Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:441 - Rechtbank Midden-Nederland - 28 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:44128 januari 2026

Uitspraak inhoud

vonnis
Civiel recht
handelskamer
locatie Lelystad
zaaknummer / rolnummer: C/16/601311 / HL ZA 25-275
Vonnis in incident van 28 januari 2026
in de zaak van
[eiseres] , mhodn [Handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
verweerster in reconventie in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. W.F. Wienen te [woonplaats] ,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiser in reconventie in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. P.P. Klokkers te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2 De overwegingen

In het incident
2.1. [gedaagde] heeft aangevoerd dat uit de dagvaarding blijkt dat de hoofdzaak gaat om een vordering van minder dan € 25.000,00. Nu in artikel 93 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bepaald dat de kantonrechter bevoegd is in zaken, waarin vorderingen van minder dan € 25.000,00 zijn ingesteld, dient de rechtbank zich onbevoegd te verklaren, met een veroordeling van [eiseres] in de kosten van het incident.
2.2. [eiseres] heeft aangevoerd dat in de hoofdzaak aan de orde is de verschuldigdheid van een contractuele boete van € 50,00 per dag. Volgens [eiseres] is de tussen partijen gesloten overeenkomst verlengd tot en met 1 september 2027. De totale vordering kan derhalve oplopen tot € 41.150,00. [eiseres] heeft daarom geconcludeerd tot afwijzing van de vordering in het incident.
2.3. De rechtbank oordeelt als volgt.
2.4. Op grond van het bepaalde in artikel 93 sub a Rv behandelt en beslist de kantonrechter in zaken betreffende vorderingen van minder dan € 25.000,00. [gedaagde] heeft weliswaar terecht aangevoerd dat bij dagvaarding concreet de betaling van een bedrag van € 5.800,00 is gevorderd, maar daarbij wordt voorbij gegaan aan het gegeven dat er ook een bedrag gevorderd wordt van € 50,00 per dag, aan contractuele boete. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiseres] daarom terecht gesteld dat de vordering mogelijk de competentiegrens zal overschrijden. Nu er sprake is van een oplopende vordering, terwijl op dit moment nog niet is vast te stellen tot welk bedrag de vordering zal oplopen, kan niet worden uitgegaan van een vordering van minder dan € 25.000,00.
2.5. Gelet op het voorgaande is de rechtbank bevoegd om de zaak te behandelen en hierop te beslissen. De vordering in het incident zal daarom worden afgewezen.
2.6. Als de in het ongelijk gestelde partij, zal [gedaagde] veroordeeld worden in de proceskosten in het incident, aan de zijde van [eiseres] tot zover begroot op € 521,00 aan salaris advocaat.
In de hoofdzaak
2.7. De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
2.8. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor opgave van verhinderdagen.
2.9. De advocaten zullen gelijktijdig met de uitnodiging voor de zitting nadere informatie omtrent de gang van zaken bij de mondelinge behandeling ontvangen.

3 De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1. wijst de vordering in het incident af,
3.2. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 521,00,
3.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
3.4. beveelt een mondelinge behandeling en de verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten voor het geven van inlichtingen en om te bespreken of een minnelijke regeling kan worden bereikt, bij een nader te bepalen rechter in beginsel op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
3.5. bepaalt dat partijen dan in persoon aanwezig moet zijn,
3.6. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 11 maart 2026 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de zes maanden vanaf de opgave, bij welke opgave zij ten minste 24 dagdelen vrij dienen te laten waarop de mondelinge behandeling zou kunnen plaatsvinden,
3.7. bepaalt dat vervolgens de rechter dag en uur van de mondelinge behandeling zal vaststellen,
3.8. bepaalt dat als door partijen geen verhinderdagen worden opgegeven, de rechtbank dag en uur van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
3.9. bepaalt dat na vaststelling van dag en uur van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
3.10. wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling 2 uur zal worden uitgetrokken,
3.11. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier op 28 januari 2026.[1]
4510 - - - ## Voetnoten
4510