Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:684 - Rechtbank Midden-Nederland - 25 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:68425 februari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/7695

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, de Svb.

Inleiding

  1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de Svb in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van de Svb van 30 september 2024. Zij heeft het beroep ingetrokken, omdat de Svb op 17 december 2025 de vordering van € 724,29 heeft kwijtgescholden.
1.1. De rechtbank heeft de Svb in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De Svb heeft de rechtbank meegedeeld dat eiseres geen recht heeft op een vergoeding van de proceskosten. In haar situatie is niet gebleken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dat betekent dat van een vergoeding van proceskosten geen sprake kan zijn.
1.2. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.[1]

Beoordeling door de rechtbank

  1. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
  1. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.[2]
  1. De Svb heeft op 17 december 2025 laten weten dat de vordering van € 724,29 wordt kwijtgescholden, gelet op de verklaring van eiseres dat zij nooit contact heeft gehad met de heer [A] . De rechtbank begrijpt dit aldus, dat de Svb hiermee tegemoetgekomen is aan verzoekster.
  1. Desondanks bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift is namelijk niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en ook verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.[3] De rechtbank wijst het verzoek af als kennelijk ongegrond.
  1. De rechtbank wijst erop dat de Svb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 51, - te vergoeden.[4]Verzoekster moet zich hiervoor wenden tot de Svb.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J.A. Schaaf, rechter, in aanwezigheid van
mr. N.R. Hoogenberk, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Artikel 1 van het Bpb.
Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb. - - - ## Voetnoten
Met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, in samenhang met artikel 8:75a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
Artikel 1 van het Bpb.
Artikel 8:41, zevende lid, van de Awb.