Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:644 - Rechtbank Midden-Nederland - 21 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:64421 januari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/6883

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(Uwv), verweerder

Inleiding

  1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is ingediend tijdens de bezwaarprocedure over het primaire besluit van 28 november 2025. Met dat besluit heeft het Uwv aan verzoeker laten weten dat aan hem een maatregel is opgelegd, zodat de ex-werkgever van verzoeker gedurende 6 maanden geen uitkering op grond van de Ziektewet (ZW-uitkering) hoeft uit te betalen. Verzoeker wil met zijn verzoek bereiken dat de maatregel wordt geschorst en dat aan hem een voorschot op de ZW-uitkering wordt toegekend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

  1. De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.
  1. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af omdat het kennelijk ongegrond is. Hieronder zal zij uitleggen waarom.
  1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb treft de voorzieningenrechter alleen een voorlopige voorziening als 'onverwijlde spoed' dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. Als later blijkt dat het Uwv ten onrechte een maatregel heeft opgelegd, kan de ZW-uitkering over deze periode namelijk alsnog worden betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement of acute financiële nood, neemt de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang aan, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft. Uit vaste rechtspraak blijkt dat pas sprake is van een acute financiële noodsituatie bij dreigende acute uithuiszetting, afsluiting van levering van water en energie of het niet langer verzekerd zijn voor ziektekosten.[1]
  1. Volgens verzoeker raakt hij in financiële en medische problemen zonder betaling van de ZW-uitkering of een voorschot hierop. Hij geeft aan dat hij slechts zeer kort in zijn dagelijkse levensonderhoud kan voorzien, omdat hij geen reserves heeft. Hij is afhankelijk van zijn ouders voor onderdak en een deel van zijn basisvoorzieningen. Hij voert aan dat zijn ouders wettelijk niet verplicht zijn om in zijn (medische of verzekerings-) uitgaven te voorzien.
  1. De voorzieningenrechter stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat verzoeker inwonend bij zijn ouders is. Zijn ouders verschaffen hem kost en inwoning. Verzoeker heeft niet aangetoond dat hij schulden heeft. Gelet op deze omstandigheden stelt de voorzieningenrechter vast dat er geen sprake is van een spoedeisend belang, gelet op de geldende rechtspraak zoals is weergegeven onder punt 4.
  1. Bij het ontbreken van spoedeisend belang kan alleen een voorlopige voorziening worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het Uwv ingenomen standpunt juist is en of het besluit uiteindelijk in stand zal blijven. De voorzieningenrechter ziet op basis van de stukken geen aanleiding om te oordelen dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. In het besluit staat weliswaar dat de ZW-uitkering van 3 november 2025 tot en met 6 juli 2025 niet wordt betaald, maar naar het oordeel van de rechtbank is dit een duidelijke verschrijving in het jaartal. Verzoeker heeft zich namelijk pas op 16 september 2025 ziekgemeld. Deze verschrijving maakt het besluit niet innerlijk tegenstrijdig of evident onrechtmatig.
  1. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en evenmin is gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Conclusie en gevolgen

  1. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. van der Linde, rechter, in aanwezigheid van
mr. R. van Manen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3277, r.o. 4.4.1. - - - ## Voetnoten
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 23 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3277, r.o. 4.4.1.