Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:479 - Rechtbank Midden-Nederland - 10 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:479•10 februari 2026
Uitspraak inhoud
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6999
en
(gemachtigden: P.E. Darius en mr. A. van Rossem).
- Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de besluiten van het college om eisers met ingang van 18 december 2024 ambtshalve uit te schrijven uit de Basisregistratie personen (Brp). Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekers.
Procesverloop
- Met het bestreden besluit van 27 november 2025 heeft het college verzoekers met ingang van 18 december 2024 uitgeschreven uit de Brp omdat na onderzoek gebleken is dat zij al meer dan een jaar niet meer in Nederland verblijven maar in Suriname*.* Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers (hun dochter) en de gemachtigden van het college.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Verzoekers vragen aan de voorzieningenrechter om de uitschrijving uit de Brp te schorsen totdat er op het bezwaar is beslist. Op die manier kan de zorgverzekering van verzoekers in Nederland herleven en wordt het proces van repatriëring en de plaatsing van verzoeker in een verzorgingshuis in Nederland makkelijker. Volgens verzoekers zijn ze ten onrechte uitgeschreven uit de Brp omdat het langdurige verblijf in Suriname het gevolg is van het feit dat de gezondheid van verzoeker tijdens hun vakantie daar dusdanig is verslechterd dat de reis naar Nederland onmogelijk dan wel zeer lastig is geworden. De dochter van verzoekers heeft geprobeerd om te reis te realiseren maar dat is niet gelukt. Nu twijfelt zij over repatriëring van verzoekers, omdat de wens van de familie is dat verzoeker direct na terugkomst in Nederland naar een verzorgingshuis kan. Verzoeker heeft daarvoor een Wlz-indicatie gekregen maar hij staat tot op heden op de wachtlijst voor plaatsing in een verzorgingshuis. De gevolgen van de uitschrijving uit de Brp zijn gelet op het voorgaande volgens verzoekers evident onevenredig ten opzichte van de met het besluit te dienen doelen. Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
- De voorzieningenrechter overweegt dat het doel van de Wet Brp is dat de daarin vermelde gegevens zo betrouwbaar en duidelijk mogelijk zijn en dat gebruikers van deze gegevens erop moeten kunnen vertrouwen dat deze in beginsel juist zijn. Met het oog daarop dienen in de Brp gegevens over de feitelijke verblijfplaats van de betrokkene te worden geregistreerd.
[1]
4.1. In artikel 2.21, tweede lid, van de Wet Brp is bepaald wanneer het college iemand ambtshalve als vertrokken naar het buitenland in de Brp vermeldt. Iemand mag worden geacht naar het buitenland te zijn vertrokken, indien hij naar redelijke verwachting gedurende een jaar ten minste twee derde van de tijd (acht maanden) buiten Nederland verblijft. Het college moet dit aannemelijk maken en beoordeelt daarbij alleen de feiten.[2] Er is geen ruimte voor een belangenafweging.[3]
4.2. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het college terecht overgegaan tot de ambtshalve uitschrijving van verzoekers uit de Brp. Uit onderzoek van het college is gebleken dat verzoekers ten tijde van het bestreden besluit al langer dan acht maanden (ruim één jaar) in Suriname verbleven. Verzoekers betwisten dit niet en zij zijn tot op heden niet teruggekeerd. Het college heeft bij de toepassing van artikel 2.21, tweede lid, van de Wet Brp geen beleidsruimte om burgers ingeschreven te laten staan in de Brp terwijl bekend is dat ze niet meer in Nederland wonen.[4] Dit betekent dat er voor het college geen ruimte is om de omstandigheid dat de repatriëring van verzoekers gelet op de medische toestand van verzoeker logistiek ingewikkeld of onwenselijk is bij het bestreden besluit mee te wegen.
4.3. De voorzieningenrechter concludeert dat het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen heeft. Het besluit tot uitschrijving uit de Brp blijft in bezwaar hoogstwaarschijnlijk in stand. Geven de de belangen van verzoekers aanleiding om alsnog een voorziening te treffen?
- De voorzieningenrechter weegt altijd nog zelf de belangen af. Als het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft, is er echter weinig ruimte om alsnog een voorlopige voorziening te treffen en komt er meer gewicht toe aan het belang dat is gediend met het bestreden besluit. Dat is – kortgezegd – het belang van een betrouwbare weergave van de feitelijke verblijfplaats in de Brp. Aan de kant van verzoekers speelt de omstandigheid dat de gezondheidstoestand van verzoeker zorgelijk is en dat hij sinds juni 2025 een Wlz-indicatie heeft voor opname in een verpleeghuis. Verzoekers vrezen dat de uitschrijving uit de Brp gevolgen heeft voor deze indicatie en de plaats van verzoeker op de wachtlijst voor het verzorgingshuis. Daarnaast bestaat de wens van verzoekers om pas naar Nederland terug te keren als verzoeker direct kan worden opgenomen in het verzorgingshuis. De voorzieningenrechter ziet in deze omstandigheden geen aanleiding voor het oordeel dat de uitschrijving uit de Brp moet worden geschorst. Op de zitting heeft de dochter van verzoekers bevestigd dat reizen voor verzoeker niet onmogelijk is. Daarnaast kunnen verzoekers in Nederland terecht in de woning van hun dochter waar zij stonden ingeschreven voordat zij uit Nederland vertrokken. De noodzakelijke zorg voor verzoeker zou kunnen worden geregeld via de thuiszorg. De dochter van verzoekers heeft daarnaast op de zitting uitgelegd dat er geen financiële belemmeringen zijn om de repatriëring te realiseren. De voorzieningenrechter heeft er begrip voor dat men de repatriëring van verzoeker zo comfortabel mogelijk wil laten plaatsvinden, waarbij hij direct na terugkeer in een verzorgingshuis kan wonen. Deze wens betekent echter ook dat het een eigen keuze van verzoekers is (geweest) om niet eerder naar Nederland terug te keren. De uitschrijving uit de Brp is daarvan een consequentie, evenals de onmogelijkheid om op dit moment opnieuw ingeschreven te worden. Daarom leidt de belangenafweging niet tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
- De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de uitschrijving uit de Brp van verzoekers niet wordt geschorst in de periode tot aan de beslissing op bezwaar.
6.1. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.L. Kosterman-Meijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2026.
De griffier is verhinderd
om de uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3241.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4266.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3001, rechtsoverweging 7.2.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3001, rechtsoverweging 7.2. - - - ## Voetnoten