Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:502 - Rechtbank Midden-Nederland - 19 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:502•19 januari 2026
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2034
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: mr. K. Demir).
- Deze uitspraak gaat over het besluit van het college om het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk te verklaren. Eiseres is het daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Procesverloop
- Eiseres heeft op 3 juli 2024 bij het college een bijstandsuitkering aangevraagd.
2.1. Met het besluit van 13 september 2024 (het primaire besluit) heeft het college een bijstandsuitkering aan eiseres toegekend. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt bij het college.
2.2. Met het besluit van 31 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.[1]
2.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4. De rechtbank heeft het beroep op 5 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres en de gemachtigde van het college.
Beoordeling door de rechtbank
- Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van het griffierecht. Dit verzoek was voorlopig afgewezen, waarna eiseres het griffierecht heeft voldaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om, op grond van de door eiseres overgelegde stukken en hetgeen op zitting is toegelicht, anders te concluderen en wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht af.
Totstandkoming van het bestreden besluit
- Bij de toekenning van de bijstand in het primaire besluit heeft het college eiseres er onder andere over geïnformeerd dat haar inkomsten in mindering worden gebracht op haar uitkering en dat de eerder aan haar opgelegde maatregel omtrent communicatie met de gemeente Utrecht ook geldt voor het indienen van stukken in het kader van de bijstandsuitkering. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
4.1. Het college merkt in het bestreden besluit op dat het bezwaar van eiseres voornamelijk lijkt te zijn gericht tegen de eerder op 6 februari 2024 opgelegde ordemaatregel over de communicatie met de gemeente. Daarin is bepaald dat eiseres gedurende één jaar alleen met de gemeente mag communiceren via het emailadres [e-mailadres] @utrecht.nl. Het college stelt zich op het standpunt dat de brief waarin deze maatregel is opgelegd geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college verklaart het bezwaar voor zover gericht tegen de ordemaatregel daarom niet-ontvankelijk. Daarnaast heeft eiseres in bezwaar gronden aangevoerd over de ingehouden bedragen op haar bijstandsuitkering. Het college heeft hierover in het bestreden besluit uitgelegd dat de bijstandsuitkering een aanvulling is op het inkomen van eiseres. Deze inkomsten worden op grond van artikel 19, tweede lid, van de Participatiewet verrekend met de bijstandsuitkering. In het primaire besluit wordt geen concreet bedrag genoemd dat verrekend wordt. Verrekende bedragen zijn te zien op de uitkeringsspecificaties. Daartegen staat in beginsel bezwaar open. Het college gaat daarom in het bestreden besluit niet verder in op de concrete bedragen die verrekend zijn.
Standpunt van eiseres
- De rechtbank stelt vast dat eiseres geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen de vermelding in het bestreden besluit dat de inkomsten van eiseres zullen worden verrekend met de bijstandsuitkering. De verrekening van inkomsten is daarom in beroep geen onderdeel van het geschil.
- Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat het college haar bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres voert daartoe, kort samengevat, aan dat haar bezwaar niet (puur) op de opgelegde maatregel ziet, maar op de koppeling van deze maatregel aan haar bijstandsuitkering. Volgens eiseres wordt de maatregel door het college als voorwaarde bij haar bijstandsuitkering gesteld en heeft het college deze koppeling niet gerechtvaardigd. Door deze koppeling kan zij ook niet voldoen aan de verplichtingen van de bijstandsuitkering, zoals het doorgeven van wijzigingen, en kan zij geen gebruik maken van haar rechten.
Oordeel van de rechtbank
- De rechtbank stelt voorop dat de ordemaatregel op zichzelf geen voor beroep vatbaar besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb, maar een maatregel is in het kader van het civiele recht. Eiseres kan een dergelijke maatregel, zoals zij op de zitting ook wel erkent, daarom ook niet aanvechten in bezwaar. Dat zou zij eventueel bij de civiele rechter kunnen doen.
[2] Het enkele feit dat de ordemaatregel in het besluit tot toekenning van de bijstand is genoemd, maakt dat niet anders. Het is een ordemaatregel die in algemene zin geldt en deze maakt geen onderdeel uit van het besluit tot toekenning van de bijstand en is ook geen voorwaarde voor die bijstand. De maatregel heeft ook geen directe gevolgen voor de toekenning. De gemachtigde van het college heeft op zitting nog toegelicht dat het college inmiddels een adreswijziging en meerdere aanvragen voor bijzondere bijstand heeft ontvangen van eiseres en dat deze ook zijn verwerkt en behandeld. Er blijft dus een weg tot communicatie open en het blijft voor eiseres mogelijk om te voldoen aan haar verplichtingen en om gebruik te maken van haar rechten in het kader van de bijstand. De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het college het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J. Biswane, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via "Formulieren en inloggen" op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Het besluit is gedateerd op 31 januari 2024, het college heeft erkend dat dit een kennelijke verschrijving is.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2006:AX7371 en ECLI:NL:RBNNE:2018:362. - - - ## Voetnoten