Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:673 - Rechtbank Midden-Nederland - 10 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:67310 februari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1008

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woudenberg.

Inleiding

  1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het besluit van 19 december 2025. Met dit besluit heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het kappen van 15 bomen gelegen ter hoogte van [adres] , in verband met de aanleg van een parkeerplaats nabij de kerk en aanpassing van waterhuishouding (zaaknummer [nummer] ).
  1. Verzoeker heeft tegen het besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter
gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter op 2 februari 2026 verzocht een ordemaatregel te treffen.
  1. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Belanghebbendheid
  1. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek in de bezwaarfase de kans dat het bezwaarschrift van verzoeker leidt tot herroeping van de omgevingsvergunning. Om een voorlopig oordeel daarover te kunnen geven moet de voorzieningenrechter eerst beoordelen of verzoeker belanghebbende is in bezwaar. Alleen belanghebbenden[1] kunnen bezwaar maken tegen een besluit. Als verzoeker geen belanghebbende is, dan komt het college niet toe aan de inhoudelijke beoordeling van het bezwaar van verzoeker. Het bezwaar van verzoeker zal in dat geval niet kunnen leiden tot herroeping van de omgevingsvergunning. Er is dan geen ruimte voor de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen.
  1. Belanghebbende bij een besluit degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit toestaat.[2] Het criterium "gevolgen van enige betekenis" van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de
woon-, leef - of bedrijfssituatie van iemand zijn, moet worden gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Die factoren moeten zo nodig in onderlinge samenhang worden bekeken. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.
  1. Verzoeker heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat hij op circa 800 meter woont van de locatie waarvoor de omgevingsvergunning is verleend. Tussen de woning van verzoeker en die locatie ligt een woonwijk. Gelet op deze afstand en dat verzoeker geen zicht heeft op de locatie is het niet aannemelijk dat hij gevolgen van enige betekenis ondervindt van de omgevingsvergunning. Verzoeker heeft nog aangevoerd dat hij zijn belanghebbendheid ontleent aan het feit dat hij gebruiker is van een perceel bij de direct aangrenzende Volkstuinvereniging Laanzicht. De voorzieningenrechter kan verzoeker hierin niet volgen omdat dit een afgeleid belang is en geen rechtstreeks belang. Verzoeker is dus geen belanghebbende bij de omgevingsvergunning.
  1. Dit betekent dat het bezwaar tegen de omgevingsvergunning evident geen kans van slagen heeft. Het verzoek om voorlopige voorziening moet daarom als "kennelijk ongegrond" worden afgewezen. Om dezelfde reden heeft de rechtbank ook geen aanleiding gezien om een ordemaatregel te treffen, nadat verzoeker daarom had verzocht.
  1. Het college hoeft geen griffierecht of proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
De voorzieningenrechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. - - - ## Voetnoten
Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.
Artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.