voorgaande concludeert de rechter-commissaris dat de proceskansen en de belangen van de gezamenlijke schuldeisers opwegen tegen de kosten van de procedure. De slotsom is dat de machtiging zal worden verleend.
5 De beslissing
De rechter-commissaris:
5.1. wijst het verzoek van Curatoren toe.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Neijt, rechter-commissaris, op 29 januari 2026.