Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:462 - Rechtbank Midden-Nederland - 3 februari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:462•3 februari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6852
Stichting de Verbeelding, uit Wezup, verzoekster
(gemachtigde: G. Heres Hoogerkamp),
en
het college van procureurs-generaal van het Openbaar Ministerie, het OM.
Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster gericht tegen de brief van 17 november 2025 van het OM, waarbij aan verzoekster is bericht dat het OM niet meer zal reageren op haar brieven over 'de kwestie van Zutphen'.
1.1. Verzoekster heeft tegen deze brief bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2. Het OM heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.3. Met het besluit van 22 december 2025 heeft het OM het bezwaar van verzoekster niet-ontvankelijk verklaard.
1.4. Op 24 december 2025 heeft verzoekster hierop gereageerd en verzocht te bepalen dat het griffierecht door verweerder aan verzoekster wordt vergoed.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.1. Voordat de voorzieningenrechter aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek kan toekomen, dient hij te beoordelen of het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ontvankelijk is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit niet het geval.
2.2. Uit artikel 8:81 van de Awb volgt dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van connexiteit. Voor een ontvankelijk verzoek om een voorlopige voorziening is nodig dat tegen een besluit bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan of beroep is ingesteld bij de bestuursrechter (de formele connexiteit).
2.3. Verzoekster heeft op 1 december 2025 het verzoek om een voorlopige voorziening ingediend hangende haar bezwaar. Met het besluit van 22 december 2025 heeft het OM op het bezwaar van verzoekster beslist en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Volgens het OM is de brief van 17 november 2025 geen besluit zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De brief heeft geen rechtsgevolg, maar is een feitelijke handeling.
2.4. Verzoekster heeft in haar reactie van 24 december 2025 gesteld dat zij niet (langer) met het OM gaat muggenziften over de invulling van het besluit op bezwaar en dat ook de rechtbank wel wat beters te doen heeft dan over dat besluit een oordeel te geven. Verzoekster zal daarom geen beroep instellen tegen het besluit op bezwaar en meent dat er ook geen dringende noodzaak meer bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter wel verzocht om het OM op te dragen het griffierecht aan haar te vergoeden.
2.5. De voorzieningenrechter heeft deze reactie niet opgevat als een formele intrekking van het verzoek om een voorlopige voorziening, omdat de formulering van de reactie zoals hiervoor weergegeven ruimte laat voor een andere interpretatie en partijen daarmee niet in hun belangen worden geschaad. Daarbij is in het kader van het griffierecht ook van belang dat de situaties zoals genoemd in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb niet aan de orde zijn.
2.6. Bij het besluit van 22 december 2025 is het bezwaar van verzoekster tegen de brief van 17 november 2025 niet-ontvankelijk verklaard. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster tegen het besluit van 22 december 2025, ook na ommekomst van de geldende beroepstermijn, geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet het verzoek om een voorlopige voorziening daarom niet langer aan het vereiste van connexiteit, zoals bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.
2.7. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
2.8. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om te bepalen dat het OM het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk aan verzoekster vergoedt.[1] Immers, er is niet aan het bezwaar, waarmee het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening samenhing, tegemoet gekomen; dat bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard en kennelijk berust verzoekster daar in.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.E. Mollerus, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Op grond van artikel 8:82, vijfde lid van de Awb. - - - ## Voetnoten