Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:367 - Rechtbank Midden-Nederland - 3 februari 2026

Uitspraak

ECLI:NL:RBMNE:2026:3673 februari 2026

Uitspraak inhoud

Familierecht
Locatie Almere
zaaknummer: C/16/592966 / FL RK 25-523
Wijzigen van de kinderalimentatie
Beschikking van 3 februari 2026
in de zaak van:
[de man],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. L.J.W. van Kesteren,
tegen
[de vrouw],
wonende in [woonplaats] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. A.C.M. Montessori.

1 De procedure

1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
1.2. De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 9 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
1.3. Tijdens de zitting heeft de advocaat van de man een pleitnota overgelegd en voorgedragen. De pleitnota is na afloop van de zitting toegevoegd aan het dossier.

2 Waar de procedure over gaat

2.1. De man en de vrouw hebben een geregistreerd partnerschap met elkaar gehad.
2.2. De man en de vrouw hebben samen een dochter: [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2017 in [geboorteplaats] .
2.3. Bij beschikking van [datum] 2020 van deze rechtbank is de ontbinding van het geregistreerd partnerschap van partijen uitgesproken. Verder is in die beschikking bepaald dat het tussen partijen gesloten convenant met ouderschapsplan deel uitmaakt van die beschikking.
2.4. In het ouderschapsplan van 17 juli 2020 is door partijen opgenomen dat de man elke maand een bedrag van € 355, - aan kinderalimentatie aan de vrouw zal betalen. Dit bedrag is vastgesteld door het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (hierna: LBIO).
Na de wettelijke indexering (jaarlijkse verhoging) bedraagt de kinderalimentatie in 2026
€ 455,80 per maand.
2.5. Op [datum] 2022 is de man een geregistreerd partnerschap aangegaan met [A] (hierna: [A] ). Samen hebben zij twee kinderen:
2.6. De man wil dat het bedrag aan kinderalimentatie voor [minderjarige 1] vanaf 14 november 2024 wordt gewijzigd naar € 33, - per maand. Volgens de man zijn de omstandigheden sindsdien gewijzigd, omdat hij samen met [A] twee dochters heeft gekregen. Naast [minderjarige 1] is hij nu ook onderhoudsplichtig voor [minderjarige 2] en [minderjarige 3] en dit is volgens de man van invloed op zijn draagkracht. Verder wil de man dat de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] vanaf 1 oktober 2025 op nihil wordt gesteld. Volgens de man zijn de omstandigheden sinds die datum opnieuw gewijzigd, omdat [A] vanaf 1 oktober 2025 in Estland is gaan werken en daar doordeweeks verblijft. Door deze wijziging is extra opvang voor de kinderen nodig, waardoor er (nog) minder draagkracht is voor de kinderalimentatie.
2.7. De vrouw is het niet eens met de verzoeken van de man. Zij vraagt de rechtbank om de verzoeken af te wijzen. De vrouw vindt dat er geen sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden waardoor de man de kinderalimentatie niet meer kan betalen.

3 De beoordeling

3.1. Het verzoek tot het wijzigen van de kinderalimentatie wordt afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van partijen, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro's.
De reden voor de wijziging
3.2. De rechtbank kan de kinderalimentatie opnieuw berekenen als de omstandigheden zijn gewijzigd.[1] In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden zijn gewijzigd, omdat de man nu onderhoudsplichtig is voor drie kinderen in plaats van één. Daarnaast verblijft [A] sinds 1 oktober 2025 doordeweeks in Estland voor haar werk, waardoor zij minder beschikbaar is voor de kinderen.
3.3. De rechtbank zal hierna beoordelen of er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden die een wijziging van de kinderalimentatie rechtvaardigt.
De ingangsdatum
3.4. Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment zij gaat berekenen hoeveel kinderalimentatie de man moet betalen.
3.5. Zoals hierna wordt overwogen heeft de vrouw een geringe draagkracht. Zij heeft de kinderalimentatie dan ook nodig om in de kosten van [minderjarige 1] te kunnen voorzien. De rechtbank vindt het niet redelijk dat de vrouw eventueel te veel ontvangen kinderalimentatie moet terugbetalen aan de man. Daarom berekent de rechtbank vanaf de datum van de beschikking hoeveel kinderalimentatie de man moet betalen.
Onderhoudsplichtigen
3.6. De vrouw is onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] en de man is onderhoudsplichtig voor [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . [A] is onderhoudsplichtig voor [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . De man en de vrouw zijn het niet eens over de vraag of [A] onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 1] . De vrouw vindt dat [A] wel onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 1] , omdat [minderjarige 1] (gelet op de co-ouderschapsregeling) de helft van de tijd in het gezin van [A] verblijft. Volgens de man is [A] niet onderhoudsplicht voor [minderjarige 1] , omdat [minderjarige 1] niet staat ingeschreven op het adres van de man en [A] . Daarnaast verblijft [A] sinds 1 oktober 2025 grotendeels in Estland voor haar werk, waardoor [minderjarige 1] sindsdien in ieder geval niet meer tot het gezin van [A] behoort.
3.7. De rechtbank neemt geen beslissing over de vraag of [A] onderhoudsplichtig is voor [minderjarige 1] . De rechtbank ziet namelijk, zoals hierna wordt overwogen, reden om de eventuele onderhoudsplicht van [A] buiten beschouwing te laten bij het berekenen van de hoogte van de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] .
3.8. Als iemand onderhoudsplichtig is voor meerdere kinderen, dan moet de rechtbank beoordelen wat diegene in totaal kan betalen voor zijn/haar kinderen en dat over al zijn/haar kinderen verdelen. De Hoge Raad heeft daarbij bepaald dat het beschikbare geld gelijk over de kinderen moet worden verdeeld, tenzij er bijzondere redenen zijn waarom dit anders verdeeld moet worden. Een reden voor zo'n andere verdeling kan zijn dat het ene kind meer kost dan het andere kind. Hoeveel een kind kost, hangt namelijk samen met hoeveel de ouders te besteden voordat zij uit elkaar gingen. Daarom onderzoekt de rechtbank eerst wat de kosten van elk kind zijn. Dat wordt ook wel de 'behoefte' van het kind genoemd.
De behoefte van [minderjarige 1]
3.9. De man en de vrouw zijn het eens over de behoefte van [minderjarige 1] . Haar behoefte is in 2020 door het LBIO berekend op € 569, - per maand. Geïndexeerd (door de inflatie) is dat in 2026 afgerond € 731, - per maand.
De behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2]
3.10. De rechtbank stelt de behoeftes van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in 2026 vast op een bedrag van € 848, - per kind per maand. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit bedrag is gekomen.
3.11. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI). Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij kunnen uitgeven aan hun kind. De rechtbank moet daarom eerst vaststellen wat de man en [A] te besteden hebben. Daarna kan de rechtbank berekenen welk gedeelte daarvan ongeveer aan de kinderen werd uitgegeven en wat dus de behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] is. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld.
3.12. De man en de vrouw zijn het niet eens over de behoeftes van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] . Volgens de man moet er bij het berekenen van de behoeftes afgeweken worden van de Nibudtabellen, omdat de opvangkosten voor de kinderen zo hoog zijn dat deze niet uit de tabelbedragen betaald kunnen worden. [minderjarige 3] en [minderjarige 2] gaan op dit moment twee dagen per week naar de kinderopvang en daarnaast is er dertig uur per week een au-pair aanwezig binnen het gezin. De man stelt dat de hoge opvangkosten niet te vermijden zijn, omdat [A] doordeweeks voor werk in het buitenland verblijft en hij zelf ook vier dagen per week werkzaam is. De kinderen staan momenteel op een wachtlijst voor extra kinderopvang, maar tot zij daarvoor in aanmerking komen is de au-pair volgens de man de enige oplossing. Ook stelt de man dat als de kinderen straks wel extra naar de kinderopvang kunnen gaan, de opvangkosten nog steeds niet uit de tabelbedragen betaald kunnen worden. De vrouw is het hier niet mee eens en vraagt de rechtbank om wel aan te sluiten bij de Nibudtabellen. Volgens de vrouw zijn de opvangkosten voor de kinderen, gelet op het netto besteedbaar gezinsinkomen van de man en [A] , niet uitzonderlijk hoog. Daarnaast vindt de vrouw dat de keuze van de man en [A] om werk in het buitenland te accepteren, geen negatieve invloed mag hebben op de bijdrage voor [minderjarige 1] . Volgens de vrouw is er geen aanleiding om af te wijken van de Nibudtabellen. Zij vraagt de rechtbank daarom om behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] in 2024 vast te stellen op een bedrag van € 735, - per kind per maand.
3.13. Uit de inkomensgegevens van de man en [A] blijkt dat hun netto besteedbaar gezinsinkomen zowel vóór als na 1 oktober 2025 meer bedraagt dan € 7.500, - per maand. Uit de Nibudtabellen volgt dat de behoefte bij een inkomen van € 7.500, - of meer is gemaximeerd. In 2026 geven ouders volgens de Nibudtabel, bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van meer dan € 7.500, - per maand, gemiddeld € 1.695, - per maand uit aan twee kinderen, dus per kind afgerond € 848, - per maand. De rechtbank ziet in dit geval geen redenen om af te wijken van de Nibudtabellen om de volgende redenen. Hoge oppaskosten of kosten voor kinderopvang kunnen worden gecompenseerd door lagere uitgaven aan andere kostenposten betreffende de kinderen. Het resterende gedeelte van de kosten voor de au-pair en de kinderopvang kunnen de man en [A] voldoen uit de 'vrije ruimte' die zij hebben. De vrije ruimte is 30% van het netto besteedbaar inkomen van de man en [A] en gelet op hun inkomens is dit een aanzienlijk bedrag. Tot slot geldt dat het gebruik maken van de au-pair en verdeling van diens beschikbaarheid, een keuze van de ouders is die bovendien het gevolg is van de beslissing van mevrouw [A] om in het buitenland te gaan werken. De au-pair voorziet niet alleen in kinderopvang tijdens kantooruren, maar is ook betrokken bij andere taken in het huishouden. Tijdens de zitting heeft de man verklaard dat de au-pair 30 uur per week beschikbaar is en gedeeltelijk wordt ingezet om te assisteren bij het klaar maken van de kinderen voor school in de ochtend en in de avond bij het naar bed brengen.
De draagkracht van de ouders
3.14. Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de 'draagkracht' van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kinderen voorzien.[2]
3.15. Voor het bepalen van de draagkracht van de ouders past de rechtbank de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld toe. Het netto besteedbaar inkomen van een ouder is daarbij het uitgangspunt. Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen.
3.16. Bij een netto besteedbaar inkomen tot € 2.200, - per maand in 2026 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde 'draagkrachttabel' waarin vaste bedragen aan draagkracht zijn vermeld. In die tabel wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. Deze twee posten vormen samen het 'draagkrachtloos inkomen'. Daarvan is, afhankelijk van de hoogte van het netto besteedbaar inkomen, 70% tot 100% beschikbaar voor kinderalimentatie.
3.17. Bij een netto besteedbaar inkomen vanaf € 2.200, - per maand in 2026 maakt de rechtbank daarvoor gebruik van de zogenoemde 'draagkrachtformule'. In die formule wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het netto besteedbaar inkomen per maand. De ouders worden geacht vanuit het woonbudget alle redelijke lasten voor een woning passend bij hun inkomen te kunnen voldoen. Daarnaast wordt rekening gehouden met een forfaitair (vaststaand) bedrag voor redelijke kosten van levensonderhoud, dat ieder jaar wordt bijgesteld. In 2026 is dat een bedrag van € 1.365, - per maand. Deze twee posten vormen samen het 'draagkrachtloos inkomen'. Na aftrek van die posten van het netto besteedbaar inkomen blijft dan de 'draagkrachtruimte' over. Daarvan is 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. De berekening van de draagkracht ziet er dan als volgt uit: 70% [NBI – (0,3 x NBI + 1.365).
De draagkracht van de vrouw
3.18. De draagkracht van de vrouw berekent de rechtbank op € 25, - per maand in 2026.[3] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.19. Voor het inkomen van de vrouw gaat de rechtbank uit van de betaalspecificaties van het UWV over september, oktober en november van 2025, waarop een bruto-inkomen van € 1.409, - staat vermeld. Verder wordt rekening gehouden met het kindgebonden budget. Het netto besteedbaar inkomen van de vrouw in 2026 is dan € 1.665, - per maand.
3.20. De vrouw ontvangt op dit moment een WIA-uitkering. Het is voor de rechtbank niet duidelijk voor hoeveel procent de vrouw arbeidsongeschikt is en of zij momenteel in staat is om naast haar uitkering (deels) te werken. De vrouw heeft tijdens de zitting verklaard dat zij na de zitting een beschikking van het UWV zou overleggen, maar heeft dit niet gedaan.
3.21. Ondanks dat de vrouw heeft nagelaten een beschikking van het UWV te overleggen, ziet de rechtbank op dit moment onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de vrouw naast haar WIA-uitkering andere inkomsten heeft of deze kan generen. Als de rechtbank zou uitgaan van extra inkomsten, verlaagt dat de kinderalimentatie. In het geval de vrouw die extra inkomsten feitelijk niet heeft of op korte termijn kan krijgen, is dit nadelig voor [minderjarige 1] . De vrouw kan dan namelijk niet volledig in de resterende kosten van [minderjarige 1] voorzien. Wel wil de rechtbank benadrukken dat als de vrouw in staat is om (deels) te werken zij zich hier ook voor moet inspannen gelet op haar onderhoudsplicht voor [minderjarige 1] .
3.22. Gelet op het hiervoor vermelde gaat de rechtbank uit van een netto besteedbaar inkomen van € 1.665, - per maand. Volgens de draagkrachttabel geldend in 2026 heeft de vrouw dan een draagkracht van € 25, - per maand.
De draagkracht van de man
3.23. De draagkracht van de man berekent de rechtbank op € 1.149, - per maand.[4] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.24. Voor het inkomen van de man gaat de rechtbank uit van zijn jaaropgaaf over 2024, waarop een belastbaar loon van € 68.915, - staat vermeld. De rechtbank gaat uit van de gegevens over 2024, omdat niet is gesteld of gebleken dat het inkomen van de man in 2026 substantieel afwijkt van zijn inkomen in 2024. Verder wordt er rekening gehouden met een inkomensafhankelijke combinatiekorting. Er wordt geen rekening gehouden met een kindgebonden budget. Gelet op de hoogte van het verzamelinkomen van de man en [A] kunnen zij hier namelijk geen aanspraak op maken. Het netto besteedbaar inkomen van de man is dan € 4.295, - per maand in 2026.
3.25. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft de man een draagkracht van (70% [4.295 – (0,3 x 4.295 + 1.365)]=) € 1.149, - per maand.
De draagkracht [A]
3.26. De draagkracht van [A] berekent de rechtbank op € 1.642, - per maand.[5] De rechtbank legt hierna uit hoe zij aan dat bedrag is gekomen.
3.27. Voor het inkomen van [A] gaat de rechtbank uit van haar salarisspecificaties van oktober en november 2025 bij de [bedrijf] , waarop een netto-inkomen van € 5.587, - per maand staat vermeld. Er wordt ook hier geen rekening gehouden met een kindgebondenbudget, omdat [A] en de man daar geen aanspraak op kunnen maken. Het netto besteedbaar inkomen van [A] in 2026 is dan € 5.300, - per maand.
3.28. Volgens de hiervoor vermelde draagkrachtformule geldend in 2026 heeft [A] een draagkracht van (70% [5.300 – (0,3 x 5.300+ 1.365)]=) €1.642, - per maand.
Het woonbudget
3.29. De man heeft de rechtbank verzocht om bij de berekening van de draagkracht af te wijken van het woonbudget. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget en zal hierna uitleggen waarom.
3.30. Het gezamenlijke woonbudget van de man en [A] bedraagt (€ 1.288, - + € 1.590,-) € 2.878, - per maand. Dit is een aanzienlijk bedrag dat de man en [A] kunnen uitgeven aan de woonlasten. De rechtbank vindt dat er verwacht mag worden dat zij hiervan alle woonkosten kunnen betalen en acht het daarom niet redelijk om af te wijken van het woonbudget.
De bijdrage voor [minderjarige 1]
3.31. Gelet op de hoge draagkracht van de man en [A] in vergelijking met de minimale draagkracht van de vrouw, zal de rechtbank in dit geval afwijken van de bestaande (door de man vermelde) rekenmethodes en hierna toelichten hoe de alimentatie voor [minderjarige 1] berekend is.
3.32. De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat de ouder bij wie een kind zijn of haar hoofdverblijf heeft de verblijfsoverstijgende kosten betaald. Verblijfsoverstijgende kosten zijn bijvoorbeeld de kosten voor school, sportcontributies en kleding. De rechtbank gaat er in dit geval vanuit dat de vrouw de verblijfsoverstijgende kosten voor [minderjarige 1] betaalt, omdat [minderjarige 1] staat ingeschreven op haar adres. Zoals onder 3.9. is vermeld is de behoefte van [minderjarige 1] in 2026 € 731, - per maand. Gelet de co-ouderschapsregeling die geldt tussen de ouders zijn de zorgkorsten voor [minderjarige 1] voor zowel de man als de vrouw afgerond (35% van € 731, - =) € 266, - per maand. Voor de verblijfsoverstgijgende kosten houdt de rechtbank standaard rekening met een percentage van 30%. De verblijfoverstijgende kosten voor de vrouw zijn dan afgerond (30% van € 731, - =) € 219, - per maand. In totaal heeft de vrouw dus per maand een bedrag van (266 + 219 =) € 485, - nodig om in de kosten van [minderjarige 1] te voorzien. Zoals onder rechtsoverweging 3.18. staat vermeld is de draagkracht van de vrouw € 25, - per maand. De vrouw komt dus (485 - 25=) € 460, - per maand te kort om in de kosten van [minderjarige 1] te voorzien.
3.33. De draagkracht van de man heeft de rechtbank vastgesteld op een bedrag van
€ 1.149, - per maand. Als de man het bovengenoemde te kort van € 460, - per maand aan de vrouw zou betalen, dan zou hij een bedrag van (1.149 - 460) € 689, - per maand over houden om in de kosten van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] te voorzien. De totale behoefte van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] is (848 + 848=) € 1.696, - per maand in 2026. [A] heeft voldoende draagkracht om de resterende kosten van [minderjarige 3] en [minderjarige 2] te betalen. Dit is namelijk een bedrag van (1.696 – 689 = ) € 1.007, - per maand, terwijl de draagkracht van [A] is vastgesteld op een bedrag van € 1.642, - per maand in 2026.
3.34. De rechtbank vindt het in deze situatie redelijk als de man maandelijks een bedrag van € 460, - aan de vrouw zou moeten betalen, omdat er op deze manier kan worden voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van alle drie de kinderen ( [minderjarige 1] , [minderjarige 3] en [minderjarige 2] ). Door deze berekening houdt [A] maandelijks een draagkracht van (1.642 – 1.007 = ) € 635, - over.
3.35. De rechtbank heeft bij voormelde berekening geen rekening gehouden met de onderhoudsplicht van [A] voor [minderjarige 1] . Als de rechtbank dit wel zou doen, zou dat betekenen dat de man een lagere bijdrage aan de vrouw moet betalen, terwijl de vrouw het aandeel van [A] in de kosten van [minderjarige 1] in deze procedure niet op haar kan verhalen. De rechtbank vindt dit niet redelijk en heeft daarom bij de berekening van de kinderalimentatie voor [minderjarige 1] geen rekening gehouden met de onderhoudsplicht van [A] .
3.36. Aangezien de hiervoor berekende kinderalimentatie van € 460, - per maand hoger is dan de nu geldende kinderalimentatie van € 455,80, wijst de rechtbank de verzoeken van de man tot wijziging van de kinderalimentatie af.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.37. De rechtbank verklaart de beslissing 'uitvoerbaar bij voorraad', zoals is verzocht.
Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De proceskosten
3.38. De rechtbank beslist dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.

4 De beslissing

De rechtbank:
4.1. wijst de verzoeken van de man af;
4.2. beslist dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. G. van de Beek, rechter, in samenwerking met mr. J.A. Beverwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. van Bloemendaal (rechter) op 3 februari 2026.
Bijlage 1: draagkracht van de vrouw
Bijlage 2: draagkracht van de man
Bijlage 3: draagkracht van [A]
Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bijlage 1: draagkracht van de vrouw.
Bijlage 2: draagkracht van de man.
Bijlage 3: draagkracht van [A] . - - - ## Voetnoten
Artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Artikel 1:397 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek.
Bijlage 1: draagkracht van de vrouw.
Bijlage 2: draagkracht van de man.
Bijlage 3: draagkracht van [A] .