Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:575 - Rechtbank Midden-Nederland - 11 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:57511 februari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK
  **MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11926691 \ UC EXPL 25-8128 BJvd/61169
Vonnis van 11 februari 2026
in de zaak van
  1. STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET SCHOONMAAK - EN GLAZENWASSERSBEDRIJF,
gevestigd te Amsterdam,2. STICHTING RAAD VOOR ARBEIDSVERHOUDINGEN SCHOONMAAK - EN GLAZENWASSERSBRANCHE,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: Pensioenfonds Schoonmaak,
gemachtigde: Flanderijn & Van Eck,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met producties 1 t/m 4, - het proces-verbaal van de rolzitting van 22 oktober 2025, waarin [gedaagde] mondeling antwoord heeft gegeven, - de akte van [gedaagde] met producties 1 en 2, - de conclusie van repliek met producties 5 t/m 8, - de conclusie van dupliek.
1.2. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2 De kern van de zaak

2.1. [gedaagde] heeft een factuur van Pensioenfonds Schoonmaak niet op tijd betaald, ook niet nadat Pensioenfonds Schoonmaak [gedaagde] daarvoor heeft aangemaand. Daarom heeft Pensioenfonds Schoonmaak haar factuur verhoogd met rente en buitengerechtelijke incassokosten. [gedaagde] heeft de factuur van Pensioenfonds Schoonmaak betaald, maar de bijkomende rente en kosten niet. Die vordert Pensioenfonds Schoonmaak in deze procedure. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] deze rente en incassokosten moet betalen, omdat zij de factuur niet op tijd heeft betaald.

3 De beoordeling

[gedaagde] heeft de factuur van Pensioenfonds Schoonmaak niet op tijd betaald
3.1. [gedaagde] moet op grond van de wet pensioenpremies betalen voor haar werknemers, omdat deze verplicht deelnemen aan het daartoe aangesloten bedrijfstakpensioenfonds. Voor het versturen van een factuur voor de verplichte premies moet [gedaagde] loongegevens van haar werknemers sturen aan Pensioenfonds Schoonmaak. Over januari 2025 heeft Pensioenfonds Schoonmaak van [gedaagde] geen loongegevens ontvangen, dus is op 14 april 2025 een factuur van € 2.134,29 aan [gedaagde] gestuurd op basis van geschatte gegevens. Die factuur betaalde [gedaagde] niet, ook niet na herinneringen die zijn gestuurd op 5 en 15 mei 2025. Daarna heeft Pensioenfonds Schoonmaak een incassobedrijf ingeschakeld, die [gedaagde] nogmaals op 27 mei en 2 juni 2025 heeft aangemaand tot betaling.
3.2. Omdat [gedaagde] uiteindelijk de loongegevens heeft verstrekt, is op 3 juni 2025 op basis daarvan een creditfactuur van € 596,37 opgemaakt. Het restbedrag is door [gedaagde] op 10 juni 2025 betaald. [gedaagde] stelt dat zij de aanmaningen van Pensioenfonds Schoonmaak nooit heeft ontvangen en vindt dat Pensioenfonds Schoonmaak prematuur een incassobureau heeft ingeschakeld voor de betaling. De hoogte van de factuur stond namelijk nog niet vast, omdat die gebaseerd was op een schatting. [gedaagde] stelt verder dat Pensioenfonds Schoonmaak haar vordering pas nadat deze door [gedaagde] was betaald uit handen heeft gegeven.
[gedaagde] moet de rente en de buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.3. De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] de wettelijke handelsrente rente over de factuur van Pensioenfonds Schoonmaak moet betalen. [gedaagde] was namelijk te laat met de betaling van de factuur en de verweren van [gedaagde] slagen niet.
3.4. Het verweer van [gedaagde] dat zij de aanmaningen van Pensioenfonds Schoonmaak niet heeft ontvangen, gaat niet op. Pensioenfonds Schoonmaak heeft gemotiveerd gesteld dat zij de herinneringen aan het bij haar bekende e-mailadres van [gedaagde] heeft verzonden. Latere e-mails van het incassobureau zijn ook naar dit e-mailadres gestuurd. Uit screenshots van het incassobureau is te zien dat e-mails van 12 juni 2025 en 16 juli 2025 door [gedaagde] zijn geopend en dat de e-mails van 27 mei 2025 en 2 juni 2025 door [gedaagde] zijn ontvangen. Ook is op 2 juni 2025 telefonisch met een medewerker van [gedaagde] gesproken over de factuur die nog betaald moest worden. Dat [gedaagde] de e-mails niet heeft ontvangen of niet wist van de factuur, is dus niet aannemelijk geworden. Het feit dat [gedaagde] via hetzelfde e-mailadres haar conclusie van dupliek heeft ingediend bevestigd de kantonrechter in dit oordeel.
3.5. Dat de hoogte van de factuur was geschat en dus nog niet vaststond klopt, maar dat komt voor rekening en risico van [gedaagde] . Zij is zelf namelijk verantwoordelijk voor het (tijdig) opsturen van de juiste loongegevens van haar personeel, op basis waarvan Pensioenfonds Schoonmaak een juiste factuur kan opmaken. Dat heeft [gedaagde] niet gedaan.
3.6. Tot slot heeft [gedaagde] haar stelling dat Pensioenfonds Schoonmaak haar vordering pas nadat deze door [gedaagde] was betaald uit handen heeft gegeven niet onderbouwd. Bovendien blijkt uit de stukken die Pensioenfonds Schoonmaak heeft overgelegd het tegendeel van de stelling van [gedaagde] .
3.7. Volgens Pensioenfonds Schoonmaak bestaat de wettelijke rente tot 28 april 2025 uit € 35,91 en [gedaagde] tegen de hoogte hiervan geen verweer tegen gevoerd. Dit bedrag komt de kantonrechter ook niet ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag is op grond van de wet niet toewijsbaar, omdat het hier gaat over al berekende rente en deze nog niet over een heel jaar verschuldigd is.
3.8. [gedaagde] moet ook de buitengerechtelijke kosten aan Pensioenfonds Schoonmaak betalen. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Pensioenfonds Schoonmaak heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Pensioenfonds Schoonmaak heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Pensioenfonds Schoonmaak heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat Pensioenfonds Schoonmaak geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom zal een bedrag van € 387,37 worden toegewezen. Omdat de wettelijke handelsrente-regeling van artikel 6:119a en 6:119b BW niet van toepassing is op schadevergoedingsbedragen, is alleen de wettelijke rente van artikel 6:119 BW toewijsbaar over dit bedrag.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.9. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Pensioenfonds Schoonmaak worden begroot op:

4 De beslissing

De kantonrechter
4.1. veroordeelt [gedaagde] om aan Pensioenfonds Schoonmaak te betalen een bedrag van € 423,28, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over een bedrag van € 387,37, met ingang van 25 september 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 501,04, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. van Steenbeek en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.
Inclusief het door Pensioenfonds Schoonmaak gevorderde bedrag van € 25,69 aan btw.