Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:625 - Rechtbank Midden-Nederland - 28 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:625•28 januari 2026
Uitspraak inhoud
Bureau Erfrecht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/573676 / BE ZA 24-26
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
woonplaats kiezende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. F.A. van den Heuvel,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. G.A. Verstijnen.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 t/m 7; - de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 6; - de akte aanvullende producties 8 t/m 18.
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Daarbij zijn partijen met hun advocaat verschenen. De partner van [gedaagde] , de heer [informant] , heeft als informant enkele vragen van de rechtbank beantwoord. Van deze zitting heeft de griffier aantekeningen gemaakt.
1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De zaak in het kort
2.1. Het gaat in deze zaak om de verdeling van de nalatenschap van de heer [erflater] , overleden op [overlijdensdatum] 2020. Partijen zijn de kinderen van erflater en tevens de enige erfgenamen. [eiser] vordert vaststelling van de verdeling van de nalatenschap conform het door haar opgestelde voorstel, dat bij dagvaarding is overgelegd. Daarbij vordert zij dat [gedaagde] in de proceskosten van deze procedure wordt veroordeeld. [gedaagde] voert tegen deze vorderingen verweer omdat zij meent dat er op een andere wijze moet worden verdeeld. Zij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.
3 De beoordeling
3.1. Zoals met partijen tijdens de mondelinge behandeling besproken, kan de rechtbank de verdeling van de nalatenschap nog niet vaststellen. Partijen hebben ieder voor zich een overzicht van de nalatenschap opgesteld, maar deze overzichten zijn voor de rechtbank niet te volgen. De rechtbank zal in dit tussenvonnis wel een oordeel geven over de geschilpunten. Vervolgens zal de zaak opnieuw naar de rol worden verwezen zodat partijen beiden een akte kunnen nemen. Hierin zullen zij uiteen moeten zetten waaruit de nalatenschap bestaat en hoe deze met inachtneming van de in dit vonnis te nemen bindende eindbeslissingen wat hen betreft moet worden verdeeld. [eiser] zal in de akte haar stelling over de rente over een lening van € 10.000,- - kunnen onderbouwen en [gedaagde] zal bij haar antwoordakte de door haar betaalde facturen als producties in het geding moeten brengen.
Verdeling verkoopopbrengst boerderij
3.2. De boerderij van erflater, gelegen aan de [adres] in [plaats] , is verkocht voor een bedrag van € 760.000,--. Volgens [gedaagde] had de boerderij voor minimaal
€ 800.000,- - verkocht kunnen worden. Zij heeft slechts met de lagere verkoopopbrengst ingestemd onder de voorwaarde dat een afwijkende verdeling van de opbrengst zou plaatsvinden, inhoudende dat zij € 400.000,- - zou ontvangen. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst [gedaagde] naar WhatsApp berichten van 1 en 2 augustus 2023, waaruit volgens haar blijkt dat [eiser] hiermee heeft ingestemd. [eiser] betwist dat zij heeft ingestemd met een afwijkende verdeling.
3.3. De rechtbank kan dat ook niet vaststellen. Partijen hebben op de door [gedaagde] genoemde data contact gehad over een bod dat op de woning was gedaan. In het genoemde Whatsapp bericht van 1 augustus 2023 schrijft de echtgenote van [gedaagde] , de hiervoor genoemde heer [informant] (hierna: [informant] ), voor zover hier van belang:
"Zoals je weet is het bedrag waarvoor de [adres] minimaal €800.000,-. Alles daaronder is volledig voor rekening van jou. Ook alle kosten zij voor jou rekening. Indien jij dus accoord gaat met een verkoopprijs van €775.000, - dan wordt jou deel 375.000-! en die van mij € 400.000, - (…)"
[eiser] antwoordt hierop:
"Ik denk niet dat [makelaar][de betrokken makelaar, toevoeging rechtbank]geïnteresseerd is in de verdeling, hij wil weten of je akkoord gaat ja of nee.
De verdeling bepaald de notaris tzw wel.. (…)"
Waarop [informant] om 21.39 uur schrijft:
"Zie onze reactie en de wijze waarop het e.e.a. afgehandeld wordt. Blijft eigenlijk alleen de vraag over of jij akkoord gaat met bovenstaande alsmede de consequenties daarvan. Is dit zo dan is het voor ons akkoord. Dus gaarne een bevestiging daarvan."
En op 2 augustus 2023 schrijft [informant] :
" [eiser] en [makelaar] ,
Nu we vernomen hebben dat [eiser] via de advocaten zal reageren en dat zij de verkoop door wil laten gaan alsmede de adviezen m.b.t. de acceptatie van [makelaar] m.b.t. het bod en de termijnen, zien wij de voorwaarden van 3 maanden (…) als reële optie. We hebben derhalve [makelaar] , [makelaar] , een akkoord gemaild.
Bovenstaande app, 21.39, blijft van kracht en wordt afgehandeld via de advocaten."
3.4. Uit deze berichtenwisseling kan niet worden afgeleid dat [eiser] akkoord is gegaan met de afwijkende verdeling van de verkoopopbrengst. Integendeel: zij schrijft juist dat de verdeling later wel door de notaris zal worden bepaald en [informant] schrijft zelf dat [eiser] via de advocaten zal reageren en dat het punt van de verdeling van de opbrengst via de advocaten zal worden afgehandeld. [eiser] heeft er bovendien op gewezen dat zij op 2 augustus 2023 aan de makelaar per e-mail heeft bericht:
"Nog even voor de duidelijkheid, wij gaan akkoord met het voorstel van de familie [A][de beoogde kopers, toevoeging rechtbank], maar niet op de voorwaarde van [B] hoe er verdeeld moet gaan worden. Dit is verder voor jullie niet belangrijk en via de advocaat gaat er ook al een reactie naar mevrouw [C] dat wij met de verdeling niet akkoord gaan. Ik zal dan ook verder niet meer reageren in de app. Ik verneem wel wat [B] gaat beslissen."
3.5. De rechtbank gaat ervan uit dat de makelaar [gedaagde] van de inhoud van dit bericht op de hoogte heeft gebracht. Dat ligt gezien de laatste zin ervan ("ik verneem wel wat [B] gaat beslissen") ook voor de hand. Bovendien heeft [gedaagde] niet gesteld dat zij niet wist dat [eiser] ook aan de makelaar had laten weten dat zij met de afwijkende verdeling niet akkoord ging.
3.6. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [informant] verklaard dat er nog een
e-mail bestaat waaruit volgens hem blijkt dat [eiser] wél akkoord is gegaan met de afwijkende verdeling. Na een korte schorsing heeft de advocaat van [gedaagde] verteld dat het gaat om een e-mail van de makelaar waarin deze (naar de rechtbank aanneemt: aan [informant] ) schrijft dat zijn punten aan [eiser] zijn voorgelezen en dat zij daarmee instemde. De advocaat van [gedaagde] heeft daarbij gezegd dat hij niet kan vaststellen om welke punten dat ging. Omdat de tekst van de e-mail is gekopieerd in een apart word bestand, is niet duidelijk welke correspondentie daaraan vooraf ging en wanneer deze e-mail is verstuurd, zo heeft de advocaat van [gedaagde] erkend. De rechtbank zal [gedaagde] geen gelegenheid meer geven om de originele e-mail in het geding te brengen. De rechtbank gaat ervan uit dat het in de e-mail van de makelaar ging om andere punten van [gedaagde] en [informant] . Met de wens van een afwijkende verdeling was [eiser] namelijk al bekend; daarover hoefde niets meer aan haar te worden voorgelezen.
3.7. Nu niet is gebleken dat [eiser] heeft ingestemd met een afwijkende verdeling van de verkoopopbrengst, is er geen grond om af te wijken van het uitgangspunt dat de verkoopopbrengst bij helfte wordt gedeeld. De notaris heeft dit uitgangspunt ook gehanteerd: hij heeft aan ieder van partijen de helft voldaan.
Inboedel
3.8. [eiser] stelt dat de tot de gemeenschap behorende inboedel een waarde van slechts € 500,- - vertegenwoordigde. [gedaagde] betwist deze waarde en stelt dat de inboedel een waarde vertegenwoordigde van € 72.000,- - en dat dit bedrag in de verdeling dient te worden betrokken, nu [eiser] zonder haar toestemming inboedel heeft meegenomen of heeft weggegooid. [eiser] heeft de door [gedaagde] gestelde waarde gemotiveerd betwist. Zij heeft aangevoerd dat bij de verkoop van de boerderij is overeengekomen dat de op het moment van levering nog aanwezige inboedel zou worden overgenomen door de koper. De makelaar heeft voorafgaand aan de overdracht meegedeeld dat partijen nog spullen mochten meenemen, van welke mogelijkheid [eiser] gebruik heeft gemaakt en [gedaagde] niet.
3.9. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] haar stelling omtrent de waarde van de inboedel onvoldoende heeft onderbouwd. In de regel heeft inboedel slechts een geringe waarde. Dat dat hier anders zou zijn, heeft [gedaagde] niet duidelijk gemaakt. Integendeel: [eiser] heeft een overzicht overgelegd dat [informant] eerder heeft opgesteld waarin hij zelf opmerkt dat de inboedel geen waarde heeft en dat er voor de inboedel in verband met het afvoeren daarvan alleen maar kosten zullen worden gemaakt. [eiser] heeft ook gewezen op de aangifte erfbelasting waarin de accountant van [informant] (de verderop in dit vonnis te noemen heer [accountant] ) aan de inboedel een waarde heeft toegekend van
€ 500,--.
Lening van € 1.000,--
3.10. Uit een bankafschrift blijkt dat erflater een bedrag van € 1.000, - aan [eiser] heeft overgemaakt. [eiser] heeft in de dagvaarding gesteld dat het hier hierbij, anders dan in het overzicht van [gedaagde] is vermeld, niet om een lening ging. Zij heeft daartoe aangevoerd dat erflater zelf geen contant geld kon opnemen en dat zij daarom dit bedrag van haar eigen rekening heeft opgenomen. Volgens [eiser] heeft erflater dit bedrag weer aan haar terugbetaald. Ter onderbouwing verwijst zij naar een rekeningafschrift, waaruit de opname en de overboeking volgens haar blijken.
3.11. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] echter een afwijkende verklaring gegeven. Zij heeft toen verklaard dat erflater een schuur aan de buurman had verkocht, waarbij aanvankelijk was afgesproken dat de buurman deze voor € 1,- - zou mogen overnemen. Om fiscale redenen heeft de verkoop uiteindelijk plaatsgevonden voor een bedrag van € 10.000,--. Volgens [eiser] wilde erflater dit bedrag niet houden en heeft hij dit in gedeelten contant aan de buurman terugbetaald. Omdat erflater zelf niet kon pinnen, maakte hij bedragen (waaronder de genoemde € 1.000,--) over naar haar rekening, waarna zij dat voor hem pinde. [gedaagde] betwist de door [eiser] geschetste gang van zaken.
3.12. De rechtbank merkt op dat de verklaringen van [eiser] onderling tegenstrijdig zijn. Haar eerste verklaring (die inhoudt dat eerst de contante opname heeft plaatsgevonden en daarna de overboeking) strookt niet met de bankafschriften. Het bedrag van € 1.000,- - is namelijk op 26 maart 2018 overgemaakt en op 28 maart 2018 opgenomen. Haar verklaring tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] betwist en is niet onderbouwd.
3.13. Gelet op deze tegenstrijdigheden en het ontbreken van een consistente onderbouwing, kan de rechtbank niet vaststellen dat [eiser] € 1.000,- - heeft opgenomen ten behoeve van erflater. Daarmee staat vast dat dit bedrag tot de nalatenschap behoort. Dit betekent dat [eiser] het bedrag van € 1.000,- - aan de nalatenschap verschuldigd is. Dit bedrag zal in mindering moeten worden gebracht op het aandeel van [eiser] in de nalatenschap.
Lening van € 45.378,- - en de rente
3.14. Tussen partijen is niet in geschil dat erflater een lening aan [eiser] heeft verstrekt van € 45.378,- - en dat de nalatenschap een vordering op [eiser] heeft ter hoogte van dit bedrag. [eiser] heeft echter aangevoerd dat de door [gedaagde] gehanteerde renteberekening onjuist is. Volgens [eiser] dient de rente niet te worden berekend over de periode van 1 januari 2020 tot en met [overlijdensdatum] 2020, maar uitsluitend over de periode van juli 2020 tot en met [overlijdensdatum] 2020. Op 5 juli 2020 heeft [eiser] nog € 1.815,- - aan rente betaald, hetgeen volgt uit de overgelegde bankafschriften. Uitgaande van de periode vanaf juli 2020 bedraagt de verschuldigde rente € 165,- - in plaats van € 323,--.
3.15. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] erkend dat hetgeen [eiser] ter zake van de renteberekening heeft aangevoerd juist is. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat de nalatenschap naast de vordering uit hoofde van de lening van
€ 45.378,- - ook een vordering op [eiser] heeft van € 165,- - aan rente.
Lening van € 10.000,- - en de rente
3.16. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] een nieuw punt naar voren gebracht, inhoudende dat erflater in 2010 een geldlening aan [eiser] heeft verstrekt van € 10.000,- - waarover volgens [gedaagde] geen rente is voldaan. [eiser] heeft daar tegenover gesteld dat zij over het eerste jaar wel degelijk 4% rente heeft betaald, maar dat erflater deze rente van € 400,- - niet heeft willen houden en dit bedrag aan haar heeft terugbetaald. Hij gaf haar daarvoor een envelop met dat geld. In de jaren daarop heeft zij geen rente meer voldaan omdat erflater het bedrag aan rente toch aan haar zou teruggeven. [eiser] heeft erop gewezen erop dat [gedaagde] eveneens een envelop met geld van erflater heeft ontvangen. [gedaagde] betwist dit en heeft aangevoerd dat zij haar rente wel heeft betaald en dat deze niet aan haar is teruggegeven.
3.17. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat erflater in 2010 aan [eiser] een bedrag van € 10.000,- - heeft geleend. Evenmin is in geschil dat deze geldlening deel uitmaakt van de nalatenschap van erflater. De rechtbank begrijpt dat [eiser] zegt dat erflater de rente die over de lening was verschuldigd, heeft kwijtgescholden. De rechtbank zal [eiser] in de gelegenheid stellen deze stelling nader te onderbouwen, waarop [gedaagde] vervolgens zal mogen reageren.
Beheersvergoeding
3.18. Tussen partijen is ook in geschil of [informant] aanspraak kan maken op een beheersvergoeding van € 13.000,- - voor het beheer van de nalatenschap van erflater. [gedaagde] voert aan dat [informant] sinds het overlijden van erflater feitelijk het beheer over de nalatenschap heeft gevoerd en dat het, gelet op de door hem verrichte werkzaamheden en de daaraan bestede tijd, redelijk is dat hiervoor een beheersvergoeding wordt toegekend. Volgens [gedaagde] zijn hierover tussen partijen ook afspraken gemaakt. [eiser] heeft dit betwist en aangevoerd dat zij met dit beheer nooit heeft ingestemd, laat staan dat zij heeft afgesproken dat [informant] hiervoor zou worden betaald. Zij heeft er uitsluitend mee ingestemd dat [informant] enkele praktische handelingen zou verrichten, zoals het stopzetten van abonnementen.
3.19. Uit de verklaringen van partijen volgt wel dat de heer [informant] in de eerste periode na het overlijden van erflater bepaalde praktische zaken heeft geregeld, maar dat over het beheer van de nalatenschap afspraken zijn gemaakt en dat [informant] hiervoor zou worden betaald, heeft [gedaagde] niet onderbouwd. Dit betekent dat [informant] uit de
nalatenschap geen beheersvergoeding toekomt.
Voorgeschoten kosten door [gedaagde]
3.20. [gedaagde] heeft naar voren gebracht dat zij verschillende kosten heeft voorgeschoten. [eiser] heeft erkend dat zij kosten van de nalatenschap voor de helft moet dragen, maar zij wil daarvan dan wel facturen zien. Deze facturen zijn niet allemaal in het geding gebracht. De rechtbank zal [gedaagde] op grond van artikel 22 Rv bevelen om de facturen en de overige bescheiden waaruit de door haar voorgeschoten kosten blijken over te leggen. [eiser] zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld om op deze stukken van [gedaagde] te reageren.
Factuur [accountant]
3.21. Volgens [gedaagde] moet [eiser] ook de helft van de factuur van de heer [accountant] (hierna [accountant] ) betalen. [accountant] is de accountant van [eiser] en [informant] en heeft, naar de rechtbank begrijpt, in ieder geval een eerste boedelbeschrijving van de nalatenschap gemaakt en de aangiften erfbelasting opgesteld. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] ermee ingestemd dat [accountant] in verband met de nalatenschap werkzaamheden zou verrichten. Zij heeft deze stelling echter niet onderbouwd. [eiser] heeft dit bovendien gemotiveerd betwist. Zij heeft in dit verband gewezen op een bericht dat zij [gedaagde] op 4 januari 2021 heeft gestuurd, waarin zij schrijft dat zij het er niet mee eens is dat de papieren boekhouding van erflater naar [accountant] wordt gestuurd en dat zij daaraan niet gaat meebetalen. Ook heeft zij gewezen op een e-mail die zij op 9 april 2021 aan [informant] heeft verzonden, waarin zij hem laat weten dat zij 35% van de rekening zou betalen omdat de aangifte erfbelasting niet voor haar was gedaan, zij ook geen opdracht had gegeven voor verdeling van de erfenis en dat een verdeling bovendien nog niet aan de orde was. Deze 35% van de rekening heeft zij uiteindelijk ook betaald. Uit de toelichting die [eiser] daarop tijdens de mondelinge behandeling heeft gegeven, begrijpt de rechtbank dat zij dit bedrag heeft betaald omdat de voormalig boekhouder van erflater de aangifte erfbelasting voor haar heeft gedaan en daarbij gebruik heeft gemaakt van de informatie van [accountant] . De stelling van [gedaagde] dat [eiser] de helft van de kosten van [accountant] moet dragen, kan gezien het voorgaande niet worden gevolgd.
Omvang van de nalatenschap
3.22. Zoals hiervoor vermeld, kan de rechtbank de verdeling van de nalatenschap niet vaststellen. De zaak zal naar de rol worden verwezen zodat [eiser] een akte kan nemen waarin zij een duidelijk overzicht van de goederen en schulden van de nalatenschap geeft en uiteenzet hoe de nalatenschap wat haar betreft moet worden verdeeld. Zij zal daarnaast haar stelling dat zij over de lening van € 10.000,- - (zie 3.17.) geen rente is verschuldigd, kunnen onderbouwen. Vervolgens zal [gedaagde] daarop bij antwoordakte kunnen reageren. Voor beide partijen geldt dat zij in hun aktes rekening moeten houden met de bindende eindbeslissingen die de rechtbank in dit vonnis heeft genomen. [gedaagde] zal bovendien de facturen die zij volgens haar heeft betaald als productie over moeten leggen. Tot slot zal [eiser] daarop bij akte uitlating producties nog mogen reageren. In beginsel zal daarna eindvonnis worden gewezen.
4 De beslissing
De rechtbank
4.1. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van25 februari 2026voor het nemen van een akte door [eiser] als hiervoor in 3.22. bedoeld, waarna [gedaagde] op de rol van 25 maart 2026 een antwoordakte kan nemen;
4.2. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.F. Hermans en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.