Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:437 - Rechtbank Midden-Nederland - 20 januari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:43720 januari 2026

Uitspraak inhoud

RECHTBANK
  **MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: 11794227 \ LC EXPL 25-1516
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 20 januari 2026
in de zaak van
de besloten vennootschap
[eiser] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: AGIN Pranger Gerechtsdeurwaarders Juristen Incassospecialisten,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V..
De zaak wordt behandeld door mr. drs. B.G.W.P. Heijne, kantonrechter, bijgestaan door
mr. K.F. van Dam als griffier.
Aanwezig zijn: - I. [eigenaar] (bestuurder/eigenaar) namens [eiser] , bijgestaan door mr. I. van Welij (Achmea); - [gedaagde] , bijgestaan door mr. J.H.M. Döbber (DAS) en haar partner [A] .

1 Het procesverloop

1.1. De kantonrechter heeft de volgende stukken ontvangen en gelezen: - de dagvaarding met producties; - de conclusie van antwoord in conventie, ook conclusie van eis in reconventie; - de conclusie van antwoord in reconventie.
1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 januari 2026. Partijen hebben op de zitting hun standpunten toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.

2 De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
2.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 7.973,90 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 november 2024 tot de volledige betaling;
2.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 773,70 aan buitengerechtelijke incassokosten;
2.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.476,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen;
2.4. veroordeelt [gedaagde] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
in reconventie
2.5. wijst de vorderingen af;
2.6. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 339,00;
in conventie en reconventie
2.7. verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

3 De beoordeling

3.1. De kantonrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
[gedaagde] moet de factuur betalen
3.2. Partijen hebben met elkaar afgesproken dat [eiser] een thuisbatterij zou leveren en installeren en [gedaagde] daarvoor € 7.973,90 zou betalen. [eiser] heeft de thuisbatterij geleverd en geïnstalleerd. De kantonrechter gaat ervan uit dat [eiser] de installatie van de thuisbatterij deugdelijk heeft gedaan en de thuisbatterij naar behoren werkt. [gedaagde] heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat de installatie ondeugdelijk is.
3.3. [eiser] heeft de thuisbatterij op 8 en 9 oktober 2024 geïnstalleerd. [gedaagde] heeft op
8 oktober 2024, 9 oktober 2024, 30 oktober 2024 en 31 oktober 2024 bij [eiser] geklaagd over die installatie. [eiser] heeft op 10 december 2024 een servicebezoek gebracht aan de woning van [gedaagde] en vastgelegd dat de thuisbatterij op dat moment goed functioneerde. [gedaagde] heeft een dag later opnieuw geklaagd over de installatie van de thuisbatterij, omdat die niet goed zou werken. [eiser] trekt dat in twijfel. Het is dan aan [gedaagde] om te onderbouwen dat de thuisbatterij niet deugdelijk is geïnstalleerd. Dit heeft [gedaagde] niet, althans onvoldoende, gedaan.
Sinds de mededeling van [eiser] meer dan een jaar geleden dat de thuisbatterij goed werkt, heeft [gedaagde] de tijd gehad om aan te tonen dat de installatie ondeugdelijk is. [gedaagde] heeft op enig moment [deskundige] benaderd voor een deskundigenonderzoek, maar [gedaagde] heeft dat onderzoek door de hoge kosten (nog) niet laten uitvoeren. Ook andere mogelijkheden om aan te geven dat er met de thuisbatterij iets niet in orde is, heeft [gedaagde] niet benut. [gedaagde] laat niet zien waarom dit nog niet is gebeurd. Zij had bijvoorbeeld haar correspondentie met [deskundige] kunnen laten zien. [deskundige] heeft op 16 juli 2025 een e-mail aan de gemachtigde van [gedaagde] gestuurd waarin zij vraagt om het haar te laten weten als een deskundigenonderzoek in september of oktober nog gewenst is. Het is niet inzichtelijk of en hoe daar door of namens [gedaagde] op is gereageerd. Daardoor blijft onduidelijk waarom een deskundigenonderzoek niet al heeft kunnen plaatsvinden en is het ook onaannemelijk dat dat onderzoek nog niet uitgevoerd kon worden. [gedaagde] heeft voldoende tijd gehad om een deskundigenonderzoek te laten uitvoeren, maar zij heeft die tijd niet benut. De kantonrechter heeft daardoor geen informatie waaruit kan worden opgemaakt dat de installatie ondeugdelijk zou kunnen zijn. De kantonrechter heeft daarom geen aanleiding om aan te nemen dat de installatie ondeugdelijk is.
De vordering van [gedaagde] tot het geven van een verklaring voor recht dat zij gerechtigd is tot opschorting van haar betalingsverplichting totdat [eiser] de installatie deugdelijk heeft hersteld en haar vordering om [eiser] te veroordelen tot herstel van de installatie van de thuisbatterij, worden daarom afgewezen. Het logische gevolg daarvan is dat [gedaagde] de factuur van [eiser] van € 7.973,90 moet betalen. [gedaagde] heeft een bewijsaanbod gedaan om alsnog te kunnen vaststellen dat de installatie ondeugdelijk is, maar de kantonrechter gaat aan dat aanbod voorbij, omdat [gedaagde] nog geen begin van bewijs heeft ingebracht dat er iets niet goed zou zijn aan de installatie.
Wettelijke rente
3.4. [eiser] heeft [gedaagde] verzocht de factuur van 9 oktober 2024 voor 12 oktober 2024 te betalen. Zij vordert daarom de wettelijke rente over het te betalen bedrag vanaf
12 oktober 2024. Dat partijen een betalingstermijn van twee dagen hebben afgesproken blijkt nergens uit. De kantonrechter gaat daarom uit van een betalingstermijn van dertig dagen, welke termijn bij een consument gebruikelijk is. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 9 november 2024.
Buitengerechtelijke incassokosten
3.5. [eiser] vraagt een vergoeding van € 773,70 aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag is volgens het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten het wettelijk en redelijk geachte tarief over de toegewezen hoofdsom. De kantonrechter wijst deze vordering dan ook toe.
Proceskosten
3.6. [gedaagde] is in het ongelijk gesteld en zij moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiser] betalen. De proceskosten aan de kant van [eiser] worden in conventie begroot op € 1.476,78. Dat bedrag bestaat uit € 120,78 aan kosten voor de dagvaarding,
€ 543,00 aan griffierecht, € 678,00 aan salarisgemachtigde (2 punten x tarief € 339,00) en
€ 135,00 aan nakosten, vermeerderd met de eventuele kosten van betekening, zoals vermeld in de beslissing.
De proceskosten van [eiser] worden in reconventie begroot op € 339,00 (1 punt x tarief
€ 339,00.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.