Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:422 - Rechtbank Midden-Nederland - 15 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:422•15 januari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK
**MIDDEN-NEDERLAND**
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 11944333 \ UE VERZ 25-330
Beschikking van 15 januari 2026
in de zaak van
STICHTING KWALITEITSREGISTER JEUGD,
statutair gevestigd en kantoorhoudend te Utrecht,
verzoekende partij,
hierna te noemen: SKJ,
gemachtigde: mr. R. Winters,
tegen
[verweerster],
wonende te [woonplaats] in Costa Rica,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerster] ,
gemachtigde: mr. M. Tas.
1 De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: - het verzoekschrift met 12 producties - het verweerschrift met 7 producties en een voorwaardelijk tegenverzoek - de pleitnota van de gemachtigde van SKJ - de pleitnota van de gemachtigde van [verweerster] - de mondelinge behandeling van 4 december 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2. De mondelinge behandeling heeft in hybride vorm plaatsgevonden op
4 december 2025. In de zittingszaal was namens SKJ aanwezig [A] , [functie 1] , bijgestaan door mr. Winters, de gemachtigde. [verweerster] nam deel aan de zitting door middel van een geluidsverbinding. Namens [verweerster] was in de zittingszaal aanwezig mr. Tas, haar gemachtigde. Na afloop van de zitting is beschikking bepaald op uiterlijk vandaag.
2 De kern van de zaak
2.1. In deze zaak verzoekt SKJ om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerster] omdat [verweerster] is verhuisd naar Costa Rica, zonder daarvoor toestemming te vragen. De kantonrechter wijst het verzoek af omdat er geen redelijke grond is voor ontbinding.
3. De achtergrond van de zaak
3.1. [verweerster] is 57 jaar en sinds 6 juli 2015 in dienst bij SKJ.
3.2. [verweerster] heeft tot en met 31 december 2018 gewerkt als [functie 1] voor 32 uur per week.
3.3. Vanwege de verhuizing van [verweerster] naar Bonaire is haar functie per 1 januari 2019 gewijzigd in de functie van [functie 2] voor 16 uur per week. Deze wijziging is vastgelegd in een appendix bij de schriftelijke arbeidsovereenkomst. [verweerster] heeft sindsdien vanuit Bonaire gewerkt. De arbeidsomvang is daarna meerdere keren gewijzigd, laatstelijk in januari 2024 naar 25 uur per week voor een loon van € 2.367,21 bruto per maand. [verweerster] had tot 31 maart 2025 een vrijstellingsverklaring van de Belastingdienst vanwege haar verblijf op Bonaire.
3.4. SKJ heeft als taak om de kwaliteit van de beroepsuitoefening in de jeugdzorg te borgen. Bij SKJ werken ongeveer 60 medewerkers.
3.5. [verweerster] heeft in 2024 meerdere keren contact gehad met haar [functie 3] en toenmalige leidinggevende, [B] , en met de [functie 4] , [C] , onder meer over het werken tijdens haar vakantie in Costa Rica en over haar plannen om naar Costa Rica te verhuizen. Op 25 maart 2025 heeft [verweerster] [C] per email meegedeeld dat zij nog bezig is met de situatie rond de loonbelasting. Daarbij heeft [verweerster] haar verblijfadres op Costa Rica vanaf 15 mei 2025 doorgegeven. SKJ heeft daarna van [verweerster] een verhuisbericht ontvangen dat zij per 1 april 2025 is verhuisd naar Costa Rica.
3.6. Op 1 juni 2025 is [A] bij SKJ aangetreden als [functie 1] . [A] is sindsdien de leidinggevende van [verweerster] .
3.7. Op 5 augustus 2025 heeft digitaal een kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen [A] en [verweerster] , in aanwezigheid van een [..] - medewerker. Uit het verslag van dit gesprek blijkt dat is gesproken over het woonadres, de loonafdrachten en over de wens van SKJ om de arbeidsovereenkomst te beëindigen. Volgens SKJ is er door een koerswijziging van de organisatie een noodzaak tot binding met de organisatie, wat door de afstand en het tijdsverschil vanuit Costa Rica onvoldoende is te realiseren.
3.8. [verweerster] heeft in een email van 18 augustus 2025, in reactie op het toegezonden gespreksverslag van SKJ, onder meer gemeld dat het tijdsverschil eerder geen probleem is geweest, maar dat zij het traject bij SKJ graag in goede verstandhouding wil afronden.
3.9. SKJ heeft [verweerster] bij brief van 25 augustus 2025 verzocht te laten weten of zij bereid is terug te keren naar Nederland, in het bijzonder naar de overeengekomen standplaats.
SKJ heeft daarbij aangekondigd dat indien [verweerster] dat niet wenst, zij een beëindigingsvoorstel zal doen.
3.10. Daarna hebben de gemachtigden van partijen schriftelijk overleg gevoerd, wat niet tot een oplossing heeft geleid.
3.11. SKJ verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerster] te ontbinden vanwege feiten en omstandigheden die maken dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren, op grond van artikel 7:669 lid 3 sub h Burgerlijk Wetboek (BW). SKJ voert hiervoor als omstandigheden aan dat [verweerster] zonder overleg en toestemming te vragen naar Costa Rica is verhuisd. De verhuizing heeft fiscale, juridische en praktische gevolgen voor SKJ en negatieve gevolgen voor de verbinding met collega's en met SKJ. [verweerster] verweert zich tegen het ontbindingsverzoek en wil dat het ontbindingsverzoek wordt afgewezen. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerster] om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
4 De beoordeling
De Nederlandse rechter is bevoegd
4.1. De kantonrechter stelt vast dat in deze zaak internationale aspecten spelen omdat [verweerster] niet in Nederland woont. De kantonrechter is van oordeel dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 26 van de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I-bis verordening) bevoegd is van het onderhavige geschil kennis te nemen.
SKJ heeft het verzoekschrift bij de Nederlandse rechter ingediend en [verweerster] heeft de exceptie van onbevoegdheid niet opgeworpen, zodat sprake is van een stilzwijgende forumkeuze.
Het Nederlandse recht is van toepassing
4.2. Partijen hebben zich niet uitgelaten over het toepasselijke recht. De kantonrechter begrijpt daaruit, en uit de op het Nederlandse recht gebaseerde stellingen van partijen, dat partijen voor de toepasselijkheid van het Nederlandse recht hebben gekozen.
4.3. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.
De toetsingsmaatstaf
4.4. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.[1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.[2]
4.5. SKJ baseert haar ontbindingsverzoek op de h-grond. Deze ontslaggrond geldt als een zogenoemde "vangnetbepaling" voor omstandigheden die niet vallen onder de andere ontslaggronden, maar wel van dien aard zijn dat van de werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
4.6. De kantonrechter oordeelt dat er geen redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
[verweerster] heeft de verhuizing naar Costa Rica besproken met haar leidinggevende
4.7. Vaststaat dat [verweerster] in januari 2024 aan haar toenmalige leidinggevende [B] heeft laten weten dat zij wil onderzoeken of zij in Costa Rica kan wonen. Eind augustus 2024 heeft [verweerster] zowel aan [B] als aan [functie 4] [C] bericht dat zij nog geen besluit heeft genomen of zij naar Costa Rica gaat verhuizen. In november 2024 heeft [verweerster] [C] een filmpje gestuurd van haar nieuwe huis op Costa Rica. De stelling van SKJ dat [verweerster] zonder overleg naar Costa Rica is verhuisd, volgt de kantonrechter niet. Uit de berichten met de leidinggevende en de [functie 4] blijkt dat zij al in 2024 op de hoogte waren van de plannen van [verweerster] om te verhuizen naar Costa Rica. De toenmalige leidinggevende en de [functie 4] hebben daar toen geen bezwaar gemaakt. [verweerster] heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij zeer waarschijnlijk niet naar Costa Rica zou zijn verhuisd, als zij had geweten dat SKJ daartegen bezwaar had. De omstandigheid dat de leidinggevende en de [functie 4] deze verhuisplannen vervolgens niet met de [functie 5] van SKJ hebben besproken, is niet iets waarop [verweerster] invloed heeft, zodat dit voor risico van SKJ behoort te komen.
4.8. SKJ stelt dat [verweerster] had moeten weten dat zij voor de verhuizing naar Costa Rica niet kon volstaan met goedkeuring van haar leidinggevende of van personeelszaken, maar dat zij toestemming nodig had van de [functie 5] van SKJ. De kantonrechter volgt dit niet. Omdat de toenmalige leidinggevende en de [functie 4] op de hoogte waren van de verhuisplannen, mocht [verweerster] ervan uitgaan dat haar leidinggevende haar erop zou wijzen dat zij voor een verhuizing naar Costa Rica toestemming aan de [functie 5] moet vragen. De omstandigheid dat de leidinggevende dit niet heeft gedaan, behoort ook tot het risico van SKJ. Voor zover SKJ stelt dat [verweerster] opzettelijk de verhuizing buiten de [functie 5] om heeft geregeld, overweegt de kantonrechter dat [verweerster] dit in het verweerschrift gemotiveerd heeft betwist omdat zij de urenuitbreiding in januari 2024 ook met haar leidinggevende had afgestemd. Bovendien is deze stelling een verwijt aan [verweerster] dat valt onder een andere grond, de e-grond, die niet aan het verzoek ten grondslag is gelegd.
Het is niet duidelijk of de verhuizing naar Costa Rica extra nadelige gevolgen heeft
4.9. SKJ stelt dat de verhuizing naar Costa Rica onder meer tot fiscale problemen leidt. Volgens het advies van haar belastingadviseur, [D] van 16 september 2025[3] , kan de verhuizing van [verweerster] naar Costa Rica leiden tot een extra belastingplicht voor SKJ. Uit dit advies blijkt ook dat [verweerster] vanaf april 2025 weer volledig volgens de Nederlandse wet - en regelgeving wordt verloond. In het advies van de fiscaal adviseur wordt ervan uitgegaan dat [verweerster] in Costa Rica woont en geconcludeerd en dat er voor SKJ daardoor mogelijk verplichtingen zijn op het gebied van de loonbelasting, de volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen en de zorgverzekeringswet, die desgewenst nog onderzocht kunnen worden. Tijdens de zitting heeft SKJ bevestigd dat zij nog steeds de loonheffing inhoudt. [verweerster] heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij in Nederland belasting betaalt en dat zij niet is ingeschreven in Costa Rica waardoor zij in Costa Rica geen werkvergunning nodig heeft. Omdat [verweerster] daar niet is ingeschreven moet zij Costa Rica elke zes maanden verlaten en gaat zij dan weer terug naar Nederland. De kantonrechter is van oordeel dat niet duidelijk is welke fiscale - en premierisico's SKJ loopt door de verhuizing van [verweerster] naar Costa Rica. SKJ houdt voor [verweerster] sinds april 2025 weer loonheffing in. De belastingadviseur concludeert in zijn advies dat SKJ in Nederland geen verplichting op het gebied van de loonbelasting heeft, maar daarbij is hij ervan uitgegaan dat [verweerster] in Costa Rica woont, wat formeel nog niet het geval is. De belastingadviseur geeft zelf aan dat eventuele verplichtingen op het gebied van de premieafdracht voor de volks-, werknemers, en zorgverzekeringen, in een ander land, nog uitgezocht kunnen worden. Weliswaar heeft [verweerster] SKJ in augustus 2025 eerst aangegeven te willen meewerken aan een beëindiging van haar dienstverband, in september 2025 is [verweerster] daarop teruggekomen. Op dat moment was voor SKJ duidelijk dat het dienstverband niet in overleg zou eindigen. Het had toen op de weg van SKJ gelegen verder onderzoek te doen en met [verweerster] in gesprek te gaan over de fiscale - en premiegevolgen van de verhuizing naar Costa Rica zonder daar ingeschreven te staan, en hoe eventuele nadelige gevolgen of risico's op dit gebied opgelost kunnen worden.
4.10. SKJ heeft ook gewezen op het extra tijdsverschil van twee uur met Costa Rica ten opzichte van het tijdsverschil met Bonaire. [verweerster] heeft tijdens de zitting uitgelegd dat zij vanuit Bonaire ook een tijdsverschil had, wat zij oploste door vanuit Bonaire de werkdag
's ochtends vroeg te starten, waardoor zij naar Nederlandse tijd 's middags werkte. SKJ heeft niet toegelicht waardoor het extra tijdsverschil van twee uur tot gevolg heeft dat [verweerster] haar werk niet meer goed op afstand kan verrichten. De kantonrechter is daarom van oordeel dat het extra tijdsverschil niet tot nadelige gevolgen voor SKJ hoeft te leiden.
4.11. SKJ stelt verder dat het werken op Costa Rica leidt tot toepasselijkheid van het lokale arbeidsrecht. SKJ verwijst daarvoor naar het eerder genoemde advies van haar belastingadviseur. De kantonrechter volgt dit niet. Zoals hiervoor al is overwogen is op deze procedure het Nederlandse recht van toepassing. Zoals [verweerster] in het verweerschrift heeft opgemerkt staat in het advies van de belastingadviseur niet dat op de arbeidsovereenkomst het recht van Costa Rica van toepassing is. Bovendien is in de arbeidsovereenkomst (artikel 17) een rechtskeuze gedaan voor het Nederlandse arbeidsrecht, wat erop wijst dat ook op toekomstige geschillen het Nederlandse recht van toepassing is.
4.12. SKJ heeft ook gesteld dat het onduidelijk is in hoeverre vanuit Costa Rica een veilige toegang tot haar bedrijfsdata mogelijk is. De kantonrechter ziet voor deze stelling, die niet is onderbouwd, geen concrete aanwijzingen. [verweerster] heeft tijdens de zitting toegelicht dat zij haar werk op Costa Rica verricht op haar (beveiligde) werklaptop. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen dat het werken vanuit Costa Rica kan leiden tot een minder goede databeveiliging.
De koerswijziging van SKJ staat niet in de weg aan de verhuizing naar Costa Rica
4.13. SKJ stelt verder dat haar organisatie sinds mei 2023, na het aantreden van de nieuwe [.] , [E] , bezig is met een verandering. Daarvoor worden veel fysieke bijeenkomsten en trainingen georganiseerd waar [verweerster] niet bij kan zijn. Dat heeft volgens SKJ negatieve gevolgen voor de verbinding van [verweerster] met haar collega's en haar organisatie. Tijdens de zitting heeft SKJ toegelicht dat zij na het aantreden van [E] begin 2024 nieuw beleid heeft ingevoerd, met instemming van de OR, op grond waarvan haar werknemers minimaal twee dagen per week op kantoor moeten werken. [verweerster] heeft hiertegen aangevoerd dat in haar functioneringsverslagen niet is terug te vinden dat het werken op afstand eerder tot problemen heeft geleid. Tijdens de zitting heeft [verweerster] toegelicht dat zij volgens de OR niet onder het gewijzigde thuiswerkbeleid zou vallen.
4.14. Niet is gesteld of gebleken dat SKJ bij haar besluit tot wijziging van het thuiswerkbeleid de situatie van [verweerster] heeft betrokken. Uit de door [verweerster] overgelegde evaluatieverslagen, waaronder het verslag van begin januari 2024, blijkt niet dat het werken op afstand door SKJ als een probleem werd gezien. Daarna heeft eind januari 2024 nog een uitbreiding van de arbeidsomvang plaatsgevonden. Uit het reflectieverslag eindejaargesprek 2024 van 17 december 2024[4] blijkt alleen dat toen met [verweerster] is afgesproken om aan te sluiten bij de team-overleggen, zodat zij wat meer verbonden is met SKJ, maar niet dat het werken op afstand niet meer wordt toegestaan. Ook blijkt niet dat SKJ na het invoeren van haar nieuwe thuiswerkbeleid, met [verweerster] heeft besproken dat zij niet langer op afstand zou mogen werken. Naar het oordeel van de kantonrechter kan niet worden vastgesteld dat de verhuizing van Bonaire naar Costa Rica leidt tot minder binding van [verweerster] met de collega's en de organisatie dan de binding die zij met hen had tijdens haar werk op Bonaire, waar zij met toestemming van SKJ jarenlang heeft gewerkt. De omstandigheid dat [verweerster] voor het werken op Bonaire expliciete toestemming had en voor het werken op Costa Rica niet, maakt dit naar het oordeel van de kantonrechter niet anders.
4.15. SKJ stelt dat zij door de afwezigheid van [verweerster] op bijeenkomsten en trainingen niet kan controleren of [verweerster] voldoet aan de kwaliteitseisen die voor al haar werknemers gelden. SKJ heeft daarbij niet toegelicht waarom deze controle niet meer mogelijk is als gevolg van de verhuizing van Bonaire naar Costa Rica. De kantonrechter volgt SKJ daarom al niet in deze stelling.
Conclusie
4.16. De kantonrechter heeft op basis van het verzoekschrift en de mondelinge behandeling de indruk dat de nieuwe [functie 5] en de nieuwe leidinggevende van [verweerster] na hun aantreden bij SKJ een situatie hebben aangetroffen waar ze niet blij mee waren. De kantonrechter begrijpt dat SKJ vervolgens haar organisatie wilde veranderen, ook naar aanleiding van signalen over fraude met certificaten van zorgverleners. De kantonrechter is echter van oordeel dat SKJ onvoldoende heeft onderzocht of en hoe het voor haar nog wel mogelijk is de arbeidsovereenkomst met [verweerster] vanuit Costa Rica voort te zetten. Daarom staat op dit moment onvoldoende vast dat sprake is van zodanige omstandigheden dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst niet van SKJ gevergd kan worden. De arbeidsovereenkomst zal daarom niet worden ontbonden.
De voorwaardelijke tegenverzoeken
4.17. Omdat het ontbindingsverzoek van SKJ wordt afgewezen is de voorwaarde waaronder [verweerster] de tegenverzoeken met betrekking tot de transitievergoeding en billijke vergoeding heeft gedaan, niet vervuld. De tegenverzoeken hoeven dan ook niet te worden behandeld en daarop hoeft niet te worden beslist.
Proceskosten
4.18. De proceskosten komen voor rekening van SKJ, omdat SKJ ongelijk krijgt.
De proceskosten aan de zijde van [verweerster] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter
5.1. wijst het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst af,
5.2. veroordeelt SKJ in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als SKJ niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3. verklaart deze beschikking wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad[5] .
Deze beschikking is gegeven door mr. I.L. Rijnbout en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.
40160
Artikel 7:669 lid 3 sub a tot en met i BW.
Artikel 7:669 lid 1 BW.
Productie 10: e-mail van 16 september 2025 aan SKJ.
Productie 2 bij het verweerschrift.
Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan. - - - ## Voetnoten