Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:452 - Rechtbank Midden-Nederland - 21 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:45221 januari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK
  **MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11484724 \ MC EXPL 25-85
Vonnis van 21 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. A.C. Winter,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. W. Terhaerdt.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding met 7 producties, - de conclusie van antwoord met 8 producties, - de akte van gedaagde met productie 9.
1.2. Op 27 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarbij zijn verschenen [A] namens [eiseres] met zijn gemachtigde en [B] namens [gedaagde] met zijn gemachtigde. Partijen zijn tijdens de mondelinge behandeling gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is besproken. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2 De kern

2.1. [gedaagde] en [eiseres] hebben in 2019 een huurovereenkomst gesloten (hierna: Huurovereenkomst [naam 1] ). Deze overeenkomst was aangegaan voor de duur van 5 jaar en zou eindigen op 1 april 2023. Later werd de overeenkomst verlengd tot 1 november 2023 waarbij is afgesproken dat over en weer een opzegtermijn van één maand zou gelden. Vervolgens heeft [gedaagde] in 2023 ook een huurovereenkomst gesloten met de bestuurder van [eiseres] , de heer [A] , in privé (hierna: Huurovereenkomst [naam 2] ). Hierna, op 28 april 2023, heeft [gedaagde] Huurovereenkomst [naam 1] tussentijds opgezegd. Ter beoordeling ligt de vraag voor of deze opzegging mogelijk is. Volgens [eiseres] is in artikel 12.4 van Huurovereenkomst [naam 2] bepaald dat Huurovereenkomst [naam 1] niet (meer) tussentijds kan worden opgezegd. Omdat [gedaagde] de huurovereenkomst tóch heeft opgezegd, vordert [eiseres] betaling van de huurtermijnen vanaf mei tot november 2023 (in totaal € 169.382,75). [gedaagde] betwist dat in Huurovereenkomst [naam 2] de tussentijdse opzegging van Huurovereenkomst [naam 1] is uitgesloten. De kantonrechter is het daarmee eens en wijst de vordering van [eiseres] af.

3 De beoordeling

Algemeen
3.1. Tussen [eiseres] en [gedaagde] staat niet ter discussie dat zij zijn overeengekomen dat Huurovereenkomst [naam 1] in de periode april tot november 2023 tussentijds kan worden opgezegd met een opzegtermijn van één maand. De vraag die voorligt is of artikel 12.4 van Huurovereenkomst [naam 2] die mogelijkheid tot opzegging van de Huurovereenkomst [naam 1] uitsluit. In dit artikel staat alleen het volgende: "De huur van het [naam 1] te weten gebouw 1 en 6 wordt voortgezet tot 1 november 2023."
Artikel 12.4 van Huurovereenkomst [naam 2] sluit de opzegmogelijkheid van Huurovereenkomst [naam 1] niet uit
3.2. [eiseres] stelt dat de heer [A] tijdens de onderhandelingen voor Huurovereenkomst [naam 2] aan [gedaagde] heeft medegedeeld dat Huurovereenkomst [naam 1] moet voortduren zonder mogelijkheid tot opzegging. De reden daarvoor is dat de heer [A] , samen met zijn broer, bestuurder is van [eiseres] en de heer [A] niet wil dat die vennootschap door het sluiten van Huurovereenkomst [naam 2] wordt benadeeld. Dat zou het wel geval zijn als [gedaagde] Huurovereenkomst [naam 1] na het sluiten van Huurovereenkomst [naam 2] zou kunnen opzeggen. De heer [A] heeft verklaard dat hij Huurovereenkomst [naam 2] niet zou hebben gesloten als Huurovereenkomst [naam 1] niet ook zou worden voortgezet. Volgens de heer [A] is de heer [C] namens [gedaagde] tijdens een telefoongesprek akkoord gegaan met deze voorwaarde.
3.3. Volgens [gedaagde] stond artikel 12.4 niet in de eerste versie van Huurovereenkomst [naam 2] . Zij stelt dat het artikel door de heer [A] aan de overeenkomst is toegevoegd. Dit is gebeurd nadat [gedaagde] aan de heer [A] had gevraagd om de onjuiste ingangsdatum van de overeenkomst te corrigeren. De heer [A] heeft [gedaagde] niet laten weten dat hij bij het herstellen van die onjuistheid ook een nieuw artikel aan de overeenkomst heeft toegevoegd. [gedaagde] is hier pas na het ondertekenen van de overeenkomst achter gekomen. [eiseres] heeft dat niet bestreden. Volgens [eiseres] is artikel 12.4 pas later aan de overeenkomst toegevoegd, omdat de heer [A] bij het opstellen van de overeenkomst was vergeten om het artikel in de overeenkomst op te nemen.
3.4. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat in de tekst van artikel 12.4 geen uitsluiting van de opzegmogelijkheid van Huurovereenkomst [naam 1] kan worden gelezen. Volgens haar bevestigt het artikel alleen dat Huurovereenkomst [naam 1] op 1 november 2023 afloopt.
3.5. [gedaagde] stelt dat zij bij het sluiten van Huurovereenkomst [naam 2] de opzegmogelijkheid van Huurovereenkomst [naam 1] niet heeft willen uitsluiten. Zij zou juist de intentie hebben gehad om Huurovereenkomst [naam 1] niet langer voort te zetten. Zij verwijst ter onderbouwing van haar standpunt naar haar e-mail van 20 april 2023 aan de heer [A] , waarin staat: "48 bedden van het [naam 1] worden omgezet naar het [naam 2] . Dit houdt in dat de huur m.b.t. het [naam 1] wordt verlaagd met 48 bedden ingaand 01-05-2023."
[gedaagde] betwist dat zij – of de heer [C] namens haar – bij het sluiten van Huurovereenkomst [naam 2] akkoord is gegaan met het uitsluiten van de opzegmogelijkheid van Huurovereenkomst [naam 1] . Tijdens het telefoongesprek waarnaar de heer [A] verwijst, is volgens haar geen enkel akkoord bereikt en zou alleen zijn gesproken over een voorstel. [gedaagde] verwijst naar de e-mail van de heer [C] aan de heer [A] van 21 april 2023, waarin het volgende staat: "Zojuist telefonisch met elkaar besproken om het voorstel op de mail te zetten." Dat ook nadien een dergelijke voorwaarde niet is overeengekomen blijkt volgens [gedaagde] uit de e-mailcorrespondentie met de heer [A] over Huurovereenkomst [naam 2] . Dat in deze correspondentie niets staat over het wijzigen van de opzegmogelijkheid van Huurovereenkomst [naam 1] is door [eiseres] niet bestreden.
3.6. De kantonrechter is het met [gedaagde] eens dat in de tekst van artikel 12.4 van Huurovereenkomst [naam 2] niet een uitsluiting van de opzegging van Huurovereenkomst [naam 1] kan worden gelezen. In het artikel staat alleen dat Huurovereenkomst [naam 1] tot 1 november 2023 wordt voortgezet en niet dat deze voortzetting onvoorwaardelijk wordt. Maar voor de uitleg van een artikel in een overeenkomst moet niet alleen worden gekeken naar de letterlijke tekst daarvan. De kantonrechter moet beoordelen hoe beide partijen het artikel in de overeenkomst mochten begrijpen en wat zij in redelijkheid van elkaar mochten verwachten. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het concrete geval, waaronder (a) de aard van de overeenkomst, (b) de omvang en mate van gedetailleerdheid van de overeenkomst, (c) de wijze van totstandkoming van de overeenkomst – waarbij relevant is wie van de partijen de overeenkomst heeft opgesteld – en (d) de mate waarin partijen bij de totstandkoming van de overeenkomst hulp van een deskundige hebben gehad. Dit wordt de Haviltex maatstaf genoemd.
3.7. De kantonrechter vindt dat [eiseres] niet aannemelijk heeft gemaakt dat met artikel 12.4 van Huurovereenkomst [naam 2] de opzegmogelijkheid van Huurovereenkomst [naam 1] is uitgesloten. Dat [gedaagde] en de heer [A] met dit artikel hebben bedoeld een dergelijke voorwaarde overeen te komen is niet gebleken. [gedaagde] heeft betwist dat de heer [C] namens haar tijdens een telefoongesprek met de heer [A] akkoord is gegaan met het uitsluiten van de opzegmogelijkheid van Huurovereenkomst [naam 1] . En uit de communicatie die [gedaagde] en de heer [A] nadien hebben gevoerd blijkt ook niet dat partijen een dergelijke voorwaarde zijn overeengekomen. In het voorstel dat [gedaagde] na het telefoongesprek op 21 april 2023 aan de heer [A] heeft verzonden, wordt Huurovereenkomst [naam 1] – en dus ook de opzegmogelijkheid van die overeenkomst – niet genoemd. In de overeenkomst die de heer [A] vervolgens zelf heeft opgesteld was ook niet bepaald dat de opzegmogelijkheid van Huurovereenkomst [naam 1] wordt uitgesloten. Gelet op de stelling van de heer [A] dat hij Huurovereenkomst [naam 2] niet zou hebben gesloten als Huurovereenkomst [naam 1] niet wordt voortgezet, had dat voor de hand gelegen. De heer [A] heeft artikel 12.4 pas aan de overeenkomst toegevoegd, nadat [gedaagde] alleen om aanpassing van de op de overeenkomst onjuist vermelde ingangsdatum had gevraagd. Aan de toevoeging van het artikel is geen overleg voorafgegaan aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat partijen daarbij een bedoeling hebben gehad die afwijkt van de tekst. De heer [A] heeft [gedaagde] niet erop gewezen dat hij het artikel aan de overeenkomst heeft toegevoegd. Dit had gekund in de begeleidende e-mail bij de aangepaste overeenkomst en zou voor de heer [A] een kleine moeite zijn geweest.
3.8. Gelet op het voorgaande is niet komen vast te staan dat tussen partijen is overeengekomen dat de tussentijdse opzegging van Huurovereenkomst [naam 1] is uitgesloten in Huurovereenkomst [naam 2] . Dat betekent dat [gedaagde] Huurovereenkomst [naam 1] conform haar eerdere afspraak met [eiseres] tussentijds kon opzeggen met een termijn van een maand. Door de opzegging in april 2023 is Huurovereenkomst [naam 1] in mei 2023 geëindigd en hoeft [gedaagde] de huurtermijnen tot november 2023 niet aan [eiseres] te betalen. De vordering van [eiseres] wordt daarom afgewezen.
De overige verweren van [gedaagde] worden niet besproken
3.9. Omdat de vordering van [eiseres] wordt afgewezen, worden de overige verweren van [gedaagde] in dit vonnis niet besproken.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
3.10. [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
De wettelijke rente wordt toegewezen
3.11. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4 De beslissing

De kantonrechter
4.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.035,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3. veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.4. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2026.