Terug naar bibliotheek
Rechtbank Midden-Nederland
ECLI:NL:RBMNE:2026:366 - Rechtbank Midden-Nederland - 27 januari 2026
Uitspraak
ECLI:NL:RBMNE:2026:366•27 januari 2026
Uitspraak inhoud
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7011
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 januari 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoekster] (verzoekster 1),
[verzoeker 1] ,
[verzoeker 2] ,
[verzoeker 3] ,
[verzoeker 4] ,
[verzoeker 5] ,
[verzoeker 6] ,
[verzoeker 7] , allen uit [plaats] , verzoekers,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder
(gemachtigde: A. Braxhoven).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de gemeente Utrecht (de gemeente)
(gemachtigde: J.H.J. Abelen).
Inleiding
- In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen een kapvergunning.
1.1. Met het besluit van 17 december 2024 (het primaire besluit) heeft het college een omgevingsvergunning aan de gemeente Utrecht verleend voor het kappen van drie bomen en het herplanten van zes bomen op de locatie Weerdsingel Utrecht (kapvergunning). De reden voor de kap is de herinrichting van de Weerdsingel OZ. De gemeente wil op de locatie waar de drie bomen staan de bestaande rotonde verwijderen en daar een kruising realiseren. Dit besluit is op 30 december 2024 bekendgemaakt. Het gaat om de kap van twee bomen ter plaatse van de huidige rotonde bij de Noorderbrug en een cederboom die midden op de rotondetuin staat.
1.2. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen dit besluit. Dit bezwaar is in een besluit van 16 oktober 2025 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
1.3. Vervolgens hebben verzoekers op 13 november 2025 beroep ingesteld en op 3 december 2025 de rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening. Zij willen met het verzoek om voorlopige voorziening bereiken dat de kap van de drie bomen wordt voorkomen, of in ieder geval niet eerder plaatsvindt dan nadat alle benodigde besluiten voor de herinrichting van de Weerdsingel OZ onherroepelijk zijn.
1.4. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 27 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, de gemachtigde van het college en de gemachtigde van de gemeente.
1.5. Tijdens de zitting heeft de gemeente laten weten dat de aanvankelijke planning om de bomen in maart van 2026 te kappen is gewijzigd en dat de bomen inmiddels niet eerder dan in september 2026 zullen worden gekapt. Voor die tijd zullen er geen onomkeerbare werkzaamheden aan de bomen worden uitgevoerd. Desondanks hebben verzoekers tijdens de zitting laten weten het verzoek om een voorlopige voorziening niet in te trekken.
1.6. Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
- De voorzieningenrechter is tot het voorlopige oordeel gekomen dat in ieder geval één van de verzoekers voldoende dichtbij de te kappen bomen woont en hier vanuit zijn woning zicht op heeft. Om die reden is de voorzieningenrechter tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek gekomen.
2.1. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
2.3. Zoals eerder beschreven heeft de gemeente verklaard dat niet eerder dan in september 2026 met de werkzaamheden en het kappen van de bomen wordt gestart. Van de zijde van de gemeente is toegezegd dat verzoekster 1 geruime tijd van tevoren (zes weken) op de hoogte wordt gesteld van de start van de kapwerkzaamheden. De conclusie uit het voorgaande is dat er thans geen enkel spoedeisend belang aanwezig is. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
2.4. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2026 door mr. ing. A. Rademaker, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.C.J. van der Hoorn, griffier.
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op: