Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:681 - Rechtbank Midden-Nederland - 4 maart 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:681•4 maart 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK
**MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 12050132 \ UV EXPL 26-9
Vonnis in kort geding van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende in [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. H.E. Brokers-van Dijk,
tegen
[gedaagde],
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. A.D. Klaver.
1 De procedure
1.1. De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - een brief van [gedaagde] met een aanvullende productie; - de pleitnota van [eiser] ; - de pleitnota van [gedaagde] .
1.2. De mondelinge behandeling is gehouden op 19 februari 2026. [eiser] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens [gedaagde] is verschenen [A] , voorzitter van de Raad van Toezicht, bijgestaan door de gemachtigde. Door of namens partijen zijn de standpunten toegelicht en is antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter. Daarvan heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3. Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter beslist dat vonnis zal worden gewezen.
2 De kern van de zaak
2.1. [eiser] wil met deze procedure bereiken dat niet-genoten vakantiedagen, althans het nog onbetaald gebleven deel daarvan, worden uitbetaald op grond van een met zijn voormalig werkgever ( [gedaagde] ) gesloten vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van zijn dienstverband. Ook vordert [eiser] de afgifte van een deugdelijke loonstrook, wettelijke verhoging, rente en kosten. [gedaagde] is het hier niet mee eens. Volgens [gedaagde] leveren de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken een overschrijding van de in de Wet normering topinkomens (WNT) genoemde normen op. Daardoor is zij volgens haar de betaling van de niet-genoten vakantiedagen niet verschuldigd. De kantonrechter wijst de vorderingen van [eiser] af en zal hieronder uitleggen waarom.
3 De beoordeling
Toetsingskader in kort geding
3.1. In een kort geding kan de kantonrechter een voorlopige voorziening geven. Dat is een voorlopige maatregel die vooruit loopt op de beslissing die wordt verwacht in een gewone rechtszaak (bodemzaak), die na het kort geding kan worden ingesteld. Een vordering in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt, in dit geval [eiser] , hierbij zoveel spoed heeft dat hij de uitkomst van een gewone rechtszaak niet hoeft af te wachten. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing daarvan gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
[eiser] heeft geen spoedeisend belang bij zijn vordering
3.2. [eiser] heeft als spoedeisend belang aangevoerd dat sprake is van een overzichtelijke en opeisbare vordering die rechtstreeks uit een tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst volgt. Toewijzing in een bodemprocedure zou volgens [eiser] daarom zonder meer in de rede liggen. Daarnaast meent [eiser] dat sprake is van spoedeisendheid vanwege zijn financiële situatie. Hierbij heeft hij erop gewezen dat hij een WW-uitkering ontvangt, maar dat de uitbetaling van een WWPlus-uitkering op zich laat wachten. Hierdoor is hij verstoken van een deel van zijn inkomsten. De kantonrechter is van oordeel dat op basis van de door [eiser] aangevoerde argumenten geen sprake is van een voldoende spoedeisend belang en zal de vordering daarom afwijzen.
Er gelden geen minder hoge eisen ten aanzien van het spoedeisend belang
3.3. In beginsel is voor toewijzing van een geldvordering in kort geding terughoudendheid op zijn plaats. Daarom moet het spoedeisend belang bij geldvorderingen nog duidelijker dan in andere zaken aannemelijk worden gemaakt. Aan dergelijke vorderingen kunnen echter weer minder hoge eisen ten aanzien van het spoedeisend belang worden gesteld naarmate een geldvordering in hogere mate vaststaat. Een dergelijke situatie doet zich naar het oordeel van de kantonrechter in de voorliggende zaak echter niet voor. Hieronder zal dit worden uitgelegd.
3.4. In de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst staat, voor zover relevant, het volgende opgenomen:
3.5. Partijen zijn het onderling eens over het saldo aan niet-genoten vakantiedagen per de overeengekomen einddatum. Dit aantal bedraagt volgens partijen 110 dagen. Het daarmee samenhangende te betalen bedrag ligt rond de € 60.000,-, waarbij partijen ook beiden van mening zijn dat daarover de wettelijke verhoging is verschuldigd. Naast de overeengekomen beëindigingsvergoeding van € 75.000,-, heeft [gedaagde] een deel van de niet-genoten vakantiedagen uitbetaald. De kantonrechter begrijpt dat een deel ter hoogte van ongeveer € 27.000, - onbetaald is gebleven. Daarmee lijkt op het oog sprake van een solide geldvordering die duidelijk aan een termijn voor uitbetaling is gebonden. Toch is daar in het hier voorliggende geval niet zonder meer sprake van. [gedaagde] heeft namelijk aangevoerd dat zij niet tot uitbetaling van de resterende vakantiedagen kan overgaan, omdat zij daardoor in strijd handelt met de Wet Normering Topinkomens (hierna: WNT). Concreet gaat het er volgens [gedaagde] om dat – gelet op de overeengekomen beëindigingsvergoeding – met de loondoorbetaling aan [eiser] over de laatste twee maanden van zijn dienstverband de WNT norm is overschreden. Omdat [eiser] die maanden geen werkzaamheden heeft verricht moet volgens [gedaagde] het doorbetaalde loon voor die periode ook als onderdeel van de beëindigingsvergoeding worden gezien. Een deel van de inhoud van de vaststellingsovereenkomst is daarom nietig, aldus [gedaagde] , en zij is het nog resterende deel van de vakantiedagen niet verschuldigd omdat zij die verrekent met hetgeen boven de norm, en dus op grond van een nietige afspraak, aan [eiser] is betaald. [gedaagde] zou zich hier pas na de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst bewust van zijn geworden.
3.6. [eiser] heeft aangevoerd dat geen sprake is van overschrijding van de WNT norm omdat hij in de laatste twee maanden onvrijwillig inactief was; het was [gedaagde] die besliste dat er geen werk voor hem was. Bovendien, aldus [eiser] , staat de verschuldigdheid en opeisbaarheid op grond van de vaststellingsovereenkomst vast. Alleen de vraag of [gedaagde] een opeisbare vordering heeft op [eiser] moet nog worden beantwoord. Dat staat volgens hem niet in de weg aan de betalingsverplichting. De kantonrechter overweegt dat, vanwege de discussie tussen partijen over de overschrijding van de WNT norm en de in relatie daartoe bestaande mogelijke nietigheid van een deel van de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraken, niet gezegd kan worden dat sprake is van een geldvordering die in hogere mate vaststaat. De vraag of [gedaagde] is gehouden tot uitbetaling van het resterende deel van de niet genoten vakantiedagen is niet eenvoudig vast te stellen omdat daarvoor nodig is dat vaststaat dat rechtsgeldige afspraken zijn gemaakt. De kantonrechter is daarom van oordeel dat aan de door [eiser] voorgelegde geldvordering niet minder hoge eisen ten aanzien van het spoedeisend belang mogen worden gesteld. Dat betekent dat [eiser] een duidelijk spoedeisend belang moet stellen bij zijn vordering om voor toewijzing daarvan in kort geding in aanmerking te kunnen komen. De kantonrechter begrijpt dat [eiser] dat spoedeisende belang ziet in zijn huidige financiële situatie.
Er blijkt onvoldoende spoedeisend belang uit de financiële situatie van [eiser]
3.7. Naar het oordeel van de kantonrechter blijkt uit de financiële situatie van [eiser] onvoldoende spoedeisend belang. Uit de hier ter beoordeling voorliggende vaststellingsovereenkomst volgt namelijk dat [eiser] recent een beëindigingsvergoeding van € 75.000, - heeft ontvangen, evenals betaling van een deel van de niet genoten 110 vakantiedagen en de wettelijke verhoging daarover en dat [eiser] eveneens een WW-uitkering geniet. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat sprake is van voldoende (financiële) spoedeisendheid. Dat [eiser] momenteel is verstoken van een deel van zijn inkomsten, is daarvoor onvoldoende. Te meer nu op de mondelinge behandeling ook is gebleken dat de WWPlus-uitkering inmiddels door het Uwv is toegekend en betaling daarvan naar alle waarschijnlijkheid op zeer korte termijn zal volgen.
Conclusie
3.8. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiser] wegens een gebrek aan spoedeisend belang zullen worden afgewezen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
3.9. [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
Het vonnis zal wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard
3.10. De kantonrechter zal het vonnis wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4 De beslissing
De kantonrechter:
4.1. wijst de vorderingen van [eiser] af;
4.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.
LHJ/63796