Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:624 - Rechtbank Midden-Nederland - 21 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:624•21 januari 2026
Uitspraak inhoud
Toezicht
rekestnummer: C/16/603545 / FT RK 25/1216
Beschikking op grond van artikel 1 Fw (verzoek tot faillietverklaring)
d.d. 21 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[verzoekster] B.V.
,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
advocaten: mr. J. van Ee en mr. M. Tak,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
tegen
mevrouw
[verweerster],
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. S.R. Voorhorst
hierna te noemen: [verweerster] ,
1 De procedure
1.1. Het verzoekschrift tot faillietverklaring is behandeld tijdens een zitting van deze rechtbank van 20 januari 2026.
1.2. Ter zitting zijn verschenen: - mevrouw mr. J. van Ee, advocaat, - de heer mr. M. Tak, advocaat, - mevrouw [verweerster] , voornoemd, - de heer mr. S.R. Voorhorst, advocaat.
2 De feiten
2.1. De rechtbank geeft een samenvatting van de relevante feiten voor de beoordeling van het verzoek van [verzoekster] tot faillietverklaring van [verweerster] .
2.2. Op 18 januari 2012 heeft de rechtbank [verweerster] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 49.386,20, te vermeerderen met de wettelijke rente, aan [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ). De rechtbank heeft in dezelfde beslissing geoordeeld dat een dochtermaatschappij van [bedrijf 1] , [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ), een bedrag van € 60.449,35 moet betalen aan [verweerster] . Deze vorderingen vloeien voort uit een geschil tussen [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [verweerster] over rekening-courantverhoudingen en financiële verplichtingen die voortvloeiden uit eerdere bestuurs - en aandeelhoudersrelaties.
2.3. Op 12 november 2025 heeft [bedrijf 1] (cedent) een overeenkomst van cessie gesloten met [verzoekster] (cessionaris). De betekening van voornoemde overeenkomst aan [verweerster] vond plaats op 19 november 2025.
3 Het verzoek en verweer
3.1. [verzoekster] heeft gevraagd om het faillissement van [verweerster] . [verzoekster] heeft een opeisbare vordering heeft van € 72.622,72 op [verweerster] . [verzoekster] heeft ter zitting stukken overgelegd, waaruit een steunvordering volgt. Dit betreft een lening van mevrouw [A] , de zus van [verweerster] . De zus heeft een bedrag van in totaal € 292.536,81 geleend aan [verweerster] en dit bedrag is niet terugbetaald. Aldus [verzoekster] .
3.2. [verweerster] heeft zich tegen het verzoek verweerd. De lening met haar zus is een voorschot op een erfenis en er is dus geen verplichting tot terugbetaling van dit bedrag.
3.3. [verweerster] heeft daarnaast een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid op de (indirecte) bestuurders van [bedrijf 2] , waaronder [bedrijf 1] . Zij beroept zich op verrekening van deze vordering met de vordering van [verzoekster] op haar. Deze vordering betreft een bedrag van € 103.140,66.
3.4. [verweerster] betwist dat zij verkeert in een toestand waarin zij is opgehouden te betalen. Zij heeft recent een andere de steunvordering van € 10.000,00 betaald. Aldus [verweerster] .
4 De beoordeling
4.1. De rechtbank oordeelt dat niet summierlijk vast is komen te staan dat [verweerster] in een toestand verkeert, waarin zij is opgehouden te betalen. Het verzoek van [verzoekster] tot faillietverklaring van [verweerster] wordt afgewezen.
4.2. Artikel 6, derde lid, van de Faillissementswet bepaalt dat de rechter op verzoek van [verzoekster] een faillissement uitspreekt als er onder meer sprake is van een toestand waarin [verweerster] is opgehouden te betalen. Er is sprake van deze toestand als er aan twee voorwaarden is voldaan. Ten eerste moet [verzoekster] een vorderingsrecht hebben en moet het bestaan daarvan voldoende aannemelijk zijn gemaakt. Ten tweede moet worden vastgesteld of [verweerster] is opgehouden te betalen. Dit vereist dat er meerdere schuldeisers zijn en dat er andere omstandigheden zijn waaruit het bestaan van deze toestand volgt.
4.3. In deze zaak heeft [verzoekster] het bestaan van een steunvordering, mede gelet op het verweer van [verweerster] , onvoldoende aannemelijk gemaakt. [verzoekster] stelt dat [verweerster] nog geld verschuldigd is aan haar zus, maar [verweerster] heeft aangevoerd dat haar zus heeft verklaard de geldleningen niet op te zullen eisen en deze als voorschot op haar erfenis beschouwt. Dit verweer is onvoldoende weersproken. Verdere beoordeling van deze stellingen, zou inhouden dat nadere verklaringen nodig zijn van de zus. Daarvoor is in het kader van een faillissementsprocedure geen plek.
4.4. Ook uit andere omstandigheden blijkt niet dat [verweerster] is opgehouden te betalen. De vordering van [verzoekster] vloeit voort uit een geschil waarbij de oorspronkelijke schuldeiser ( [bedrijf 1] ) een vordering heeft op [verweerster] en [verweerster] op [bedrijf 2] , de dochtermaatschappij van [bedrijf 1] . [verzoekster] heeft niet toegelicht waarom zij niet beslag kon leggen op [bedrijf 2] om haar vordering op [bedrijf 1] te innen. Haar stelling dat [bedrijf 2] een lege vennootschap is, kan niet zomaar worden aangenomen, omdat [bedrijf 1] en [verzoekster] dezelfde eigenaar delen. Daarnaast had [verzoekster] , of de oorspronkelijke schuldeiser ( [bedrijf 1] ), invloed op de activa van [bedrijf 2] . Dit voert terug op het oorspronkelijke geschil dat partijen hebben. De faillissementsprocedure is niet de procedure waarbinnen dit geschil kan worden beslecht. Daarom wordt het verzoek tot faillietverklaring afgewezen.
5 De beslissing
De rechtbank:
wijst af het verzoek tot faillietverklaring.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.J. Neijt en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.[1]
Hoger beroep tegen deze beschikking kan alleen worden ingesteld door een advocaat, bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De termijn van hoger beroep is acht dagen. De eerste dag daarvan is die na de datum van deze beschikking. - - - ## Voetnoten