Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:427 - Rechtbank Midden-Nederland - 23 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:427•23 januari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK
**MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11976044 \ MV EXPL 25-190
Vonnis in kort geding van 23 januari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[eiseres],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. R. Fielmich,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
niet verschenen.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
1.2. Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag (bij vervroeging) vonnis wordt gewezen.
2 De kern van de zaak
2.1. [eiseres] stelt dat partijen een overeenkomst tot afgifte in erfpacht zijn overeengekomen. Volgens [eiseres] is [gedaagde] tekortgeschoten in een aantal verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst en de toepasselijke algemene bepalingen.
2.2. [eiseres] vordert veroordeling van [gedaagde] (kort gezegd) tot het verstrekken van zijn inkomensgegevens en het afnemen van een tranche als hij daartoe verplicht is conform de erfpachtovereenkomst. Verder vordert [eiseres] betaling van een boete van € 1.250,00 (wegens het niet overleggen van zijn inkomensgegevens), een administratievergoeding van € 362,75 (inclusief btw), aanmaningskosten van € 12,50 en een renteschuld van € 47,16, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3 De beoordeling
Geen spoedeisend belang
3.1. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is een spoedeisend belang vereist. Hiervan is sprake als de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht en het gerechtvaardigd is om in kort geding daarop vooruit te lopen door de ontruimingsvordering, bij wijze van voorlopige voorziening, toe te wijzen.
3.2. De belangen van [eiseres] zijn echter financieel van aard, zo blijkt ook uit de toelichting ter zitting. [eiseres] heeft onvoldoende aangetoond dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht en dat het gerechtvaardigd is om in kort geding daarop vooruit te lopen door de vorderingen, bij wijze van voorlopige voorziening, toe te wijzen.
3.3. Bovendien gelden voor de toewijzing van geldelijke vorderingen in kort geding verzwaarde eisen en is terughoudendheid op zijn plaats. Bij de beoordeling speelt een rol of de vordering voldoende aannemelijk is, of een onmiddellijke voorziening vereist is en of er een restitutierisico is. [eiseres] heeft echter onvoldoende gemotiveerd gesteld dat sprake is van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist.
3.4. Vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang en omdat niet wordt voldaan aan de vereisten voor het toewijzen van geldelijke vorderingen in kort geding, moeten de vorderingen van [eiseres] – in het kader van deze kortgedingprocedure – worden afgewezen.
Aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak komt de kantonrechter dan ook niet toe.
Proceskosten
3.5. [eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op nihil.
4 De beslissing
De kantonrechter, rechtdoende in kort geding
4.1. wijst de vorderingen van [eiseres] af;
4.2. veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde] tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026.
4578