Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:445 - Rechtbank Midden-Nederland - 28 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:44528 januari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK
  **MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11776866 \ LC EXPL 25-1391
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiser],
gevestigd te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. W. Sallé,
tegen
[gedaagde] ,
    tevens handelend onder de naam **[handelsnaam]**,
wonende en zaakdoende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.R. Bügel.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding; - de conclusie van antwoord; - de nadere producties van beide partijen.
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2025. Namens [eiser] zijn verschenen haar vennoten de heer [A] en mevrouw [B] , bijgestaan door mr. W. Sallé. [gedaagde] is verschenen, vergezeld van zijn echtgenote, bijgestaan door mr. J.R. Bügel.
De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat is besproken.
1.3. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vonnis wordt gewezen.

2 De kern van de zaak

2.1. [gedaagde] exploiteert een zwembad onder de naam [handelsnaam] . Nadat schade is ontstaan door een brand in 2018 heeft [eiser] (herstel)werkzaamheden verricht aan de zwembaden. Hiervan staat volgens [eiser] nog een factuur van € 12.126,62 open. [eiser] vordert daarom betaling van deze factuur met nevenvorderingen. Het beroep van [gedaagde] op verrekening faalt. De vorderingen zullen daarom grotendeels worden toegewezen.

3 De beoordeling

Hoofdsom is toewijsbaar, zonder verrekening
3.1. Tussen partijen staat de factuur van 23 februari 2020 van € 12.126,62 op zichzelf niet ter discussie. [gedaagde] stelt zich echter op het standpunt dat [eiser] de werkzaamheden niet naar behoren heeft uitgevoerd en dat hij hierdoor schade heeft geleden. Volgens [gedaagde] is de factuur voldaan door verrekening van het factuurbedrag met vergoeding van deze schade.
3.2. Het beroep van [gedaagde] op verrekening slaagt niet. De (omvang van de) gestelde vordering uit hoofde van schadevergoeding heeft [gedaagde] onvoldoende onderbouwd. De gegrondheid van dit verweer is daarom niet op eenvoudige wijze vast te stellen zoals is vereist bij verrekening als verweer (artikel 6:136 van het Burgerlijk Wetboek, hierna: BW). Weliswaar stelt [gedaagde] dat het buitenbad te kampen heeft (gehad) met meerdere gebreken die niet zijn opgelost, maar dit heeft hij eveneens onvoldoende onderbouwd met (bewijs)stukken. Sterker nog, [gedaagde] schrijft zelf in zijn productie 10 (laatste pagina) dat hij de problemen uiteindelijk zelf heeft opgelost met zijn zoon. Op de mondelinge behandeling heeft [gedaagde] dit ook desgevraagd erkend.
3.3. Verder kan op basis van de door [gedaagde] overgelegde stukken onvoldoende worden vastgesteld dat [eiser] toerekenbaar is tekortgeschoten in zijn verplichtingen.
Maar ook als (veronderstellenderwijs) ervan moet worden uitgegaan dat sprake is van gebreken waarvoor [eiser] verantwoordelijk is, dan had [gedaagde] (1) [eiser] met een schriftelijke aanmaning in gebreke moeten stellen en (2) hem een redelijke termijn moeten geven om de gebreken te herstellen. Als [eiser] – ondanks dat zij daartoe in de gelegenheid is gesteld – alsnog haar verplichtingen niet zou zijn nagekomen, dan verkeert zij in verzuim. Hoewel deze gang van zaken wettelijk is voorgeschreven is dit niet gebeurd. [gedaagde] heeft op de mondelinge behandeling ook erkend dat hij [eiser] niet in gebreke heeft gesteld. Verder is niet gesteld of gebleken dat [eiser] om andere redenen in verzuim is komen te verkeren. Dat partijen onderling een goede band hadden en informeel met elkaar omgingen maakt het voorgaande niet anders. Bovendien dateert de factuur al van 23 februari 2020 en heeft [gedaagde] destijds niet over eventuele gebreken geklaagd. Integendeel, [gedaagde] mailt op 1 februari 2024 dat het wel zijn bedoeling is om de factuur te betalen en op 22 maart 2024 dat het hem nog niet lukt om dit bedrag per omgaande te voldoen.[1]
3.4. De conclusie is dat [gedaagde] gehouden is om de factuur te betalen. De gevorderde hoofdsom zal daarom worden toegewezen.
Rente en incassokosten zijn ook toewijsbaar
3.5. De primair gevorderde wettelijke handelsrente over het factuurbedrag is niet toewijsbaar vanaf 8 maart 2020. Er is namelijk niet gesteld of gebleken dat partijen een uiterste dag van betaling zijn overeengekomen. Subsidiair meent [eiser] dat de rente kan worden toegewezen vanaf 26 maart 2024.[2] Die vordering is wel toewijsbaar op grond van artikel 6:119a lid 2 BW.
3.6. Verder vordert [eiser] € 896,27 aan buitengerechtelijke incassokosten. Deze vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde vergoeding komt overeen met het tarief dat volgens het Besluit past bij de toewijsbare hoofdsom. De incassokosten zijn daarom toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf de datum van dagvaarding.
Geen verklaring voor recht
3.7. Tot slot vordert [eiser] een verklaring voor recht dat het [gedaagde] niet is toegestaan om, in het kader van zijn betalingsverplichtingen uit hoofde van dit vonnis, een beroep te doen op verrekening ex artikel 6:127 e.v. BW wegens een vordering die hij meent te hebben op [eiser] en/of haar vennoten.
3.8. Deze (te) algemeen geformuleerde verklaring voor recht is niet toewijsbaar. [gedaagde] kan bevoegd zijn om tot verrekening van een bepaalde vordering over te gaan als hij een (afdwingbare) vordering heeft die voldoet aan de wettelijke vereisten voor verrekening. Die wettelijke bevoegdheid kan niet bij voorbaat op deze manier worden uitgesloten.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
3.9. [gedaagde] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op:

4 De beslissing

De kantonrechter
4.1. veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen:
4.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] , tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.555,42, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
4.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
4.4. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.S. Koppert en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.
4578
Zie producties 5 en 6 bij dagvaarding.
Punt 26 van de dagvaarding. - - - ## Voetnoten
Zie producties 5 en 6 bij dagvaarding.
Punt 26 van de dagvaarding.